Volgend jaar beter; Zaterdags Peil knokt mee aan de kerstdis

Zaterdags Peil vroeg om familie-taferelen rond kerstmis die voor de lezer een keerpunt betekenden. Kerst betekent immers, zo poneerden wij, ook stress. Het samenzijn met de familie is niet geheel vrijwillig; op het kerstmenu ligt vaak de loden last van familie-traditie; het 'programma' is evenzeer belast door de onzichtbare hand van het verleden. Kerst - je rust er van uit en je wordt er tegelijk moe van.

Wij ontvingen ruim zestig brieven, een bovengemiddeld aantal. Veel lezers zitten op oude wonden die met kerst gaan schrijnen, vaak van het type 'toen oom G. zo woedend werd en tante K. een klap gaf'. Er duiken nieuwe relaties op, die familie-examen komen doen. Slepende irritaties rond 'de kinderen', respectievelijk 'vader' of 'moeder' die niet langer verborgen konden blijven. Het diepe verlangen kerst 'eindelijk' eens alleen te mogen vieren, hetgeen meestal betekent met z'n tweeën. En dan in de volle kerk toch de familie tegenkomen. Met kerst staat de dagelijkse routine stil en worden nieuwe verhoudingen zichtbaar, soms ongewild. De partner die weg is, of weg wil, meestal met een ander. Meestal is kerst-schade blijvend. Een lezeres beschreef haar eerste kerst in getrouwde staat die op knallende ruzie en een slaande voordeur uitliep. Het huwelijk is geslaagd, maar kerst is nooit meer samen gevierd; dat durven ze niet meer.

Het aanbod was breed en zeer lezenswaardig; natuurlijk was het onderliggende thema vergeving en vergelding. Wat accepteer je van elkaar en wat doet de deur echt dicht? De schrijvers van de hierbij afgedrukte brieven ontvangen een boekebon.

Deelname aan deze rubriek is ook mogelijk via de web-pagina's van NRC Handelsblad op Internet http://www.nrc.nl. email: zpeil@nrc.nl

Cranberry compôte

Kerstmis zou dat jaar bij mijn zus, haar man en hun drie kinderen worden gevierd. 's Middags was ik al naar ze toegegaan om te helpen met de bereiding van het kerstdiner. Mijn zus was in een uitstekend humeur. Ze had er zin in om er dit jaar iets speciaals van te maken en had zich al wekenlang lopen verheugen op het geweldige feest. Opgewonden gingen we in de keuken aan de slag terwijl haar man de kinderen bezig hield en probeerde hun aandacht af te leiden van de stapel met pakjes die onder de kerstboom lagen. Een traditioneel Engels kerstdiner moest het worden: kalkoen met cranberry compôte, spruitjes, echte Engelse kerstcake... De christmascrackers lagen al klaar.

Toen ik tegen zessen net de jongste van de drie van een schone luier had voorzien, riep mijn zus me vanuit de keuken. Of ik snel even de tomaten wilde snijden omdat die nog in de chutney moesten, dan kon zij door blijven roeren.

Ik pak de zak met tomaten uit de koelkast en een snijplank. Snel even handen wassen met flink veel zeep. 'Wat doe je nu?' gilt mijn zus opeens naar me. Ik begrijp eerst niet waar ze het over heeft. Vol ontsteltenis staart ze me aan en kijkt dan naar de cranberry compôte, die ze bij gebrek aan ruimte op het aanrecht even in de gootsteen had gezet. 'O, het spijt me!' roep ik overbodig en weet niet waar ik het moet zoeken van schaamte. 'Je kan toch wel kijken wat je doet!', schreeuwt ze verontwaardigd. 'Nu kan ik heel die boel wel wegsodemieteren. Daar gaat m'n mooie kerstdiner!'

Gelukkig gaat op dat moment de bel en staat mijn broer voor de deur met zijn vriendin. Even later gaat de telefoon: vader en moeder hebben pech met de auto.

Ze zullen minstens twee uur later komen en dat we maar moeten beginnen met eten. Het is voor de kinderen toch geen doen om zo lang te wachten.

