'Ik ben ernstig blij dat Sorgdrager de fakkel overneemt'

Minister Sorgdrager (justitie) wil euthanasie voor een deel uit het strafrecht halen. Tot genoegen van gynaecoloog Prins die hiervoor twee keer verantwoording moest afleggen aan de rechter. De zaak-Prins is de eerste van een serie in deze krant over in het oog springende gebeurtenissen in 1995. Hoe ziet de hoofdpersoon terug op zijn affaire? En wat is er sindsdien gebeurd?

Gynaecoloog Prins had tot vrijdag nog niet het gevoel goed te kunnen terugkijken op zijn 'zaak'. “De discussie over euthanasie was weinig evenwichtig en te veel ontaard in detailconflicten.” Maar voor hem veranderde er veel toen hij las dat minister Sorgdrager (justitie) euthanasie voor een deel uit het strafrecht wil halen. “Het lijkt er op dat zij nu de fakkel overneemt. Graag, wat mij betreft. Het einde voor mij is nu in zicht. Daar ben ik ernstig blij mee.”

H. Prins (50), gynaecoloog in het Waterlandziekenhuis van Purmerend, stond dit jaar twee keer voor de rechter. In april voor de rechtbank in Alkmaar en voor het hoger beroep in oktober voor het gerechtshof in Amsterdam. Prins had in maart 1993 het leven beëindigd van een zwaar gehandicapte baby. Hij moest zich daar in een proefproces voor verantwoorden. Prins werd beide keren ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtszaken waren “bizar, onwerkelijk en zeer stressvol”, zegt Prins. Hoewel justitie en de rechters hem correct bejegenden, was hij vooral bang niet goed te worden begrepen. En hij was er emotioneel “uitermate door geboeid”, wat een zware wissel trok op zijn gezin. “Mijn bevangenheid was groot. Over de juridische en ethische kant van levensbeëindigend handelen wilde ik alle boeken lezen, en ik moest alles over euthanasie in de kranten en op radio en televisie volgen. Het was zo ernstig dat ik bijna nergens anders over kon praten.”

In zijn fraaie stolpboerderij in Middenbeemster staat een vleugel, maar Prins had dit jaar nauwelijks tijd voor zijn hobby. “Het pianospelen heeft er onder geleden. Ik heb de lessen een tijdje stopgezet.”

Prins had bijna drie jaar geleden bij lange na niet voorzien dat zijn besluit om op verzoek van de ouders het leven van het drie dagen oude meisje te beëindigen “zo'n exploderende aandacht” zou krijgen. “Ik had gerekend op een paar stevige gesprekken met de officier van justitie. En met collega's misschien. Dat het op een proefproces zou uitdraaien had ik al helemaal niet verwacht.”

Minister Sorgdrager vond dat er een zaak-Prins moest komen, om regels te formuleren omtrent levensbeëindigend handelen bij wilsonbekwamen. Prins kwam daardoor in aanraking met het strafrecht waarbij hem moord ten laste werd gelegd, wat hij als zeer onredelijk ervoer. Maar hij beklemtoont zich niet als martelaar te willen presenteren. “Martelen doe je iemand aan zonder goede bedoelingen. Hoewel het onheus, onethisch en onterecht was dat justitie mij vervolgde, heb ik nooit het gevoel gehad dat dit niet met goede bedoelingen gebeurde.” En er is dit jaar mede dankzij zijn zaak en die tegen de Groningse huisarts Kadijk veel op gang gekomen. “Ik ben meer beloond dan ik had durven hopen.”

De gynaecoloog noemt de uitspraak van Sorgdrager van vrijdag dat strafrechtelijke toetsing in deze zaken een heel bot middel is “een ongekend warm bad”. Hij is tevreden met haar ruimhartige pleidooi om euthanasie bij wilsonbekwamen voor een deel uit het strafrecht te halen en een vorm van 'medische exceptie' in de wet op te nemen. Een commissie van medici, juristen en ethici zou de toetsing van levensbeëindiging van wilsonbekwamen ter hand moeten nemen. Alleen bij excessen wordt dan justitie nog ingeschakeld.

Prins is groot voorstander van dit voorstel. “Ik hoop dat Sorgdrager de inhoudelijke discussie met andersdenkenden gaande houdt.” Euthanasie kan volgens hem niet helemaal zonder het strafrecht. “Justitie moet zijn invloed kunnen uitoefenen op beslissingen van dit kaliber. De medische exceptie hoeft geen muur tegen justitie op te werpen. Het is niet meer dan een beschermende mantel, als de witte jas voor de dokter. Met die voorwaarde dat de dokter de witte jas met ere draagt.” Het opnemen van een medische exceptie in de wet vereist volgens Prins wel een goede discussie over het grensverkeer. “Aan die grens moet vrede komen.”

Prins vindt het jammer dat de discussie nu pas de juiste vorm krijgt. Hij verwijt de vorige minister, Hirsch Ballin (CDA), “onverkort” de deur te hebben dichtgegooid. De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde publiceerde in 1992 over dit onderwerp het rapport 'Doen en Laten'. “Maar euthanasie op pasgeborenen was moord en bleef moord. Een discussie was onmogelijk.”

Het trof hem daarom des te meer dat bij de 400 brieven die hij kreeg veel reacties zaten van gelovige mensen. “Ik kreeg heel veel genuanceerde teksten uit die hoek. Niet allemaal van 'wat goed en fantastisch', maar wel allemaal vol respect. In dat opzicht geloof ik dat het CDA zich heeft vervreemd van wat er in Nederland leeft.”

In 1996 wacht Prins wellicht nog een gang naar de Hoge Raad. Sorgdrager wil 'cassatie in belang der wet' instellen, maar of de Hoge Raad dit verzoek inwilligt is onzeker. Prins heeft zelf ook cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof aangetekend, maar de kans dat hij die intrekt acht hij groot. “Aan de ene kant is in het algemeen belang dat juridisch de puntjes op de i worden gezet, maar de kans is aanwezig dat mijn vonnis wordt vernietigd en wordt terugverwezen naar een ander hof. Daar heb ik weinig trek in. Ik wil eigenlijk dat het geen persoonlijke consequenties voor mij heeft. En die zekerheid lijkt niet te krijgen. Sutorius, mijn advocaat, moet het nog meer eens goed uitleggen.”

Als Sorgdragers wens om cassatie niet wordt ingewilligd en hij zich terugtrekt, wordt volgens Prins eens te meer het fiasco van dit soort proefprocessen aangetoond. “En dat is een aantrekkelijke gedachte.”