Yigal Amir handelde op grond van een mythe

Dat Yigal Amir, de moordenaar van Rabin, uit godsdienstige motieven handelde is bekend. Alom duiken de namen Abraham en Mozes op. Geen onbekende namen, maar toch zullen ze bij de gemiddelde Nederlander ongeveer evenveel associaties oproepen als 'Floris V door de edelen vermoord'. Niet veel dus.

Als Amir wordt berecht, zal de ideologie waar hij zich op beroept een belangrijke rol spelen in het proces. Wie dan geïnformeerd wil zijn, kan naar de Bijbel grijpen, maar moet daarbij wel beseffen dat de bijbel allereerst een godsdienstig document is - wat iets anders is dan een historisch document.

Bij de joden die zich in Israel hadden gevestigd, groeide de belangstelling voor hun verleden, voor het land en zijn geschiedenis. Het land werd beschouwd als het 'land van de vaderen', waarover wordt verteld in de Bijbel. Zo kon hun Bijbel (het Oude Testament) uitgroeien tot 'vaderlandse geschiedenis'.

Het Oude Testament is een verzameling van geschriften uit verschillende tijden. Na de Babylonische ballingschap van de Israelieten in de zesde eeuw voor Christus werden tal van oude verhalen verzameld en herschreven. Dat gebeurde niet uit theoretisch-historische belangstelling, maar om uit het verleden lering te trekken voor het heden. Zo kregen deze boeken langzamerhand gestalte halverwege het eerste millennium voor Christus.

Het joodse volk verkeerde na de ballingschap in een penibele situatie. Vroeger omvatte het gebied van de Hebreeuwse stammen het rijk Israel in het noorden en het rijk Juda in het zuiden. Israel, met de hoofdstad Samaria, viel in 721 voor Christus ten prooi aan de Assyriërs, Juda met als hoofstad Jeruzalem vond zijn eind in 587 voor Christus, toen de Babyloniërs Jeruzalem innamen en de tempel verwoestten. In 539 voor Christus werd Babylon veroverd door de Perzische koning Cyrus. Deze liet de ballingen terugkeren naar hun land, waar zij de stad Jeruzalem en de tempel mochten herbouwen; maar hun land vormde voortaan een provincie van het Perzische rijk.

Bij hun terugkeer in Juda in 539 voor Christus troffen de ballingen een bevolking aan van diverse pluimage: joden die niet waren gedeporteerd, afstammelingen van Kanaänieten en Arameeërs, en nieuwkomers. Een etnologisch gemengde bevolking. Nu ging het de joden erom het 'eigene' te profileren, wilde men als volk voortbestaan. Het is Ezra, die toen religieuze wetten opstelde met gebruikmaking van een oud wetboek, 'de wet van Mozes' (de tora). Tot zijn systeem behoorde het verbod om met een niet-jood te trouwen. Zo werd een strenge apartheid nagestreefd: het 'zaad van Abraham' moest onbedoezeld blijven. In deze tijd begon men ook met het optekenen van de erfenis uit het verleden. Oude documenten en mondelinge overleveringen werden hiertoe gebruikt, maar men had nog niet de strengheid van nu tegenover historische bronnen. Alles draaide om de les die uit het verleden moest getrokken. Het centrale thema daarvan was: ongehoorzaamheid aan de enige god, Jahwe, wordt gestraft door nederlagen; omgekeerd wordt gehoorzaamheid aan Jahwe beloond. Hieruit kon men hoop putten voor de toekomst.

De bijbelschrijvers schroomden niet de bronnen naar hun hand te zetten. Aanvullingen, ja zelfs censuur, alles diende het goede doel. Men moet terdege hiervan op de hoogte zijn, voor men het Oude Testament als bron voor de 'geschiedenis' tracht te gebruiken.

Een cruciaal onderdeel van die 'geschiedenis' is het bezit van het land. Het land, dat in deze tijd van concentratie op het verleden zijn zelfstandigheid had verloren. Alleen al het tijdsverloop tussen de optekening van de (veronderstelde) gebeurtenissen en die (veronderstelde) gebeurtenissen zelf moet ons argwanend maken. Kan men werkelijk in de zesde eeuw voor Christus nog iets betrouwbaars zeggen over het voorafgaande millennium?

