De staat is dringend toe aan rehabilitatie

Waarom moet de overheid terugtreden en de belastingdruk omlaag? Geen van de aangevoerde argumenten is valide, aldus Paul Kapteyn. Verhoog de belastingen, dan kan de staat de grote problemen eindelijk te lijf.

Als een verstandige buitenstaander gevraagd wordt de Nederlandse regering van advies te dienen, heeft hij zijn antwoord snel klaar. Verhoog de collectieve lasten met een paar procent en besteed het geld aan scheppen van banen, aan de verbetering van de infrastructuur, de uitbreiding van wetenschappelijke onderzoeksinstituten, het zuiveren van bodem en lucht, en aan het herstel van de sociale zekerheid.

De burger zal dankbaar zijn. Voor enkele tientjes in de maand ziet hij dat grote groepen buitenlanders hun doelloos bestaan inruilen voor werk, dat de stank en het lawaai vervluchtigt tot schoon en stil openbaar vervoer, dat Nederlandse produkten opvallen door inventiviteit en dat hij, de burger, verlost wordt van al die verzekeringsbedrijven die hem armoede voorspellen als hij zich nu niet 'bijverzekert' voor een risico dat eerder gedekt was. De regering kijkt de andere kant op. Meer belasting! De collectieve lastendruk moet niet omhoog, maar omlaag. Maar is dat ook zo, dat is de vraag.

De geschiedenis brengt licht in deze zaak. De afgelopen honderd jaar is de belastingdruk gestegen, absoluut en relatief, en dat heeft de zaak geen kwaad gedaan. Integendeel, samen met de stijging van de overheidsuitgaven steeg de welvaart, zodat nog nooit zo veel mensen het zo goed hadden als een paar jaar geleden. Waarom moet dan deze stijging tot staan worden gebracht?

Een eerste antwoord luidt dat de staat een log en duur apparaat is, dat zich dient te beperken tot een aantal kerntaken, zoals het leger, de politie, de rechtspraak en de bedeling. De rest moet worden toevertrouwd aan de markt. Dit organisatieprincipe is effectiever en verdient daarom de voorkeur.

Deze stelling is echter in algemene zin niet bewezen. Zou zij dat wel zijn, dan was Nederland met de groei van de overheidsuitgaven steeds armer geworden, en dat is dus niet zo. Bovendien zouden de prestaties van landen met uitgebreide staatsfuncties minder zijn dan die van landen waar de staatsfuncties beperkt zijn, en dat is evenmin het geval. Neem de Scandinavische landen, Duitsland, Japan. De algemene uitspraak, 'meer staat is te veel staat', is dan ook in strijd met de feiten.

Een overeenkomstige conclusie levert de recente ervaring met de 'privatisering'. Hier zou in vivo worden bewezen dat de markt doelmatiger werkt dan de staat en bovendien meer werkgelegenheid genereert. De ervaring leert anders: hogere lonen vooral voor het management, minder banen en meer ontslagen op kosten van de overheid, minder binding van het personeel aan de zaak, hogere prijzen, inkrimping dienstverlening en vooral veel 'oorlog en comedie': functioneel interieur maakt plaats voor een opgeklopte huisstijl, voze reclame in plaats van voorlichting, verkoop van prullaria die de langere wachttijden doen vergeten. De postbeambte achter het loket had een bedaard tempo, maar sinds zij als stewardess is verkleed, heeft zij het te druk om een postzegel te verkopen.

Een tweede antwoord op de vraag waarom de collectieve lasten moeten dalen en niet moeten stijgen, richt zich op een speciale functie van de overheid, de sociale zekerheid. Die kost veel geld, zodat het geen kwaad kan de controle op uitvoering goed te organiseren. Dat was niet het geval. Jarenlang werd er gesjoemeld. Wat te doen? De controle werd aangescherpt en de premies verhoogd. Maar daar bleef het niet bij. In plaats van af te wachten wat het nieuwe beleid voor effect zou hebben, werd het systeem zelf veranderd. Lagere uitkeringen, omzetting van een ziekte- in een werkloosheidsuitkering, en bovenal uitbesteden van zekerheid aan particuliere verzekeraars. Waarom? De sociale zekerheid zou de mensen lui maken en tot frauderen aanzetten. Daarom zou de bevolking het systeem niet langer steunen en een verhoging van de premie niet accepteren.

