Kevertjes met een labeltje om de nek

Saskia de Bodt: Halverwege Parijs. Willem Roelofs en de Nederlandse schilderskolonie in Brussel 1840-1890. Snoeck-Ducaju & Zoon, Gent, 332 p., 1995, ƒ 93,- Te bestellen via Jan Smit Boeken, Hilversum (035-6219267). Werk van Roelofs is t/m 4 febr. 1996 te zien in de Rotterdamse Kunsthal op de tentoonstelling Passage Brussel.

“Kunt gy my niet behulpzaam zyn in het verzamelen? Van alle dieren, behalve van den mensch, hond en kat, zyn de vlooyen my hoogst welkom, en wel in zoo grooten getale mogelyk, bewaard in kleine fleschjes gevuld met genever of brandewyn.” Dat schreef de Leidse entomoloog C. Ritsema Czn in 1872 aan de in Brussel wonende landschapschilder Willem Roelofs. Ogenschijnlijk een raar verzoek, Belgische vlooien op sterk water, maar Roelofs was naast beeldend kunstenaar ook een gedreven insectenkenner. Hij publiceerde doorwrochte artikelen in Annales de la Société Entomologique Belge, was gespecialiseerd in snuitkevers en hij had in 1865 zijn naam verbonden aan een Australische species: Acroteriasus Roelofs. Kunst en precisie gaan vaak hand in hand. De Britse landschapschilder John Constable, wiens werk wat thematiek en techniek betreft overeenkomst vertoont met dat van Roelofs, nam voor de zekerheid monsters van een vergezicht mee naar zijn atelier, glazen potjes met aarde, bladeren, takjes, modder, opdat hij bij het uitwerken van het schilderij de waarheid niet zou vertekenen. Vladimir Nabokov was behalve een literaire grootmeester tevens een gepassioneerde vlindersystematicus; ook hij publiceerde wetenschappelijke artikelen in vakbladen als The Entomologists News en The Entomologist. De dichtende bioloog Dick Hillenius herkende in de determinatiedrang van “al die biologen, natuurbeschermers, bosneukers” een verregaande vorm van ijdelheid. In wezen waren ze allemaal uit op onsterfelijkheid, schreef hij in Soma, 18/19, 1971. Nabokov was volgens Hillenius een uitzondering, “ten eerste zijn zijn artikelen geen onzin, ten tweede is Nabokovs grote artikel over de Neotropische Plebejinae gepubliceerd met een subsidie van het Museum of Comparative Zoology at Harvard College”. Alsof financiële steun ijdelheid niet bevordert! In zijn autobiografie Speak, Memory dagdroomde Nabokov dat hij in St. Petersburg het enige resterende exemplaar van de 'Eupithecia Petropolitanata' zou vinden 'in 1912...1913...1914'. De wens om zijn naam aan een niet eerder beschreven dier te hechten zat er al vroeg in. In haar fascinerende proefschrift Halverwege Parijs. Willem Roelofs en de Nederlandse schilderskolonie in Brussel 1840-1890 trekt kunsthistorica Saskia de Bodt tien bladzijden uit voor de entomologische activiteiten van haar protagonist. Zij stuitte op een vreemd verschijnsel: op zeker moment was Roelofs in Europa dè expert op het gebied van de curculioniden (snuitkevers), tegelijkertijd werd zijn schilderwerk minder natuurgetrouw, ging hij schetsmatiger te werk. Hoe strikter de wetenschap, hoe sterker de behoefte om uit de band te springen? Zit er soms een weegschaal in onze kop? Vermoedelijk koppelde Roelofs net als Nabokov het zoeken, vangen, doden en beschrijven van insecten aan zijn vroegste jeugdherinneringen. Aan die kortstondige periode in ieders leven waarin de wereld vanzelfsprekend lijkt; “a sense of oneness with sun and stone” (Nabokov). Ook Roelofs was een balling, op zijn 26ste brak hij met zijn ouders en vertrok samen met de modiste Jeanne Adriana Verstraten hals over kop naar Brussel. De schilder groeide op in Utrecht, “in de kapitale Heerenhuizinge Rotz-en-Burg, met koetshuis, stal voor vier paarden en Kamer, benevens Tuin-en Moesgrond; hebbende de Heerenhuizing beneden vijf Kamers, ruime Keuken, Kelder en Provisiekamer; boven zeven Kamers en twee kabinetjes, Meidenkamer, twee groote Zolders met Knechtskamer; alles bij elkander zeer aangenaam gelegen aan den Vaartschen Rijn onder Tolsteeg”. Het kind ontpopte zich als een vlijtig natuurvorser en verzamelaar. Roelofs' kevercollectie kwam niet alleen door vangen tot stand; hij determineerde ook de verzamelingen van vrienden in binnen- en buitenland (dubbele exemplaren waren dan voor hem), hij kocht torren op veilingen en ruilde natuurlijk bij de vleet. “Hij had vrijwel constant dozen met kevers van anderen in huis die erop wachtten op lange lijsten beschreven te worden”, schrijft Saskia de Bodt. In 1881 verkocht Roelofs 71.800 torren aan een Brussels museum, vandaag de dag kan men in het depot van het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen, afdeling Entomologie, nog honderden kleine laatjes met kevertjes aantreffen, “alle met een labeltje om de nek met in keurige vorige-eeuwse inktlettertjes de tekst COLLECTION ROELOFS. Die ontdekking was een van de leukere momenten van mijn Brusselse dooltochten”, aldus de kunsthistorica. Roelofs' dooltochten voerden hem naar de Waddeneilanden - op Texel vond hij een onbekende variant van de kever Carabus granulatus - , naar Engeland en Schotland, naar Drenthe en Gelderland. Vanuit Ruurlo schreef hij in 1871 aan een vriend: “Dit is het meest afgelegen, primitieve uithoekje van Holland, hier is spoorlijn noch telegraaf, alleen pittoreske stulpjes in ongerept lommer.” In dat jaar beschreef hij ook wat er zoal bij het prepareren van een kever komt kijken: “De tor heb ik dadelyk in de vloeistof gedaan om op te weeken. Toen hy week was heb ik zyn pooten uitgespreid, dat niet makkelyk ging. Ook heb ik de vleugels weer tot elkander geknepen zoodat ze nu niet meer divergeeren. Toen ik dit alles gedaan had heb ik het dier in aether sulphuricus laten uitlekken zoodat ook het vet verdwenen is. Nadat nu het dier opgedroogd was, heb ik het dwars op een papiertje geplakt, zoodat alleen de middelste abdominaalsegmenten, waaraan niets byzonders te zien is, door het papier bedekt zyn.” Een omslachtige manier om de tijd stil te zetten. En dat minstens 71.800 keer. Het is een wonder dat Willem Roelofs (1822-1897) nog tijd had om te schilderen, zijn bedlegerige echtgenote te verzorgen, zijn eigen depressie te bedwingen, nogmaals te trouwen en twee kinderen te verwekken, er een wereldwijde correspondentie op na te houden en tentoonstellingen te organiseren. Na de dood van zijn moeder nam hij ook nog zijn vader en zijn oudste zus in huis. Hij kreeg het proefschrift dat hij verdient: goed doordacht, ordentelijk geschreven en verantwoord, en bovenal weelderig geïllustreerd.

    • Peter Yvon de Vries