Islam toch nog geen duidelijk alternatief in Turkije

ANKARA, 27 DEC. De Turkse kiezers zijn zondag weliswaar massaal (85 procent) opgekomen voor de parlementsverkiezingen, maar zij hebben geen duidelijke politieke boodschap afgegeven. De moslim-fundamentalistische Welvaartspartij kwam met 21,3 procent als de grootste uit de bus, maar haar winst van ruim 2 procent ten opzichte van de gemeenteraadsverkiezingen in maart 1994 is te weinig om de politieke islam als een duidelijk alternatief aan te merken in Turkije. Een kleine 80 procent van de bevolking blijft het seculiere karakter en de Westerse oriëntatie van het land trouw, de weg die bij de oprichting van de republiek in 1923 door de Turkse hervormer Atatürk werd ingeslagen.

Desondanks is het duidelijk dat de Welvaartspartij haar aanhang in de afgelopen tien jaar gestadig heeft uitgebreid. Dat wijst op twee dingen. Steeds meer kiezers in Turkije, met name de nieuwkomers in de steden en de inwoners van Midden- en Oost-Turkije, zien de gevestigde partijen, zowel rechts als links van het midden, hoe langer hoe minder als hun vertegenwoordigers. De steeds hechtere aansluiting van Turkije bij Europa brengt hen in verwarring. Men wijst die niet per definitie af, maar men wenst zich aan de hand van de islam tevens van de (christelijke) Europeanen te onderscheiden. Anderzijds versterken de economische malaise, de verloedering van de politiek en de corruptie in de ambtenarij de positie van de Welvaartspartij. Met de slogan Adil Duzen (gercehtigheid) vangt de politieke islam in Turkije zowel de islamitisch georiënteerde kiezers als de proteststemmen.

Ook blijft de verwarring rechts van het centrum bestaan. De Partij van het Juiste Pad (PJP) van Tansu Çiller en de Moederlandpartij van Mesut Yilmaz behaalden respectievelijk 19,2 en 19,6 procent van de stemmen, en dat verschil is zo minimaal dat er nauwelijks gesproken kan worden van een voorkeur. Het idee is dat het rechtse electoraat de inmiddels demissionaire Çiller ondanks de economische malaise in het land niet echt is afgevallen, en dat men tevens Yilmaz niet naar voren heeft geschoven als de nieuwe leider van de conservatieven en de liberalen.

Voor velen in Turkije is dat een verrassing omdat opiniepeilingen in de afgelopen week suggereerden dat de Moederlandpartij stukken populairder was dan de PJP. Nu lijkt de eerder deze maand overeengekomen douane-unie tussen Ankara en Brussel Çiller toch meer winst te hebben opgeleverd dan werd verwacht. Politieke waarnemers trekken hieruit de conclusie dat het rechtse electoraat meent dat de tijd is aangebroken dat de twee aartsrivalen Çiller en Yilmaz hun persoonlijke strijd staken en gezamenlijk regeringsverantwoordelijkheid dragen. Die voorkeur bestaat al geruime tijd onder de ondernemers, die een krachtiger economisch beleid gewenst achten, zeker met het oog op het vrijhandelsakkoord met de Europese Unie, waardoor de concurrentiepositie van het Turkse bedrijfsleven met ingang van 1996 verder onder druk komt te staan.

In het sociaal-democratische kamp blijft het vooralsnog eveneens tobben. Traditioneel staan de sociaal-democraten in Turkije voor zo'n 40 procent van de stemmen, maar na de militaire staatsgreep in 1980 hebben de kibbelende sociaal-democraten gestaag aanhang verloren. Ten opzichte van de verkiezingen in 1991 is er nog steeds sprake van een neergang, maar in vergelijking met de gemeenteraadsverkiezingen maart vorig jaar boeken de sociaal-democraten nu voor het eerst weer enkele procenten winst. Het ontbreken van een duidelijke linkse koers blijft de sociaal-democraten in Turkije parten spelen.

De sociaal-democratische kiezers brachten deze keer in meerderheid hun stem uit op de Democratisch Linkse Partij (DLP) van Bülent Ecevit (14,6 procent). De Republikeinse Volkspartij (RVP) van Deniz Baykal overschreed met 10,7 procent nèt de nationale kiesdrempel van 10 procent, terwijl de partij als coalitiepartner van de PJP de afgelopen vier jaren toch een belangrijke schakel vormde in de Turkse politiek. Het is grotendeels aan de alevieten, de niet-orthodoxe shi'ieten in Turkije, te danken dat de RVP opnieuw is vertegenwoordigd in het parlement. De alevitische organisaties hadden in eerste instantie besloten om met eigen, onafhankelijke kandidaten aan de parlementsverkiezingen deel te namen, maar ze zagen daar op het laatste nippertje toch vanaf.

Baykal verloor stemmen aan de pro-Koerdische HADEP. Met de voorloper hiervan, de ontbonden DEP, ging de RVP bij de stembusslag in 1991 een lijstverbinding aan om de overwegend Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije zo in de gelegenheid te stellen hun eigen vertegenwoordigers in het parlement te kiezen. De verkiezingsuitslag is evenwel uiterst teleurstellend voor de HADEP. Hoewel de partij in het zuidoosten gemiddeld 40 procent van de stemmen behaalde, slaagde men er met een landelijk percentage van 4,1 niet in de nationale kiesdrempel te overschrijden. Met name de miljoenen Koerden die in de afgelopen jaren grotendeels gedwongen uitweken naar het westen en de Middellandse Zee, lieten de HADEP in de steek. Volgens HADEP-leider Murat Bozlak komt dat omdat zeker 2 miljoen onder hen zich deels om veiligheidsredenen niet hebben laten registreren op de kieslijsten; anderen menen dat naarmate de repressie zich minder laat gelden de noodzaak afneemt om op een uitgesproken Koerdische partij te stemmen. Het grote gevaar is evenwel dat nu de Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije niet is vertegenwoordigd in het parlement, de positie van de separatistische Koerdische Arbeiders Partij (PKK) in de regio daardoor wel eens weer prominenter kan worden. En dat brengt de mogelijkheid van een nieuwe radicalisering onder de Koerdische bevolking met zich mee.