Dit zijn echter onbewezen beweringen. Er zijn mensen voor wie dit geldt, maar het is onjuist en misleidend om op grond daarvan te generaliseren. Als er iets in algemene termen over de sociale zekerheid kan worden gezegd, dan is het juist dat brede lagen van de bevolking het systeem steunen. Geen wonder, omdat tot voor kort ook de middengroepen hun levensstijl bij tegenslag min of meer konden handhaven. Nu zullen zij zonder 'bijverzekering' sociaal dalen.

De vraag blijft dus waarom het systeem van de sociale zekerheid werd opengebroken in plaats van de controle verder verbeterd en de premies verhoogd. Denkt de regering soms in het buitenland goede sier te maken als hier de collectieve lastendruk daalt? De burger doorziet dit boerenbedrog. Hij moet meer betalen aan zijn 'bijverzekering', en die is in principe altijd duurder dan de vertrouwde volksverzekering.

De vraag blijft dus dringen, waarom mogen de belastingen niet stijgen en waarom moet de overheid terug? Een derde antwoord is onlangs in de mode geraakt en betreft de economische internationalisering of globalisering, waar op zichzelf weinig tegen in te brengen valt. Maar moet daarom de collectieve lastendruk omlaag? Verzwakt deze druk de nationale economische concurrentiepositie in die mate dat verlichting er van onvermijdelijk is. Onzin!

Het Nederlandse belastingregime voor het bedrijfsleven is op allerlei fronten zeer 'flexibel' en vormt zelden een reden voor bedrijven uit andere landen om zich hier niet te vestigen. Weinig anders ligt het met de belasting op persoonlijk inkomen. Die is in Nederland betrekkelijk hoog, zodat vooral de mensen met de hoogste salarissen hier minder zullen verdienen dan in sommige andere landen. Dit nadeel is echter buitengewoon betrekkelijk.

Allereerst kent dit land het systeem van aftrek op rentelasten en allerlei andere constructies waardoor de netto belastingdruk juist voor de hogere inkomens - zoals de lezer wellicht weet - veel lager is dan de bruto belastingdruk waarmee in officiële stukken wordt geschermd. Bovendien, ook al verdienen hooggeplaatsten hier minder dan elders, de nationale concurrentiepositie wordt daardoor niet verzwakt.

Dezelfde conclusie geldt voor het overige personeel. Opnieuw, het is waar dat de belastingdruk in Nederland op arbeid relatief hoog is, maar dat maakt de factor arbeid relatief gezien niet duur. Integendeel, de lonen zijn hier betrekkelijk laag, omdat werknemers zichzelf niet werkloos willen maken en bovendien bereid zijn betrekkelijk veel te betalen voor de diensten van de overheid en voor wat tot voor kort hun sociale zekerheid was. Werkgevers dragen bij aan deze kosten die voor hun de factor arbeid duurder maken, maar kennelijk niet zo duur als in vele andere landen.

Al met al biedt de internationaliseringsthese weinig reden om hier de collectieve lasten terug te dringen. Het tegendeel is wellicht eerder waar. Het bedrijfsleven heeft alle baat bij overheidsinvesteringen in infrastructuur, wetenschappelijk onderzoek, en bij overheidsgaranties voor riskante investeringen. Ook waar overheidstaken niet direct de belangen van bedrijven dienen of op het eerste gezicht daarmee in strijd lijken, is op zijn minst enige terughoudendheid geboden.

