De razernij van een bodybuilder

Bij de Utrechtse politierechter heerst bar weinig vrede op aarde. Mevrouw Peters, mevrouw Dijksma en haar 31-jarige zoon Bert zitten erbij alsof zij zojuist van het Bosnische slagveld zijn teruggekeerd. Strakke gezichten, woedende blikken, tastbare haat. Er is sprake van verwondingen en grote, materiële schade.

De oorzaak: wraak. De verdachte wraakengel: Bert, een betonnen reus en een van de bekendste bodybuilders van zijn woonplaats.

De inzet van het conflict was een spiegel. Een spiegel van 95 gulden. Mevrouw Dijksma had het ding gekocht bij mevrouw Peters, die met haar man een winkel drijft in zonweringen, kozijnen en glastafels. Ze had drie weken verliefd naar die spiegel in de etalage gekeken en toen had ze toegetast. Pas bij thuiskomst ontdekte ze dat de rand van de spiegel verkleurd was.

Bellen met de winkelier. “Geld terug”, zei mevrouw Dijksma. “Nee”, zei meneer Peters, “u kunt een andere spiegel krijgen.” “Dat zullen we nog eens zien”, zei mevrouw Dijksma.

De volgende ochtend verscheen mevrouw Dijksma mèt de spiegel en mèt zoon Bert in de winkel. Over wat er daarna gebeurde, bestaan - volgens goed gebruik bij tal van rechtszittingen - twee lezingen. De rechter, mr. A. Weijsenfeld, luistert eerst naar die van mevrouw Peters - zij stond die morgen alleen in de zaak.

“Ik legde uit waarom wij geen geld teruggeven. Die zoon dreigt gelijk: we zullen zien. De telefoon gaat. Ik loop naar de achterkant van de balie, en ik zeg nog: met dreigementen bent u aan het verkeerde adres. Dan schuift die zoon alle spullen van de balie, hij trekt de telefoon uit mijn hand en vervolgens begint hij met een klapstoel de hele zaak kapot te slaan. Ik zie mijn bedrijf vernield worden! Hij pakt die spiegel, wil hem op mijn hoofd kapot slaan. Hij was echt door het dolle heen. Hij slaat met de spiegel op mijn armen, de afdrukken van mijn bedels stonden er later in. Hij slaat me tweemaal op mijn rug.

“Zijn moeder weet hem te bedwingen en de zaak uit te krijgen. Ik zakte op de grond, strompelde daarna naar buiten. Ik riep om de politie. Hun auto stond met draaiende motor om de hoek. Ze bogen eerst nog het nummerbord naar binnen voor ze wegreden. Maar hij heeft zich later zelf aangegeven, hij wist dat hij gezien was.”

Mevrouw Peters vertelt het met een snik in haar keel. Het is nu bijna vier maanden geleden, maar ze is er nog steeds niet overheen. De ravage in haar winkel was enorm, de inventaris was grotendeels verwoest. Ze laat de foto's aan de rechter zien. De schade heeft ze op ruim tien mille begroot.

“Heeft u nog wat aan mevrouw Peters te vragen?”, vraagt de rechter aan Bert Dijksma.

“Nee”, zegt Bert, “ik heb al een verklaring afgelegd.” Hij zit erbij met die maffiose kalmte van mensen die volledig vertrouwen op hun spierkracht.

De rechter geeft het woord aan mevrouw Dijksma.

“Ik had mijn zoon meegenomen voor het vervoer. Hij kan zo rustig praten, niet zo nerveus als ik altijd. Die vrouw wilde absoluut niet luisteren. “Je lakt 'm maar op”, zei ze steeds. Mijn zoon vroeg: “Wilt u dat voor ons doen?” Het bleef nee. Mijn zoon zei dat hij de ombudsman ging inschakelen. Toen gaf zij me een klap in het gezicht. Ik pakte die spiegel en sloeg 'm kapot. Zij is zelf absoluut niet geslagen! Ik had bloed aan mijn jas. Zó zijn we weggegaan.”

