'We moeten de hoop voor slachtoffers levend houden'; Prinses Margriet over het Internationale Rode Kruis

UTRECHT, 23 DEC. Eén internationale topfunctie heeft Nederland dan toch in de wacht gesleept. Prinses Margriet is twee weken geleden gekozen als voorzitter van het hoogste orgaan van het Internationale Rode Kruis en de Rode Halve Maan: de Standing Commission. In deze functie moet zij de vierjaarlijkse Internationale Conferentie voorbereiden waarop de koers van het Internationale Rode Kruis wordt uitgezet. De commissie moet daarnaast bevorderen dat de resoluties worden uitgevoerd die op de conferentie zijn aangenomen.

Aan het einde van de laatste conferentie - in Genève, begin deze maand - werd prinses Margriet met 219 van de 289 uitgebrachte stemmen gekozen tot lid van de commissie. Deze koos haar de volgende dag tot voorzitter. De Standing Commission telt negen leden, onder meer afkomstig uit Japan, Colombia en Zimbabwe, onder wie twee vrouwen: prinses Margriet en Christina Magnússon, zuster van de Zweedse koning - “een collega van mij”, zegt prinses Margriet schertsend.

Stapels papieren heeft zij onder haar arm, in de directievertrekken van een kantoorkolos te Utrecht, waar zij - op een snijdend koude decemberavond - een bespreking heeft gehad met W. Meijer, voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis, tevens RABO-topman. Het aansluitende vraaggesprek kan niet beginnen voordat zij 'de stukken' (notulen, resoluties, brochures) zorgvuldig rondom zich op tafel heeft uitgestald. “Ik zal niet alles uit mijn hoofd weten”, waarschuwt ze. “Sommige dingen zal ik straks moeten opzoeken.”

In een ochtendkrant zinspeelde voorzitter Meijer erop dat uw verkiezing zoet smaakt na de debâcles die Nederland recent heeft beleefd bij internationale benoemingen. Heeft u dat ook zo ervaren?

Prinses Margriet, lachend: “Dat laat ik graag voor rekening van onze voorzitter. Het was een emotionele ervaring, dat kan ik wel zeggen. In zo'n grote verkiezing had ik me nooit eerder gewaagd. Het duurde eindeloos voordat alle stemmen waren uitgebracht en geteld. Dat is nooit prettig als je op het vinkentouw zit, terwijl niet te voorspellen valt hoe de uitslag zal zijn. Het resultaat was boven verwachting. We waren allemaal erg blij in de Nederlandse delegatie.”

Heeft u een programma, als nieuwe voorzitter?

“Voor een omlijnd programma is het nog veel te vroeg. Ik ben van plan dit werk echt in teamverband te gaan doen. Een beleidsplan zal ik met de medeleden van de commissie opstellen.

“Wel zal ik proberen enkele eigen accenten te zetten. Ik ben de afgelopen jaren lid geweest van een studiegroep die aanbevelingen heeft gedaan voor de toekomst van de Rode Kruis- en de Rode Halve Maan-organisatie. Daaruit zijn ook suggesties voortgekomen voor een beter functioneren van de Standing Commission. De organisatie moet transparanter worden en slagvaardiger kunnen reageren op internationale ontwikkelingen. Ik mag nu zelf proberen die aanbevelingen in de praktijk te brengen.”

De voorzitter van het Internationale Rode Kruis, Cornelio Sommaruga, heeft in Genève gesproken over een wildgroei aan internationale hulporganisaties. Dit zou efficiënte hulpverlening in de weg staan. Hoe valt dit op te lossen?

“We hebben de afgelopen jaren in de wereld een aantal conflicten gezien waarbij mensen alleen maar als doel hadden elkaar uit te moorden. In dergelijke gevallen is het voor iedere hulporganisatie uiterst moeilijk opereren. Dat moeten we ons goed bedenken als er kritiek wordt geuit op de internationale hulpverlening.

“In het veld wordt in het algemeen uitstekend samengewerkt. Als de hulporganisaties duidelijke afspraken maken, kunnen ze elkaar goed aanvullen. Er is zo veel nood te lenigen in de wereld, er is plaats voor verschillende vormen van hulp. Nationaal en internationaal zijn daarover afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een gedragscode. Internationale afspraken hebben we tot nu toe gemaakt met Caritas, Catholic Relief Services, the International Save the Children Alliance, Lutheran World Federation, Oxfam en de Wereldraad van Kerken. Kortom, de regels en afspraken zijn er, het is nu zaak dat zoveel mogelijk organisaties zich hierbij aansluiten.”

Papier is geduldig. Op de conferentie in Genève zijn resoluties aangenomen waarin het verkrachten van vrouwen en het inzetten van kinderen bij oorlogsvoering worden veroordeeld. Wat verwacht u daarvan in de praktijk?

