Australisch schaap met bacterie-genen moet meer wol geven

Ongeveer de helft van de Nederlanders ziet geen heil in het genetisch manipuleren van dieren wanneer produktie-verhoging het doel is, meldde in maart het consumentenonderzoeksbureau Swoka. Zover bekend zijn er ook geen Nederlandse biotechnologen die sleutelen aan dierlijk DNA omwille van bijvoorbeeld snellere groei, magerder vlees of meer eieren. Stier Herman en zijn nakomelingen zijn nog de enige Nederlandse landbouwhuisdieren met vreemde genen in het erfelijk materiaal. Maar bij deze runderen gaat het om medicijnen uit de melk.

Aan de andere kant van de aardbol lijkt men minder moeite te hebben met genetisch manipuleerde landbouwhuisdieren omwille van de landbouwproduktie. Het Australische landbouwkundig insitituut CSIRO probeert bacterie-genen in schapen te zetten om zo meer en betere wol te krijgen. Dit schrijft het kwartaalblad van het instituut, Rural Research 167, winter 1995.

Voor wol en haar is het aminozuur cysteine belangrijk. Dieren moeten deze belangrijke eiwitbouwsteen uit hun dieet halen, omdat ze het niet zelf kunnen maken. Probleem voor de landbouwindustrie is dat het gras van de droge Australische schapenweiden soms weinig cysteine bevat, waardoor de wolkwaliteit onregelmatig is. Toevoeging van cysteine aan het schapendieet geeft betere wol, maar is duur.

De Australische onderzoekers proberen daarom het schaap zelf cysteine te laten maken. Hiertoe hebben ze twee genen geïsoleerd uit de bacterie Echerichia coli, verantwoordelijk voor de aanmaak van cysteine. Aan beide cysteine-genen hebben ze een stuk dierlijk DNA gezet (een promotor), om ervoor te zorgen dat het aminozuur in de juiste weefsels van het dier wordt aangemaakt. Afgelopen jaar lukte het om het genconstrukt tot expressie te brengen in muizen. Hoewel deze muizen geen cysteine in het dieet kregen, groeiden toch twee van de acht gemanipuleerde muizelijnen normaal op. De andere zes gemanipuleerde muizelijnen en een controle-groep, die eveneens cysteine moest missen, verloren zoveel haren dat ze na korte tijd kaal waren. Kregen ze alsnog cysteine in het dieet, dan was hun kaalheid gauw verdwenen. Het is nog niet gelukt om schapen het bacteriële aminozuur cysteine te laten maken.

Behalve betere wol, willen de Australiërs ook schapen die resistent zijn tegen een bepaalde aasvlieg. Hiertoe willen ze in het schapen-DNA plantengenen zetten die coderen voor chitinases. Deze chitinase-eiwitten breken het skelet van insekten af waardoor de belagers het loodje leggen. De onderzoekers hebben een chitinanse-gen uit de tabaksplant in muizen gezet. Twee muizenlijnen hebben dit plante-eiwit ook gemaakt.

De onderzoekers sluiten niet uit dat boeren in 2000 al genetisch gemodificeerde schapen in de wei hebben staan. Ze hebben een DNA-test ontwikkeld, waarmee eenvoudig is aan te tonen of het schaap de planten- of bacterie-genen heeft. Voor de biotechnologie-industrie betekent zo'n test dat als patentering op dieren zich doorzet, 'illegaal' gebruik van de gemodificeerde schapen te controleren is. Voor de tegenstanders van dierlijke biotechnologie betekent de test dat het technisch mogelijk is om gemanipuleerde schapen buiten de EU-grenzen te houden.