Mevrouw Dijksma begint te huilen. “Ik was zo blij met die spiegel. Die vrouw weet niet wat het is om van een uitkering te leven. Toen ik opbelde om te zeggen dat de rand verschoten was, zei haar man: “Dat zul je wel zelf gedaan hebben.”

“Heeft uw zoon geslagen?” vraagt Berts advocaat, mr. M. IJsseldijk.

“Ik zweer van niet. Op mijn twee kinderen!”

“Hoe is die enorme ravage ontstaan?” vraagt de officier, mr. R. Schoute, droog.

“We sloegen aan het worstelen. Ik had later een gekneusde voet. Ik laat me niet zomaar slaan.”

“Het wàs een worsteling”, bevestigt Bert ongevraagd. “Ze vielen met z'n tweeën door die zaak. Zo'n tien seconden.”

“Kon u uw moeder niet tegenhouden?” vraagt de officier.

Bert moet zuchten van zoveel naïviteit. “Heeft u wel eens vrouwen zien vechten? Ik haal liever vechtende mannen uit elkaar.” Hier spreekt een man vanuit een weelde aan persoonlijke ervaringen.

“Reageert u eens op mevrouw Peters”, zegt de rechter tegen Bert.

“Die spiegel woog tien kilo”, zegt Bert, “als ik er iemand drie klappen mee geef, overleeft-ie het niet.”

Mevrouw Peters heeft het achter in de zaal allemaal met stijgende verontwaardiging aangehoord. “Ze draaien de zaken om”, roept ze. “Zij heeft me helemaal niet aangeraakt. Ik kan wel drómen wat er gebeurd is.”

“Was u vervelend tegen ze?” vraagt de rechter.

“Ik was heel beleefd... Ik kan er niet over uit dat zij dit op haar kinderen durft te zweren.”

“Laten we bij de feiten blijven”, zegt de rechter berispend. “Wat wilt u voor schadevergoeding?”

“Vijftienhonderd gulden.”

“U komt volgens uw opgave op tien mille. U laat de rest zitten?”

“U ziet deze meneer. Ik ben bang voor andere dingen.”

De rechter memoreert dat Bert al in 1994 voor vier geweldsdelicten is veroordeeld. “U werkt in de horeca. Uitsmijter?”

“Nee, garderobe-werkzaamheden”, zegt Bert afgemeten.

“Heeft u nog iets bijzonders te melden?”

“U ziet hoe ik er uitzie”, zegt Bert. “Ik ben een slagje groter dan andere mensen. Verder niks. In de maatschappij hebben de kleine mannetjes het voor het zeggen. Het recht van de sterkste geldt allang niet meer.”

“Volgens mij is dat juist erger geworden”, zegt de rechter.

“Ik ken geen kogels tegenhouden”, zegt Bert.

Bert werd verdacht van mishandeling van mevrouw Peters èn van vernieling. Maar de officier schrapt de mishandeling: hij heeft te weinig bewijs. Hij handhaaft de vernieling. “Het tart iedere beschrijving. Hij heeft de inventaris van de schappen geveegd. Het verhaal van mevrouw Peters vind ik betrouwbaarder.” Hij eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken en een schadevergoeding van 1.500 gulden.

De advocaat vraagt vrijspraak. “De kneuzing aan de voet van mevrouw Dijksma bewijst dat het een worsteling tussen de twee vrouwen was.”

Ook de rechter acht de mishandeling niet bewezen (“ik zeg niet dat het niet gebeurd is”), maar de vernieling wèl. Hij legt Bert - naast de schadevergoeding van 1.500 gulden - zes weken gevangenis op waarvan drie voorwaardelijk. “Als u het er niet mee eens bent, kunt u in beroep.”

“Dat doe ik ook”, zegt Bert ijzig.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams