De top van Justitie

DE AMBTELIJKE TOP van het departement van justitie wordt door elkaar geschud. Secretaris-generaal Suyver heeft aangekondigd dat hij naar een andere positie omziet. De ambtelijke aanvoerder had voor de parlementaire enquêtecommissie over de opsporingsmethoden moeten erkennen dat Justitie deze gevoelige materie wel een beetje op z'n beloop had gelaten. Koud daarop volgde de brisante episode van de gouden handdruk voor procureur-generaal Van Randwijck, een affaire die de vingerafdrukken van een weinig alerte ambtelijke top droeg.

De wisseling van de wacht komt niet als een verrassing. Jammer is alleen dat minister Sordrager haar verpakt in de aankondiging dat zij een nieuw organisatie-adviesbureau heeft aangetrokken om de tent - háár tent - nog eens door te lichten. Het is geen uitzondering dat men in de politiek-departementale cultuur van Den Haag de toevlucht neemt tot “Berenschot”, dat ook op Justitie al duidelijk aanwezig is. Maar dat is nog niet automatisch een goed teken. In dit geval vormt het zelfs een verkeerd signaal. Het probleem met Justitie is nu net een staccato van, zoals dat heet, veranderingsprocessen, dat ten koste dreigt te gaan van de bezonnenheid van de rechtshandhaving die de kerntaak van dit ministerie vormt.

Een publieke taak ontslaat uiteraard niet van een gezonde bedrijfsvoering, maar het werkt averechts wanneer het tweede als vervanging voor het eerste gaat dienen. Zeker bij Justitie met zijn bijzondere zorg voor de strafrechtspleging. Deze is wel vergeleken met het wajangspel, het spel van uitvergrote schaduwen. Evenals de wajang-schaduw is de strafdreiging geen getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid. Het strafrecht is omgeven met mystiek, en dat moet zo blijven want daar hangt de werking mee samen. Niet voor niets spreekt men over de stok àchter de deur. HET INHUREN van extern advies accentueert dat minister Sorgdrager bijna halverwege de rit van dit kabinet nog steeds moeite heeft haar positie overtuigend te markeren. Dat is ook heel duidelijk gebleken bij het drugsbeleid. De bewindsvrouw wekte met allerlei publieke speculaties grote verwachtingen, met als gevolg dat het beleidsstuk dat uiteindelijk uit de bus kwam nu ferm te boek staat als een anticlimax. En nu lijkt minister Sorgdrager dezelfde weg in te slaan op het gevoelige gebied van het euthanasievraagstuk.

In een gesprek met deze krant laat zij weten te denken aan de vorming van medisch-ethisch-juridische toetsingscommissies. Een automatische strafrechtelijke uitzondering voor artsen (de zogeheten “medische exceptie”) wijst zij af; terecht, want euthanasie is nooit een puur-medische aangelegenheid. Aan de andere kant wil de minister tegemoet komen aan de - op zichzelf ook begrijpelijke - wens van de medische beroepsgroep het strafrecht wat meer op afstand te zetten. Dat vormt dan wel een principiële doorbraak van de gelijkheid van allen voor de (straf)wet.

Dit lastige dilemma is bij de coalitie-onderhandelingen onder een moratorium geplaatst, in afwachting van een evaluatie van de huidige praktijk. Dat vormt in politiek Den Haag een gevarensignaal. De denkbeelden van minister Sorgdrager zijn op zichzelf niet onsympathiek. De politiek-bestuurlijke vormgeving lijdt aan een gebrek aan scherpte. Daar helpt geen “Berenschot” aan.