We gaan aan tafel. Mijn zus heeft precies gepland waar iedereen moet zitten. Zij, met echtgenoot, aan de kant van de keuken. De kinderen tussen hen in. Aan de andere kant zijn twee plaatsen voor vader en moeder gereserveerd en daarnaast zijn broer met vriendin ingedeeld. Ik kom tussen broer en zus te zitten, aan het hoofd van de tafel. Iets waar ik een hekel aan heb omdat hieruit extra duidelijk blijkt dat ik zonder partner ben. Hans zijn afschuw voor tradities is natuurlijk goed te begrijpen, maar toch blijf ik me telkens onzeker afvragen of het iets met onze relatie te maken heeft dat hij dit soort gelegenheden aan mij overlaat. Willen niet alle geliefden juist met kerstmis dicht bij elkaar zijn, desnoods in het ietwat beklemmend gezelschap van derden?

Als ik terloops even opzij kijk zie ik aan het gezicht van mijn zus dat haar humeur nog steeds grondig is bedorven. 'Die kalkoen is uitstekend gelukt zeg.' Mijn broer laat zijn eetlust niet bederven door het chagerijnige gezicht tegenover hem. 'Toch jammer van die compôte', zucht mijn zus. Dit herhaalt zich nog vijf keer; op een dramatische, intens teleurgestelde en zeurderige toon, telkens als iemand een positieve opmerking over het eten maakt. Mijn schaamte maakt langzaam plaats voor irritatie en daarna voor woede.

'En nu weet ik het wel!' schreeuw ik bij de zesde keer. 'Het is gebeurd, er is niks meer aan te doen, dus hou alsjeblieft op met dat gezeur!' De anderen vallen me mompelend bij. Maar voor mijn zus is de zaak nog niet af: 'Zorg in ieder geval dat je een vriend krijgt die goed kan koken zodat hij het in de keuken alleen af kan', sneert ze naar me. 'Toevallig kan Hans uitstekend koken, dus daar hoef ik me geen zorgen over te maken', zeg ik koel. Ik laat me niet op de kast jagen door zo'n flauwe opmerking. 'Hans?', vraagt mijn zus sarcastisch. 'Als het echt wat tussen jullie zou zijn was hij wel bij je geweest op eerste kerstdag, denk je niet?'

Voor ik me kan bedwingen geef ik haar een flinke klap in haar gezicht. Binnen een paar seconden vliegen we elkaar in de haren. Overmand door emoties vechten we of ons leven ervan afhangt. We krabben, trekken haren, slaan en stompen waar we elkaar maar raken kunnen. Tot mijn broer en mijn zwager ons uit elkaar halen, met moeite.

Hoewel mijn zus vaker situaties van fysiek geweld hebben meegemaakt, was dit de eerste keer met de kinderen erbij. Deze zijn dan ook diep geschokt. Fel reageren ze op mij af om hun moeder te beschermen. 'Nou zien jullie eens hoe vervelend je bent als je ruzie maakt', probeer ik nog, maar ze moeten niks meer van me hebben. Ik overweeg serieus om naar huis te gaan maar mijn zwager haalt me over om toch te blijven. We besluiten niks tegen vader en moeder te zeggen en er verder het beste van te maken.

Rond acht uur kijken we toe als vader en moeder de hoofdmaaltijd inhalen. 'Je zou toch van dat spul voor bij de kalkoen maken?', vraagt moeder aan mijn zus.

IJzige stilte. 'Daar heeft Annemiek haar handen boven gewassen', zegt mijn zwager voorzichtig. Verbaasd kijkt moeder me aan. Ik doe net of ik het niet merk. 'Hoe gaat het eigenlijk met de verbouwing', vraagt mijn broer vlug, 'begint het al een beetje op te schieten?'

Na het Engelse kerstdiner - de crackers hebben we overgeslagen - worden in een rotsfeer de kadootjes uitgepakt. Vader en moeder hebben de moed nog niet opgegeven. Zich verantwoordelijk voelend voor de mislukte stemming, vanwege hun late aankomst, proberen ze deze te redden door overdreven vrolijk te doen. Ze negeren het feit dat er niemand is die met hen meelacht, en dat er regelmatig pijnlijke stiltes vallen. Direct nadat de kado's zijn uitgepakt, maak ik dat ik weg kom met het excuus doodop te zijn. Het is waar.

Inmiddels is het uit met Hans. Het is echter op zijn advies dat ik al jaren geen kerst meer vier met de familie. Heerlijk.

Annemiek Bosch

----------

Een vrolijke kerst

Het is een uur of tien 's morgens op tweede kerstdag 1994. De bel gaat. Ik doe open, en kijk in het grijnzende gezicht van mijn jongste broer. Aan het einde van het tuinpad zie ik hoe mijn vader grootmoeder uit de auto helpt. Ze heeft een totaal verkeerde jurk aan. “Waar gaan we naar toe?”, hoor ik haar roepen. De dobermann pincher van mijn broer gromt en wil naar binnen, achter de nog niet opgesloten huiskonijnen aan. Achter mij hoor ik gestommel. “Wat doen zij hier?”, sist Anna in mijn oor. Op dat moment zien we de glimmende landrover van oom Theodoor (één van haar ooms) voorbijscheuren, met een vage flits van twee poedels achterin. Op dat moment beseffen wij dat er ergens in ons zorgvuldig geregisseerde leven iets mis is gegaan. De Fout Die Nooit Gemaakt Had Mogen Worden was bezig zich voor onze ogen te voltrekken. Een uur later. De orde is enigszins hersteld. De konijnen zijn gered van onder de Auping vandaan, de poedels zijn opgesloten in de bijkeuken en de dobermann is samen met mijn broer uit wandelen gestuurd. Binnen tracht oom Octaaf een aandachtig gehoor om zich heen te verzamelen. Hij leest voor uit het tijdschrift Chakra, waarvan hij de hoofdredacteur is. Af en toe laat hij zijn monocle vallen. Dat vindt hij interessant staan. Mijn vader, dominee in ruste, snuift luidruchtig. “New Age nonsens”, mompelt hij. Anna's broer Maarten tracht aan mijn moeder uit te leggen dat hij net is gaan samenwonen met zijn vriend, en dat de kinderen dat helemaal niet naar vinden. Nee hoor, ze vinden Jan-Jaap maar wat leuk! En prachtig dat hun nieuwe penthouse (kale huur ƒ1.

800) toch is! Ik zie mijn moeder begrijpend knikken. Maar haar ogen dwalen af, dit soort modern stadsleven is voor haar niet te bevatten. Mijn broer keert veel te vroeg terug van zijn wandeling en begint een niet erg waarheidsgetrouw betoog af te steken over zijn laatste opname in Vogelezang. De nichtjes Sietske en Wendelmoet (van Maarten, met van die Oilily jurkjes aan) hangen aan zijn lippen. “En moest je toen weer de isoleer in?”, vraagt Sietske ademloos.

“Nee, toen ben ik weer weggelopen”, zegt hij hikkend van de lach. “Waar gaan we nu naar toe?”, roept grootmoeder. Anna en ik lopen redderend rond, en trachten tevergeefs beide gezelschappen verdeeld te houden over voor- en achterkamer. Zoals altijd op tweede kerstdag zou haar familie 's ochtends komen en mijn familie 's middags. Ergens is het bij deze druk bezette tweeverdieners misgegaan, en zitten we nu met de scherven. Hoewel? Er is nog maar één echte ruzie geweest, en wel toen haar tante Karin (auteur van de bestseller '100 tips voor de creatieve belastingbetaler') foto's liet zien van haar tweede huis op Aruba en mijn zus Lidwien begon over de Kerstgedachte en de Arme Kant van Nederland (zelf is ze al twintig jaar bewust uitkeringsgerechtigde). Gelukkig zorgden de losgebroken poedels van oom Theodoor toen voor enige afleiding. Maar vreemd genoeg blijven verdere ruzies uit. Nog meer: deze totaal verschillende kringen vinden elkaar zelfs. Mijn vader en oom Octaaf hebben besloten dat het woord gnostiek de rest van de dag taboe is, en hebben voor hun exegetische escapades een veiliger terrein gekozen. Het lijken net twee rabbijnen zoals ze daar in de serre gebroederlijk zitten te studeren, gebogen over tekstedities van Eusebius' Praeparatio Evangelica. Sietske en Wendelmoet vertellen giebelend aan mijn moeder dat ze Jan-Jaaps pyjama's aan elkaar gaan naaien. Kinderen blijven gelukkig altijd kinderen. Grootmoeder dicteert aan mijn schoonvader oude kinderversjes. Die komen vast terecht in zijn volgende bloemlezing. Maarten en Lidwien tuigen gezamenlijk de kerstboom op. Lidwien legt uit hoe je rond kunt komen van ƒ 1.

