DEAN MARTIN 1917-1995; Doezelige hartenbreker

Dean Martin, de gentleman crooner die eerste kerstdag op 78-jarige leeftijd overleed, gaat waarschijnlijk de geschiedenis in als de man die nooit ergens enige moeite voor heeft hoeven doen - zo gemakkelijk leek zijn lichte bariton van de hogere regionen naar het diep resonerende register van de eeuwige charmeur te glijden. Zijn grootste hit, het uit 1964 daterende Everybody loves somebody sometime, werd het wiegelied voor romantici over de hele wereld. En zijn pose, met sigaret en whisky- glas, werd het voorbeeld voor honderden andere vocalisten. Maar niemand ging dat met zulk schijnbaar gemak af als hem.

Als zoon van een uit Italië afkomstige herenkapper in Steubenville (Ohio) groeide Dino Paul Crocetti op als een handig joch dat op zijn zestiende clandestiene spiritualiën rondbracht en later onder meer werkte als bokser (weltergewicht) en in een illegale pokerclub. Op zijn twintigste begon hij te zingen, eerst als Dino Martini en daarna - op advies van de orkestleider Sammy Watkins - als Dean Martin. In 1946 werkte hij in een club, waar ook de beginnende komiek Jerry Lewis optrad. De heren werkten ruim twintig jaar lang als duo, in clubs (als het best betaalde nachtclubnummer van Amerika), op de televisie en in zestien succesfilms. Lewis was altijd de drukte- en brokkenmaker, die door de beredderende Martin op het rechte pad moest worden gehouden.

In 1957 brak Dean Martin het duo op, omdat hij zich steeds meer door zijn compagnon naar de achtergrond gedrongen voelde. Heel wat kenners meenden dat zijn carrière daarna snel bergafwaarts zou gaan; Martin was van de twee immers steeds de aangever geweest die alleen maar zichzelf leek te spelen en verder geen blijk gaf van bijzondere talenten. Maar hij bleef als filmacteur actief - vaak in rollen die goed bij zijn relaxte uitstraling pasten - en maakte als zanger furore in een jarenlange show op de Amerikaanse televisie. Begin jaren zestig werd hij bovendien opgenomen in de Rat Pack, de kwajongensachtige kornuitenkring rond Frank Sinatra, waartoe ook Sammy Davis jr behoorde. Ze traden gedrieën op en maakten diverse films vol robuuste grappenmakerij. In een reeks parodistische films bleef Martin als Matt Helm, een James Bond-achtige spion, echter steken in een middelmatige persiflage op zichzelf.

Op initiatief van Sinatra maakte het drietal in 1988 een laatste tournee door de Verenigde Staten. Dean Martin hing daarbij de onwillige derde uit, te lui (en ogenschijnlijk te dronken) om uit de bar te komen en te doezelig om nog te zingen óók. Dat was, achteraf bezien, de rol die hij het best speelde: die van de in smoking gehulde man van de wereld, die met zoete tonen en een half geloken blik de harten van zijn toeschouwers kon doen smelten. Hij deed alsof het allemaal vanzelf ging, en hij was zó geloofwaardig dat menigeen er de echte Dean Martin in dacht te zien - de man die op een laat uur, bij het laatste glas, een liedje zong dat de luisteraar met een verzaligd gevoel kon doen wegzinken. Gelukkig heeft hij meer dan honderd langspeelplaten gemaakt.