Waarom vergeving moet worden bevochten; Over de afgrond heen

Tussen vergelding en verzoening gaapt vaak een kloof van woede. Toch zoeken steeds meer daders en slachtoffers elkaar op. Onder begeleiding, want vergeving stelt hoge eisen. Over zelfkennis, begrip voor de ander en het vermogen betekenis te geven aan een zinloze gebeurtenis. Vergeving als bijprodukt van verwerking.

Op het eerste gezicht heerst er een gemoedelijke rust in Roosenburg, een afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis Willem Arntzhoeve in Den Dolder voor jonge schizofrenen, misbruikte vrouwen en daders en slachtoffers van delicten. In de hal liggen twee vrouwen op de grond een sigaret te roken en in de recreatiezalen kijken mannen en vrouwen enigszins verveeld voor zich uit. Maar de rust is schijn. Plotseling staat een van de vrouwen op en begint een groot aantal stuks serviesgoed tegen een binnenraam kapot te gooien, daarbij de blik strak gericht houdend op een klok boven het raam. Het lawaai is oorverdovend. Na pakweg twintig seconden werpt een verpleger zich op haar en is het geweld eindelijk afgelopen. De ruit is niet bezweken.

De vrouw is een van de patiënten die een leven vol geweld achter zich hebben, zeggen de behandelaars van Roosenburg, een geschiedenis die zich kenmerkt door een strijd “op de grens van leven en dood”. In hun beleving staat het leven in het teken van een voortdurend gevecht waarin de ene mens leeft ten koste van de ander. Wat kan in zulke levens de plaats van vergeving zijn? Die plaats stellen de psychiater en psychotherapeut van de afdeling, Tijl Huygen en Frans de Laat, moet bevochten worden. Stukje bij beetje moeten de patiënten vertrouwd raken met een gedachtengoed waarin voor zoiets als vergeving plaats is, zelfkennis, begrip voor de ander, een klimaat waarin men niet voortdurend op zijn hoede hoeft te zijn maar men ook gewoon aardig gevonden kan worden.

Tijl Huygen: “Het zijn vaak mensen die uit een gezin vol ellende komen waarvan ze zich moeilijk kunnen losmaken. Ze kunnen zich niet voorstellen dat het niet overal in de wereld net zo toegaat als in dat gezin. Dat lukt soms alleen door jarenlange gesprekken. Het simpele vergeten en vergeven wat wat hun is aangedaan of wat ze zelf hebben aangericht is niet goed mogelijk, dat zijn ze niet gewend. Wel mogelijk is het op een goede manier zich toeëigenen van wat ze hebben meegemaakt, het diep aanvaarden daarvan en als gevolg daarvan vrede hebben met het verleden.”

Vaak komen de elders uitbehandelde patiënten van Roosenburg niet toe aan die aanvaarding; ze hebben in de loop der jaren te veel overlevingsmechanismen moeten ontwikkelen die tot gedragsstoornissen hebben geleid, en de psychologische stap om zich daaruit los te maken zou te veel van hun krachten vergen. Toch proberen ze het wel en soms hebben ze succes, zeggen de psychiater en de psychotherapeut. Frans de Laat: “Wat wij proberen is iemand respectvol te benaderen om vervolgens dichterbij te komen. Als dat eenmaal is gelukt, is het vergeven eigenlijk al begonnen. Ook het inzicht dat wij ook zelf agressieve en misdadige neigingen hebben en dat we alleen dankzij bepaalde omstandigheden niet in een situatie hebben verkeerd waarin we geweld zouden hebben gebruikt draagt daaraan bij. Vergeving begint waar je erkent dat je iets gezamenlijks hebt. Zoals Martin Buber schrijft: In het mij zit het jou de een is vervat in de ander.”

Bijprodukt Vergeven is nuttig maar moeilijk, zo leert de ervaring van veel hulpverleners.

“Vergeving is pas mogelijk als het slachtoffer zijn boosheid kwijt is, en die boosheid is vaak een probleem”, zegt directeur C. Mittendorff van het Instituut voor Psychotrauma dat tien jaar geleden werd opgericht in de nasleep van de reeks gijzelingen in Nederland. De boosheid bij slachtoffers van geweldsmisdrijven, rampen en ongelukken kan pas verdwijnen als daders bekend zijn en adequaat zijn bestraft, aan welke twee voorwaarden volgens Mittendorff vaak niet is voldaan. Een bijdrage aan verzoening tussen dader en slachtoffer is verder de erkenning dat iemand inderdaad de dader is, het nemen van de verantwoordelijkheid voor die daad in de zin dat hij inziet dat hij het niet had moeten doen, en een spijtbetuiging. Mittendorff: “Als deze dingen gezegd zijn, wordt het verwerkingsproces vergemakkelijkt en kan de vergeving en verzoening plaatsvinden. Maar vergeving is niet het einddoel van de therapie. Het is een bijprodukt van een geslaagd verwerkingsproces. Men moet zich voorstellen dat als iemand in een café in elkaar wordt geslagen het niet altijd nodig is om zich met de dader daarvan te verzoenen. Het is al heel wat als zo iemand zijn gewone leven zonder al te veel schade weer kan leiden. Vergeving stelt heel hoge eisen.”

Voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog is het vaak onmogelijk te vergeven omdat zij hun trauma's nog niet hebben verwerkt, zo zegt directeur J. Schreuder van het Centrum '45 in Oegstgeest dat zich ten doel stelt oorlogsgetroffenen te helpen om de gebeurtenissen te reconstrueren en aldus met hun ervaringen in het reine te komen. “Ik ben verbaasd over hoe vergevingsgezind onze patiënten vaak zijn. Dat is gezien hun ervaringen bijna niet invoelbaar. Anderzijds staat een lichamelijke opwinding deze gewenste vergeving vaak in de weg. Bij televisiebeelden, een bericht in de krant en of bij het horen van het woord NSB hebben veel patiënten last van herbelevingen. Mijn indruk is dat sommige van deze traumatische ervaringen biologisch zijn verankerd in hun persoonlijkheid, en zo een lichamelijke blokkade vormen. Vergeving wordt mogelijk als men betekenis kan geven aan een gebeurtenis, maar dikwijls is dat onmogelijk gezien de ernst van die ervaringen.”

De psychiater Schreuder, die binnenkort hoopt te promoveren op een onderzoek naar herbelevingen onder een groep patiënten van het centrum in Oegstgeest, ziet ondanks de onmogelijkheid ervan voor veel van zijn patiënten het nut van vergeving wel degelijk in. Schreuder: “Vergeving impliceert dat iets eindig is. Het motief om te vergeven is dat het iets begrenst, zand erover. Dat is een motief voor de eigen persoonlijkheid. Het is veel moeilijker een motief te vinden om iemand anders te vergeven, dat wil zeggen iemand zijn daden niet meer kwalijk nemen. Ik kan daar hooguit het samenlevingsmotief in ontdekken, het door moeten leven met mensen die je iets hebben aangedaan.” Een confrontatie met daders of collaborateurs wijst het centrum af. “Alleen al iemand met een Japans uiterlijk roept hier zoveel lichamelijke opwinding en reacties op dat het niet kan. Het lukt niet, het gaat niet samen. Het model van de confrontatie weerspiegelt naar mijn indruk een visie op de mens die niet de zijne is”, aldus Schreuder.

Engeltje Toch zijn de laatste jaren de eerste toenaderingspogingen tussen verschillende soorten slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog gedaan, en niet zonder succes. Zo is in Utrecht de landelijke stichting Kombi actief, waarin kinderen uit de oorlog na een grondig intake-gesprek welkom zijn in een groep mensen met een verschillende achtergrond. Een van de resultaten is de vriendschappelijke band die tegen alle vooroordelen en clichés in is ontstaan tussen Tineke van Hal, kind van een NSB-vader, en Cisca Israël, kind van een vermoorde joodse verzetsstrijder. De laatste leerde in de gesprekken hoe het leven van kinderen van foute ouders is geweest; zo werd Tineke van Hal geschopt en geslagen, zelfs door onderwijzers, vernederd en gemeden door mensen die weigerden te geloven dat een kind op cruciale momenten in zijn latere leven niet dezelfde keuzes hoeft te maken als zijn ouders hebben gedaan dat lafheid en het maken van fouten niet erfelijk bepaald zijn. Cisca Israël: “We kunnen met elkaar praten omdat we kinderen waren in de oorlog. Kinderen valt niets te verwijten en daarom niets te vergeven. De meesten van ons, ook kinderen van mensen die terug zijn gekomen van een Jappenkamp, hadden niet de ouders die ze hadden kunnen zijn als de oorlog er niet was geweest. We hebben gemeenschappelijk dat we niet zijn gehoord, dat niemand naar onze ervaringen heeft gevraagd.” Tineke van Hal leerde op haar beurt iets kennen van het werkelijke leed in het leven van de door haar omgeving geïdealiseerde oorlogslachtoffers. “Ik herinner me dat bij ons in de buurt de dochter van een verzetsheld in een prachtige witte jurk een naambord onthulde van een straat die naar haar vader was genoemd. Ze leek wel een engeltje. Ik stond stilletjes achteraan. Ik hoorde er niet bij.”