200 in de maand. Tante Karin kijkt goedkeurend toe. Lonneke, goede huisvriendin en net bijgekomen van een uit Amerika overgewaaide therapie waarbij ze steeds tot diep in de nacht wakker moest blijven, vindt in mijn schoonmoeder het luisterende oor waar ze jaren lang naar op zoek is. Anna's oom Jacques, succesvol psychiater maar gekweld door de gedachte dat hij als enige van zijn familie niet gepromoveerd is, legt geduldig voor de vijfde keer aan mijn broer uit waarom hij toch echt anti-psychotica moet gaan gebruiken. Jan-Jaap vertelt mijn moeder enthousiast over de kerstnachtdienst in de Westerkerk die ze hebben bijgewoond. Mijn zwager Peter-Jan heeft zich ontpopt als barman en vult zwijgend ieders glazen bij. Buurvrouw Donna komt met een kerstkrans langs en blijkt een oude klasgenoot van oom Theodoor te zijn. Soms is de werkelijkheid absurder dan een verhaal. We verheugen ons dit jaar al weken op tweede kerstdag. Ditmaal geen gescheiden uitnodigingen, maar een vrolijk feest van ons beider families. Zei niet reeds de apostel Paulus dat het kind gekomen was om één te maken wat voorheen gescheiden was?

Diederick Alsemov

----------

Vissalade

Kerstmis 1971. Bijna een jaar getrouwd, alles leuk voor elkaar, huisje, tuintje, nog geen kinderen, wel een poes. Ik zal mijn ouders - en vooral mijn schoonouders - eens laten zien dat ik een goede gastvrouw ben en we nodigen ook nog een paar broers en zussen uit voor een groot familiekerstdiner bij ons thuis. Het loopt perfect. Gezellig, goede sfeer, lekkere wijn. Wel wat druk in de keuken natuurlijk, en een beetje krap af en toe. Om ruimte te winnen zet ik de restanten van de vissalade even buiten de keukendeur. We genieten uitgebreid van de volgende gang en ook de overblijfselen daarvan wil ik even buiten kwijt. Maar daar ligt onze poes, naast de vissalade. Ik raak haar aan, ze is koud en beweegt niet. Ik leg mijn hoofd op haar vacht: ze is dood. Paniek! Niets zeggen? Mijn man te hulp geroepen en de huisarts gebeld. Die zal het dichtsbijzijnde ziekenhuis voorbereiden op de komst van twaalf mensen met een voedselvergiftiging. Het duurde lang en gezellig was het ook niet meer. Iedereen wilde alleen nog maar zo snel mogelijk naar zijn eigen huis. Wij gingen meteen naar bed, waar we uit onze slaap gebeld werden door de buurman. Hij moest ons helaas vertellen dat hij gisteravond onze poes had aangereden. Om ons niet te storen bij het kerstdiner had hij haar bij de achterdeur gelegd.

A. ten Berge-Bolte

----------

De boom

De muziek schalde door de gangen van het verpleeghuis. Voor me lag mijn vader dood te gaan. Een oude Duitse jood, gepijnigd door 'De herdertjes lagen bij nachte'. Ik dacht terug aan een andere kerst, de eerste na de oorlog.

