Zeeuwse wallen

ROBERT M. HEERINGEN e.a.: Vroeg-Middeleeuwse ringwalburgen in Zeeland

260 blz., geïll., De Koperen Tuin en Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek 1995, ƒ59,90

Middelburg, Oost-Souburg, Oostburg, Domburg en Burgh: vijf Zeeuwse plaatsen met het woord 'burg' in de naam. Weinig mensen zullen ooit het verband hebben gelegd, maar deze plaatsen zijn in de negende eeuw van onze jaartelling, ontstaan als burcht. Niet als een grootse fortificatie met torens en binnenplaatsen, maar als eenvoudige cirkelvormige aarden wallen die manshoog waren opgeworpen en een diameter van ongeveer 144 tot 265 meter hadden. De 'burgen' waren voor die tijd zeer moderne verdedigingswerken. Binnen de omwalling van zand en kleiplaggen lagen twee elkaar kruisende wegen, verhard met planken. Onder het houten dek werd het overtollige water afgevoerd via een kanaaltje.

Dit soort ringwalburgen zijn op verschillende plaatsen langs de kust van West-Europa te vinden. Vroeger nam men aan dat ze gezamenlijk één langgestrekte verdedigingslinie vormden. Tegenwoordig wordt wel betoogd dat de burgen veeleer groepsgewijs werden gebouwd op plaatsen waar de Noormannen met hun schepen binnenvielen. Veel van de versterkingen staan inderdaad nabij de mondingen van grote rivieren. Zo bevindt de burg van Oostburg zich op de plek waar vroeger 't Zwin de zee in stroomde. Andere versterkingen zijn te vinden in het mondingsgebied van de Schelde.

Schapenteelt De burgen van Zeeland zijn van belang omdat nergens aan de kust van West- Europa zo vele zo vlak bij elkaar te vinden zijn. Dat belang wordt nog een onderstreept door de recente uitgave van Vroeg-Middeleeuwse ringwalburgen in Zeeland, een bundel waarin tien deskundigen uitvoerig hun licht laten schijnen over de Zeeuwse verdedigingswerken. Toch is het vroeger wel eens anders gesteld geweest met de belangstelling. Veel burgen verdwenen in de loop der eeuwen onder de grond, en in veel gevallen zijn ze slechts in het stratenpartoon van de huidige plaatsen te herkennen. Nog in 1973 stapte de gemeente Vlissingen naar de Raad van State in een poging te voorkomen dat de ringburgwal van het ingelijfde Souburg, - volgens de gemeente “een berg met wat scherven” - op de monumentenlijst werd geplaatst. De gemeente werd in het ongelijk gesteld. De tijden veranderen. Het huidige gemeentebestuur van Vlissingen heeft in 1994 de ringwalburg van Oost-Souburg op de oorspronkelijke plek gereconstrueerd. En die reconstructie was voor provinciaal-archeoloog R.M. van Heeringen de direkte aanleiding in dit boek alle gegevens over de burgen die bij verscheidene onderzoeken waren verzameld, integraal uit te geven. Het leverde een werk op dat met veel foto's, tekeningen en kaartjes alle mogelijke aspecten van de ringwalburgen belicht. Zo worden maar liefst zeven pagina's gewijd aan de analyse van de inhoud van een rioolbuis die werd gevonden in de burg van Middelburg. De buis bleek veel zaden te bevatten van planten die op de schorren in de omtrek gegroeid moeten hebben. De plantenresten zijn waarschijnlijk in het riool terechtgekomen via het vee dat in tijden van nood in de burg werd samengedreven.

Vroeg-Middeleeuwse ringwalburgen in Zeeland laat echter noodgedwongen ook veel vragen onbeantwoord. De tien schrijvers concluderen eensgezind dat veel informatie over de burgen en het leven van hun bewoners niet meer is te achterhalen. Bij opgravingen zijn, behalve eenvoudige gebruiksvoorwerpen, weinig bijzondere vondsten gedaan. Het lijkt er dus op dat de burgen alleen in tijden van gevaar werden bewoond. De Zeeuwse bevolking leefde destijds vooral van de schapenteelt, van de handel in wol, en misschien ook van zoutwinning. Waarschijnlijk vond er handel plaats met omliggende regio's. Er zijn zelfs munten gevonden die wijzen op contacten met Engeland. Het lijkt er trouwens op dat de Zeeuwen in die dagen redelijk welgesteld waren, en dat het gebied behoorlijk bevolkt was.

Uit de annalen blijkt dat aanvallen door de Vikingen op de Zeeuwse kusten uitermate zeldzaam waren. Historicus Henderikx schrijft in dit boek dat de Vikingen waarschijnlijk vaker hebben huisgehouden in het huidige Zuidwest Nederland. Wel is het goed mogelijk dat Vikingen het Schelde-gebied gebruikten als uitvalsbasis voor hun strooptochten. Dat zou ook verklaren waarom, zoals uit de bronnen blijkt, de Vikingen zo gebeten waren op de 'Suevi', de Zeeuwen. Een derde aanwijzing voor de frequente aanwezigheid van de Noormannen in Zeeland ziet Henderikx in het feit dat het eiland Walcheren voorkomt in latere legenden over de Vikingtochten. Volgens die verhalen trokken de Noormannen vanuit Engeland via Walcheren verder het vasteland in. Natuurlijk, erkent Henderikx, zijn legenden vaak gebaseerd op fantasie, maar flarden ervan kunnen niettemin op waarheid berusten.