Tijdens de groepsgesprekken slaagde ook Theo van Helvoort, die als jongetje zwaar te lijden had van de oorlog in het zuiden van Nederland, erin om zijn woede tegen alles wat met de oorlog te maken had de baas te worden. Zo'n veertig jaar lang had hij zijn leven opgebouwd en een gezin onderhouden, totdat enkele jaren geleden de kwaadheid op de vijand in de oorlog de kop opstak en hij overspannen raakte. Hij is nu in staat zijn emoties te transformeren dank zij de gesprekken bij Kombi, onder anderen met Tineke van Hal maar ook met Jolande Pabst die als kind van een vrouw die een Jappenkamp overleefde in haar jeugd zwaar onder de gevolgen daarvan heeft geleden. Theo van Helvoort: “Wat mij op het spoor heeft gezet is het dagboek van Etty Hillesum die schreef: zolang er nog één rechtvaardige Duitser is, heb ik niet het recht om het hele Duitse volk te veroordelen. Nog steeds vraag ik me in Duitsland af of die bepaalde man misschien in de oorlog soldaat is geweest. Ik heb nog altijd een voorkeur voor Engelsen. Maar ik ben ook tot de ontdekking gekomen dat kinderen totaal geen schuld dragen aan de daden van hun ouders.” De verzoening verliep niet zonder slag of stoot. “Ik merkte dat Theo voortdurend de schaduw van mijn vader achter me zag”, zegt Tineke van Hal. Een foto van haarzelf als klein meisje, destijds gemaakt om naar haar geïnterneerde vader op te sturen, bracht uiteindelijk de verzoening tot stand.

Die foto toonde het kleine meisje dat Tineke in de oorlog was.

Dading Terwijl de pogingen tot verzoening en vergeving bij oorlogsgetroffenen en psychiatrische patiënten zo moeizaam en traag verlopen, vinden er in het hedendaagse strafrecht wel contacten tussen daders en slachtoffers plaats. Soms spelen bureaus voor slachtofferhulp, de reclassering of de advocatuur een bemiddelende rol bij een ontmoeting tussen dader en slachtoffer. Deze 'mediatie' is in de Verenigde Staten een gebruikelijk verschijnsel, zelfs een praatshow op de televisie stelde onlangs de weduwe van een doodgeslagen man in staat om aan de moordenaar te vragen hoe de laatste ogenblikken van haar man waren verlopen, en of hij veel pijn had geleden. Een bemiddeling die een confrontatie inhoudt, geeft volgens deskundigen de mogelijkheid dat onverwerkt leed van het slachtoffer en schuldgevoelens van de dader uitgesproken en verwerkt worden.

De stijging in het aantal contacten tussen daders en slachtoffers wordt gestimuleerd door de invoering dit jaar van de wet-Terwee, die het slachtoffer van delicten meer rechten geeft, onder andere door de mogelijkheid zich met een eis tot schadevergoeding te voegen in het strafproces tegen de verdachte. Er bestaat onder sommige juristen nogal wat scepsis tegen de opkomst van het slachtoffer in het strafrecht, omdat het slachtoffer in strikte zin niets te maken heeft met de inbreuk die de verdachte door zijn daad heeft gepleegd op het rechtssysteem. Niettemin lijkt meer invloed van de slachtofferbeweging op het recht onontkoombaar, al was het om te voorkomen dat de verdachte ter zitting alle kans krijgt zijn verhaal van de toedracht te vertellen terwijl op de publieke tribune het slachtoffer het puntje van zijn tong moet afbijten, zoals onlangs een officier van justitie uit Dordrecht het uitdrukte. De invloed van de slachtoffers appelleert bovendien aan de oerregel van de genoegdoening en de reciprociteit, dat wil zeggen dat de dader moet boeten voor wat hij heeft aangericht en slachtoffers zich niet door het strafrecht in de kou gezet voelen. De Leidse hoogleraar criminologie J. van Dijk repte vorige week op een studiedag in dat verband van het 'ritueel' en de 'therapeutische functie' van het strafrechtproces waarin de overheid aan slachtoffers laat zien dat het maatschappelijk contract nog steeds geldt, dat door een adequate genoegdoening het slachtoffer niet cynisch hoeft te worden en zijn respect voor de wet niet hoeft te verliezen, maar wordt bevestigd in zijn natuurlijke optimisme om aan de maatschappij te blijven deelnemen.

Intussen gaat de bemiddeling tussen daders en slachtoffers door. In Amsterdam wijst het parket jaarlijks ongeveer vijfhonderd zaken toe aan de Stichting Dading Amsterdam, die bemiddelt tusen dader en slachtoffer over een meestal financiële genoegdoening of materiële tegenprestatie. Zo blijven delicten waarvoor in Amsterdam de grens is vastgesteld op zaken waarvoor de officier van justitie voor de politierechter niet meer dan zes maanden gevangenisstraf kan eisen, buiten het strafrecht. In de helft van de gevallen komen de twee partijen tot overeenstemming. De daders zijn tevreden dat ze geen strafblad krijgen en daardoor worden gestoord in hun inmiddels weer opgebouwde maatschappelijke leven, de slachtoffers hebben minder moeite de gebeurtenissen te verwerken dan zonder de bemiddeling, aldus coördinator Tineke Bouwes van de stichting. “De benadeelden ontdekken dat de verdachten ook gewone mensen zijn die een keer over de schreef zijn gegaan, en dat verdachten in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht ook echt spijt van hun daad kunnen hebben. Door die ontdekking hoeven ze niet meer over het gebeurde na te denken, ze kunnen het afsluiten.”