Geschonden waren we uit de onderduik terug gekomen. Ik had apart ondergedoken gezeten en kende mijn ouders niet meer. Zij rouwden over hen die ze verloren hadden. Het eerste jaar brachten we betrekkelijk geïsoleerd van de joodse gemeenschap door. Mijn ouders hadden het vertrouwen in de - destijds door de joodse raad geregeerde - Nederlandse joodse gemeente verloren. Zij hadden slechts contact met een paar Duitse joden die de oorlog overleefd hadden. Ik wist nauwelijks wat jodendom was en zat nog volledig vast aan mijn bazige katholieke onderduikmoeder, 'tante Bep'. Tante Beps wil was wet in ons gezinnetje en mijn ouders durfden in hun oneindige dankbaarheid weinig tegen haar in te brengen.

Het liep tegen Kerst.

Ik wilde een boom en dat was voor mijn ouders, die voor de oorlog nog orthodox-joods leefden, nauwelijks te verteren. Maar de vurige wens van het kind dat ik was en de wil van tante Bep zorgden er voor dat de boom er snel kwam. Ik genoot van de boom, hij gaf me een vertrouwd gevoel. In de onderduik was ik rond de kerstdagen niet anders gewend geweest. De boom bracht me weer even uit die vreemde, treurige, joodse wereld van mijn ouders terug in het rijke roomse leven, dat ik in de paar jaar van de onderduik zo goed had leren kennen. Mijn ouders bewogen zich als vreemde vogels in wijde kringen rond de boom en tante Bep en ik zongen kerstliedjes onder zijn takken.

Het heeft jaren geduurd voordat ik echt begreep wat zich afspeelde op die dag dat de heer en mevrouw Goldschmidt op bezoek kwamen.

Op de dag voor Kerst werd er aangebeld. Mijn vader trok aan het koord van de deur en de dikke meneer Goldschmidt met zijn donkere hoed, pufte de twee trappen op. Hij werd gevolgd door zijn vrouw die naar orthodox- joods gebruik een pruik droeg. Ik begreep niets van de verwilderde blik die mijn vader over zijn schouder naar mijn moeder zond. Mijn moeder zag het onheil aankomen en trachtte nog snel de schuifdeuren tussen onze twee kamers te sluiten. De deur van de kamer stond achter haar open en meneer Goldschmidt aanschouwde nog juist de boom in zijn volle glorie.

“Eva”, zei meneer Goldschmidt, in zijn moeilijk verstaanbare Nederlands tegen mijn moeder, “als je moeder - haar nagedachtenis zij tot zegen - dit toch gezien zou hebben. Ze had het niet overleefd!” Mijn moeder barstte in huilen uit. Meneer en mevrouw Goldschmidt stonden er wat onbeholpen bij. Tante Bep zweeg grimmig. Mijn vader staarde verbijsterd voor zich uit. Ik voelde dat ik op de een of andere manier een sleutelrol speelde in wat er gebeurde. Het heeft lang geduurd voordat het weer een beetje goed kwam tussen de joodse gemeenschap en ons.

En nu zit ik aan het bed van mijn vader. Heel langzaam, met het wegvliedende leven, veranderen zijn gelaatstrekken en ik kan me niet meer voorstellen hoe hij er uitzag, toen, meer dan veertig jaar gelden.

