Neerlandicus bezocht ruim 4.000 begraafplaatsen en schreef er een boek over; Een dodenakker toont de tand des tijds

TILBURG, 27 DEC. Hij schiet in de lach als de naam van het plaatsje Acquoy valt. In dat Gelderse dorpje aan de Linge staat een restant van een Middeleeuwse kerk, met een toren die in de loop der tijden schuin is gaan staan. Precies voor het godshuis ligt ene mevrouw Pisa begraven. Humor en de dood - Cees van Raak (41) besteedt er een heel hoofdstuk aan in zijn boek Dodenakkers. “Op een katholiek kerkhofje in Heerlen rust ene mijnheer Godt”, vertelt hij. “Naast hem ligt zijn echtgenote, ze heet Verdomne.”

Het sneeuwt in Tilburg als Van Raak zijn bezoek voorgaat op de r.k. Begraafplaats Binnenstad, waar negentien fraaie stenen beelden de omheining sieren. Hij kent het kerkhof door en door, in het bijzonder omdat hij er zijn werk begon. De ex-docent Nederlands en geschiedenis liet zich omscholen tot 'historisch onderzoeker', waarna hij de gemeente Tilburg aanbood de oudste begraafplaats van de stad onder de loep te nemen. “Tegelijk kwam er in het land een inventarisatie-project van monumenten op gang. Het rijk wilde weten welke er precies bestonden en waar”, weet Van Raak nog. “Ik had meteen volop werk. In Tilburg heb ik alle begraafplaatsen afgestruind naar cultuur-waardevolle zaken. Daarbij trof ik hele mooie dingen aan: stenen, zerken, noem maar op. Een rijke begraafplaats is in feite een open-luchtmuseum. Je ziet alle stijlen uit de kunstgeschiedenis vertegenwoordigd.”

Hij loopt naar een zwart graf. “Let eens op die prachtige Jugendstill”, zegt hij. “Ik voel me een beetje een ontdekkingsreiziger, nu ik dat allemaal heb gevonden. Vooral toen ik begon, want op dat moment waren er nog weinig mensen met deze materie bezig. De belangstelling groeit.” Van Raak merkt dat ook aan de toegenomen interesse voor het tijdschrift Doodgewoon, waarvan hij redacteur is. “Het is het enige blad ter wereld dat helemaal over sterven gaat. Alles staat erin - de kunst erom heen, de rituelen, alles. De dood wordt steeds meer bespreekbaar.”

Hij kan niet precies zeggen hoeveel van de ruim 4.000 Nederlandse begraafplaatsen hij voor zijn boek precies heeft bezocht. De mooiste en meest respectabele is naar zijn idee Oud Eik en Duinen in Den Haag. “Daar werd al in de dertiende eeuw begraven, rond de Mariekapel. Je vindt daar alle soorten van grafcultuur die je maar kunt bedenken, je treft er de eerste uiting van een buiten-begraafplaats aan. Op een vloer, aangelegd als een kerkvloer - vroeger begroef men in het godshuis - zie je grote zerken naast elkaar liggen. Het is eigenlijk een kerk zonder dak. Maar je ziet er ook moderne graven, neem de islamitische begraafplaatsen uit de jaren tachtig. Je kunt er een ware ronde maken langs grafcultuur van verleden en heden.”

Er zijn tegenwoordig volgens Van Raak zelfs kunstenaars die zich helemaal toeleggen op het maken van grafversiering. “Daar bedoel ik niet alleen monumenten mee, maar ook sier-urnen, lijkwaden of beschilderde kisten. Het zijn allemaal uitingen van een hernieuwde belangstelling voor de laatste gang.”

De mooiste grafspreuk? “Hodie mihi, cras tibi - Heden ik, morgen gij”. Van Raak krijgt pretoogjes. “Op een dodenakker in Doetinchem hebben ze wat met die woorden gerommeld. Hodie tibi, cras mihi, staat daar.” Hoe meer hij van de dood te weten kwam, hoe meer het Van Raak ging intigreren. Hij dook steeds dieper in de materie. Hij werd lid van de vereniging Terebinth, die zich bezig houdt met herstel van zorg rond de dood en de laatste rustplaats. Via de archieven van Terebinth maakte hij kennis met “de oude tijd”. “In de vorige eeuw werden de spiegels steevast gekeerd in een kamer waar iemand stierf, en liep men een paar keer met het lijk om het kerk heen. Dat gebeurde om te verhinderen dat de geest - of de duivel - in het lichaam zou terugkeren. De Germanen wisten het al: als een ziel niet kon opstijgen, dan kon hij het het lichaam heel moeilijk maken.”

Van Raak wijst op een nieuw graf. “Steeds meer mensen kiezen weer voor een ouderwetse ter aarde bestelling”, weet hij. “Na 1963, toen de Roomse kerk cremeren gelijk stelde aan begraven, nam het verbranden in ons land een enorme vlucht. De verhouding is bijna fifty-fifty geworden, maar cremeren bleef op 47 procent steken. Het heeft ook te maken met hernieuwde belangstelling voor rituelen. Die kun je beter kwijt bij een begrafenis. Die heeft toch meer cachet, vinden veel mensen. Goed, de sier-urn is geïntroduceerd, en er wordt steeds minder as verstrooid. Strooi je, dan is er helemaal niks meer van het lichaam over. Dan is er het totale niets dat knaagt, zeg ik altijd. Een crematie duurde in de jaren zestig en zeventig 20 minuten. Een muziekje: Waarheen, waarvoor? en I did it my way. De gordijnen sloten zich en men schoof naar de koffiekamer. Dat was pover.”

Dat laatste is verbeterd, maar een begrafenis spreekt in zijn ogen toch meer aan. “Mensen nemen hun eigen uitvaart zeer voortvarend ter hand. De jonge aids-patiënten hebben daarin een soort voortrekkersrol gespeeld. Die zijn zich heel bewust van het naderen van de dood. Ze zijn nogal hedonistisch ingesteld. Er zijn uitvaarten die uitblinken door apartheid. Zo'n Manfred Langer, die disco-eigenaar, haalde er de tv en de voorpagina's mee. Dat was tien jaar geleden absoluut onmogelijk geweest.”

Op de begraafplaats Binnenstad naderen we de uitgang. Van Raak staat nog even stil bij het hoofdpad. Daar staat de prachtige neoclassicistische grafkapel van de familie Mutsaerts, de textielbaronnen. Hij gaat voor de bronzen toegangsdeur staan. “Hieronder bevinden zich twee boven elkaar liggende grafkelders” legt hij uit. Hij geniet zichtbaar. En hij weet één ding zeker: op deze dodenakker wil hij later begraven worden.