“Het motto van de conferentie was: Keeping hope alive. Hierin ligt de kern van mijn antwoord. Het is onze plicht de hoop voor slachtoffers van rampen en conflicten levend te houden. Bij het Internationale Rode Kruis zijn 169 nationale Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen aangesloten. Via die nationale verenigingen kunnen we bij regeringen en strijdende partijen aandacht blijven vragen voor de positie van slachtoffers. Dat is onze morele plicht, niet meer en niet minder.”

De leidende figuren in Rwanda en Bosnië hebben niet altijd de indruk gewekt voor rede vatbaar te zijn.

“Die observatie mag niet leiden tot de conclusie dat we passief moeten blijven. In Bosnië hebben we alle partijen van het conflict benaderd om de beginselen van het humanitair oorlogsrecht uiteen te zetten. In voormalig Joegoslavië hebben wij zelfs pamfletten boven het gebied uitgestrooid om aandacht te vragen voor de Conventies van Genève. In gebieden waar conflicten dreigen, trachten we de kennis van het oorlogsrecht te verbreiden, door les te geven binnen de krijgsmachten en scholen. Dat is 'pro-actieve' hulp.”

Maar onmacht overheerst. Noch de Europese Unie, noch de Verenigde Naties hebben de massaslachting in voormalig Joegoslavië kunnen tegenhouden. Mensen raken cynisch en afgestompt.

“Die bal wil ik graag terugkaatsen naar de media. Het is heel goed te begrijpen dat mensen moedeloos raken, dat ze het gevoel krijgen: het helpt toch niet, de afspraken die mensen zelf onderschrijven, worden niet nageleefd. Dan zeg ik: we moeten erop blijven hameren dat dit gewoon niet kàn en niet màg gebeuren. We mogen nooit blijven stilzitten. En de media hebben daarbij een belangrijke taak te vervullen. Ze moeten blijvend aandacht besteden aan de noden in de wereld, stelselmatig en niet selectief. Naast Bosnië en Rwanda zijn er vergeten conflicten, zoals in Afghanistan, Sierra Leone en Liberia, waarvoor veel minder aandacht is.”

Mensen raken niet alleen afgestompt door conflicten, maar ook door massa-media die berichten over die conflicten.

“De conferentie in Genève werd geopend met een audio-visuele presentatie over rampen en conflicten in de wereld waarbij het Rode Kruis de slachtoffers hulp heeft geboden. Nu zijn we bij het Rode Kruis wel wat gewend in dit opzicht, maar iedereen in de zaal was zeer aangegrepen door die presentatie. Daar waren verder geen toespraken bij nodig. Waarmee ik wil zeggen: het kán wel, de media kunnen die boodschap overbrengen.”

Moedeloosheid is u vreemd?

“Ik ken ook momenten waarop de motivatie niet vanzelf komt. Door dingen die gebeuren en mislukken, kun je terneergeslagen raken. Maar, ondanks alles, is er veel dat wel lukt. Ontmoetingen met collega's van Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen geven mij inspiratie: hun enthousiasme, hun elan, hun doorzettingsvermogen.

“In voormalig Joegoslavië, met honderdduizenden vluchtelingen en ontheemden, hebben inmiddels 5.300 gezinnen elkaar weer gevonden door bemiddeling van het Rode Kruis. Daarnaast heeft het Rode Kruis sinds het uitbreken van het conflict ruim 40.000 gevangenen bezocht. Je kunt misschien zeggen: dat is veel te weinig. Je kunt ook zeggen: ieder mens die je kunt helpen, telt!

“Het zijn vaak individuele gevallen die energie geven om door te gaan. Afgelopen mei was ik in Canada getuige van een oorlogshereniging, na vijftig jaar. Een Nederlandse man en een Poolse vrouw, tewerkgesteld in Duitsland, hadden daar een kind gekregen. De man en vrouw hadden elkaar in de chaos van de oorlog uit het oog verloren, vrouw en kind waren bij elkaar gebleven en verhuisd naar Canada. Na maanden speurwerk heeft het Rode Kruis deze mensen weer kunnen herenigen. De man en de vrouw zijn inmiddels getrouwd. Dat is toch fantastisch!?”

Hoe bent u betrokken geraakt bij het Rode-Kruiswerk?

“Halverwege de jaren zestig speelde ik met de gedachte de verpleging in te gaan. Toen deed zich de gelegenheid voor een opleiding te volgen als helpster bij het Rode Kruis: een korte, intensieve opleiding, zeg maar: een crash course. Ik heb in het ziekenhuis gewerkt, ik ben meegegaan met vakantieprojecten, in huizen, op het vakantieschip Henry Dunant en later ook per vliegtuig naar het buitenland. Zo ben ik min of meer vanzelf het Rode Kruis binnengekomen.”

Terugblikkend is dat een groot contrast: van praktijk naar beleid.

“Als je aan de basis hebt gewerkt, als je de mensen hebt leren kennen om wie het werkelijk gaat, dan is dat blijvend van invloed op je latere positiebepaling, ook in bestuursfuncties. (lachend) Ik ben, denk ik, het enige lid van de Standing Commission dat ook in de verpleging en verzorging heeft gewerkt.”