Er is onderzoek gedaan bij arabische nomaden in een voor-schriftelijk stadium. Hun herinneringen aan 'grote veldslagen' bleken terug te gaan tot de tijd van hun grootvaders, niet verder. We kunnen rustig aannemen, dat de vroegste 'bijbelse geschiedenis' op fictie berust.

Halverwege het tweede millennium voor Christus zou de aartsvader Abraham zich in Kanaän (een oude benaming voor Palestina) hebben gevestigd. Hij krijgt van God de belofte dat hij talrijke nakomelingen zal krijgen, die het hele land voor altijd zullen bezitten. Later geldt deze belofte voor de drie aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob. In de genealogie is Isaäk Abrahams zoon, en Jakob de zoon van Isaäk. Jakob kreeg volgens de verhalen zelf twaalf zoons, onder wie Jozef, die in Egypte terechtkwam. We hebben hier met een constructie te doen: de namen van Jakobs zoons corresponderen met die van de twaalf stammen van het latere Israël. Elke stam heeft zo zijn voorvader gekregen.

Het verhaal wordt voortgezet in Egypte, waar Jozefs familie zich bij hem heeft gevoegd. Deze 'Israëlieten' (van 'joden' is pas veel later sprake) verbleven lange tijd als slaven in Egypte, waaruit zij door Jahwe werden bevrijd. Deze verhalen hebben in zoverre een historische achtergrond, dat er een voortdurend va et vient was van half-nomadische clans en stammen. Hongersnood dreef hen naar de Nijldelta, maar de omgekeerde beweging bestond ook. Dat een heel volk zo'n sterke eenheid vormde dat het als één geheel Kanaän binnenviel en het veroverde, is in die tijd echter ondenkbaar. Archeologisch is er ook niets van deze veronderstelde gebeurtenis terug te vinden.

Men moet het zich zo voorstellen, dat voortdurend groepen nomaden sedentair werden en sedentaire groepen tot nomaden werden. Bepalend hiervoor waren regenval, de hongersnood, de noodzaak zich een bestaan te verwerven. Het hele verhaal van de verovering van het 'beloofde land' berust dus op ideologie, de ideologie van de tijd na de ballingschap. We krijgen pas vaste historische grond onder de voeten aan het begin van het eerste millennium, toen er een koninkrijk werd gesticht dat Israël èn Juda omvatte.

De oudste 'vaderlandse geschiedenis' van de huidige staat Israël berust dus op ideologie, gecreëerd door religieuze leiders die een overlevingskans voor hun volk wilden scheppen. 'Jahwe heeft ons het land beloofd en als we het verloren hebben, dan komt dat door onze ongehoorzaamheid.' Zo wordt het naleven van de (godsdienstige) wetten terdege ingescherpt. Dat het land intussen nooit van 'vreemde smetten' was gezuiverd, dat er altijd Kanaänieten woonden die de Israëlitische cultuur diepgaand hebben beïnvloed, dat paste natuurlijk niet in de ideologie.

Het gebied dat volgens de traditie aan koning David had toebehoord, erets yisrael, zou ooit het joodse volk weer toebehoren. De toekomstige koning van dat land zou behoren tot het geslacht van David. Een koning werd in de oudheid 'gezalfd'. Het Hebreeuwse woord voor 'gezalfde' is mashiach, messias. Dat is de betekenis van de joodse messias-verwachting.

Menigeen die zich wil distantiëren van de fundamentalistische opvattingen van Yigal Amir refereert nog wel aan de 'verovering van Kanaän door Jozua' en het 'uitroeien van de Kanaänieten' als primitieve, maar toch historische gebeurtenissen. Men ziet dan over het hoofd: ten eerste dat het 'verhalen' zijn, ten tweede dat het verhalen zijn met een godsdienstige boodschap. De Kanaänieten moesten worden uitgeroeid wegens hun 'goddeloosheid'; overwinning in die strijd was te danken aan trouw aan Jahwe. Ergo: gehoorzaamheid aan Jahwe zal ons ook het beloofde land teruggeven. Deze boodschap behoort tot de grondslagen van het jodendom, die na de ballingschap zijn gelegd uit bittere nood. Yitschak Rabin had de moed afstand te nemen van het joodse fundamentalisme. Maar zolang dit bestaat blijft een voedingsbodem bestaan voor daden als die van Amir, zijn moordenaar.