S.P. Levi

----------

Pappa huilt net goed

Mijn vader was een onverbeterlijke romanticus: Don Juan en Don Quichote tegelijk. Hij was te jong en te lang op een té elitaire kostschool geweest. Verteerd door heimwee was hij daar altijd de kleinste van de klas gebleven. Vijf jaar lang heeft hij er van gedroomd hoe ze later nog eens tegen hem op zouden kijken als hij eenmaal groot, sterk, machtig en rijk zou zijn. Op zijn eenentwintigste was hij dan ook afgestudeerd econoom. Op zijn vijfentwintigste kocht hij een Amerikaanse 'slee', die toen, voor de oorlog, niemand had. Toen hij negenentwintig was besloot hij dat daar nu nog een vrouw bij hoorde. Gelukkig was hij op wonderbaarlijke wijze na zijn eindexamen toch nog groot en sterk geworden, dus vroeg hij aan het mooiste meisje van het provincie-stadje, waar hij door de oorlog verzeild was geraakt, of ze met hem wilde trouwen. Mijn moeder was toen een onverbeterlijke romantica en zei ja. Ze had haar hele tweeëntwintig jarige leven tevergeefs met haar één jaar oudere zus moeten concurreren om de eerste plaats wat betreft de ouderlijke liefde en aandacht. Zelfs een ziekenhuisopname wegens eetstoornissen, die wij nu anorexia zouden noemen, had daar niets in kunnen veranderen. Op het distributiekantoor waar de meisjes hetzelfde werk deden, verdiende zus bovendien tweemaal zoveel als zij, omdat zij HBS had en mijn moeder MULO. De knappe econoom in de Amerikaanse slee was dus de ultieme wraak. Het feit dat haar familie hem niet mocht, maakte de wraak des te zoeter. Een week voor mijn vader veertig werd, in januari 1953, kocht hij het droomhuis dat past bij een man die het gemaakt heeft. Zijn vrouw was inmiddels verworden tot de moeder van zijn vier kinderen, maar de vriendin en de mooiste auto die er voor geld te koop was, maakten veel goed. Het duurde helaas tot december tot we ons 'paleis' voor ons zelf hadden, want na de watersnood van februari 1953 hadden we een aantal dakloze families ingekwartierd gehad. Met Kerstmis was het dan zover. De inrichting was nog niet helemaal compleet, maar de dingen die aangeschaft waren, hoorden bij een écht gezin. In de boekenwand, die mijn vader had laten maken bij de meubelmaker, had mijn moeder zelfs een eigen vakje gekregen voor haar wit lederen banden met de 'Baedeker voor de Huisvrouw'. Mijn moeder had ook echt haar best gedaan voor 'de Kerst'. Natuurlijk geen 'rare' dingen waar de kinderen toch niet van hielden, maar wel een prachtige ossehaas. We aten die dag gewoon tussen de middag warm, maar dat was niet erg. Vooraf eerst nog een rijk gevulde groentesoep met als toppunt van feestelijkheid de botervloot op tafel en een bord met toastjes ernaast voor bij de soep, nooit eerder vertoond.

Terwijl mijn vader zijn eerste toastje afhapte vroeg mijn moeder verwachtingsvol: “Wat denk je dat het is, roomboter of margarine?” Er viel een diepe stilte en vier kindergezichtjes keken beurtelings naar de gezichten van hun vader en moeder. Hun moeder sprak tegen hun vader en dat niet alleen, ze converseerde eigenlijk meer, want het was niet helemaal écht nodig om dat te vragen. Toch zagen we aan haar gespannen verwachtingsvolle gezicht dat de vraag haar dan misschien ontsnapt was, maar dat het antwoord haar Kerstmis kon maken of breken en misschien wel haar huwelijk. Ze had haar goede wil getoond door het woord tot hem te richten. Daar ging het met Kerstmis om, om de goede wil. Wij voelden dat alles van mijn vaders antwoord afhing. Mijn moeder was duidelijk trots dat ze iets slims gedaan had, iets waar ze zelfs hem te slim mee was afgeweest. Hij slikte zijn toastje weg om snel antwoord te kunnen geven. Hij proefde niet eens en gaf toen het meest voor de hand liggende antwoord, dat het dus wel margarine met roombotersmaak zou zijn, wat correct was, en hij ging door met zijn soep. We zagen aan mijn moeders gezicht dat ieder antwoord goed geweest zou zijn behalve dit antwoord. Haar gezicht dat heel even meisjesachtig was geweest, werd weer haar 'huisvrouwenmasker'. Het kerstdiner hebben wij kinderen hierna totaal gesaboteerd met slappe lachbuien die door zijn boosheid steeds erger werden. Tevergeefs probeerde hij later de idylle te herstellen. “Een normaal gezin zit nu op de nieuwe bank en zingt kerstliedjes bij de boom.” Maar ik ging naar een vriendinnetje, mijn broertjes gingen op hun kamer hun eindeloze rollenspelen spelen en mijn zusje ging met mijn moeder naar oma. Toen ik hem 's avonds voor de avondboterham moest roepen zat hij alleen onder de boom te huilen. Ik zei aan tafel: pappa huilt, dus ik denk niet dat hij komt. “Net goed”, zei mijn broertje van bijna vier, “Kijk mam, ik kan al bijna zelf smeren”. Mijn moeder lachte, bijna gelukkig.

M. den Oudste