Dat geldt voor het algemeen onderwijs van hoog tot laag dat mensen voortbrengt met een relatief open houding en met andere internationaal geöriënteerde kwaliteiten. Dat geldt voor de wettelijk geregelde arbeidsverhoudingen die thans star worden genoemd. In feite hebben zij een arbeidsklimaat geschapen dat in vergelijking met andere landen weinig autoritair is, veel ruimte biedt voor persoonlijk initiatief, weinig stakingen voortbrengt en bovendien economisch gezien betrekkelijk produktief is. Wie de wettelijke basis van de arbeidsverhoudingen wijzigt en daarmee na de sociale zekerheid ook de arbeidszekerheid verstoort, neemt niet geringe risico's.

Waarom moet de overheid terugtreden en de collectieve lastendruk omlaag? Dat was de vraag waarop geen bevredigend antwoord wordt gegeven. Zelfs als ten slotte de overheidsschuld in stelling wordt gebracht, overheerst de twijfel. Deze schuld is hoog en, ook al is ze dankzij de enorme besparingen van het Nederlandse volk voor zijn pensioen gemakkelijk te dragen, het zou verstandig zijn die schuld terug te brengen, nog afgezien van de Europese monetaire integratie en de eisen die in dat verband worden gesteld.

Wie dat constateert, staat voor de keuze de overheidsuitgaven te beperken òf de belastingen te verhogen. Dat laatste is thans onbespreekbaar, en daar gaat het hier om. De belangrijkste argumenten van de tegenstanders zijn besproken. De overheid legt het af tegen de markt, de sociale zekerheid deugt niet, de internationalisering maakt het onmogelijk. Dat alles overtuigde niet.

Rest nog één argument: mensen willen minder belasting betalen. Ook deze laatste stelling houdt geen stand. Natuurlijk, als zonder meer wordt gevraagd: wilt u meer of minder belasting betalen?, dan is het antwoord voorspelbaar. Maar als hun wordt voorgehouden dat de grote problemen van werkloosheid, milieu, nieuwe armoede, infrastructuur kunnen worden bestreden met extra belastinggeld dat ze anders in plaats van aan de overheid aan het bedrijfsleven kwijtraken, wat kiezen ze dan?

Het vertrouwen van de Nederlandse bevolking in de eigen staat is betrekkelijk groot. Ondanks het onvermijdelijke getob met de staatsbureaucratie blijkt nergens dat brede lagen het vertrouwen hebben opgezegd. Nederlanders zijn tevreden met hun land en prijzen de betrekkelijke gelijkheid, de tolerantie en de sociale zekerheid, waarvan zij tegelijkertijd de nadelen erkennen. Het zou van politieke moed getuigen deze Nederlanders voor te houden dat het land, zoals zij dat waarderen, een prijs heeft en dat die prijs omhoog moet.

Maar dat gebeurt niet. Politici en hun raadgevers lijken zich reeds bij voorbaat te hebben neergelegd bij de gedachte dat hun kiezers die prijs niet willen betalen. Zo raken zij bevangen door de bezuinigingsdwang en daarmee door de ideologie van het neo-liberalisme met zijn stereotype van de geïndividualiseerde mens die rationeel calculerend zijn eigen belangen najaagt en wars zou zijn van wat de overheidsbetutteling wordt genoemd.

Echter, zo zijn mensen niet. Anders dan in de VS, waar deze gedachten in de jaren zeventig populair werden, staan in Nederland de burgers niet tegenover de staat, en is de staat niet een ver verwijderde instantie die geld vraagt waar je nooit iets van terugziet. De projectie van Amerikaanse denkbeelden en verhoudingen op de Nederlandse of de Europese is misleidend. Projectie van beleid is bovendien gevaarlijk, omdat naarmate de taken van de Nederlandse overheid worden ingeperkt, de kwaliteit van de dienstverlening kan dalen en straks met enig recht kan worden beweerd dat het niet loont om voor deze diensten langer te betalen.

Zo ver is het niet. Nòg doet de Nederlandse staat in vergelijking met andere zijn werk naar behoren en is de bevolking niet onwelwillend. De verhoudingen zijn er naar om de mogelijkheid van belastingverhoging te bespreken en het voorstel te doen om met meer en niet minder overheid de maatschappelijke problemen te bestrijden. Na vijftien jaar liberale retoriek en miskenning wordt het tijd de staat te rehabiliteren.