Notabelen

N. BOS: Notabele ingezetenen. De ontwikkelingen in de Maastrichtse bovenlaag 1790-1890

289 blz., uitgegeven in eigen beheer; verkrijgbaar via tel. 045-5254988/030-2536277, ƒ27,50

De 'deftige lui' werden ze genoemd. Als ze in de zomer hun bal hadden, werd een deel van het Maastrichtse Stadspark afgesloten en stonden achter de hekken de 'andere lui' zich aan hen te vergapen, zo vertelde de plaatselijke volksschrijver Fons Olterdissen. De Maastrichtse notabelen hielden verder gezelligheidsbijeenkomsten in de Momus en de Groote Societeit aan het Vrijthof. In de zomer vermeiden ze zich in het lommerrijke Slavante tegen de hellingen van de Sint Pietersberg waar ze genoten van de vergezichten over de Maas. Ze lieten er zich als gens de distinction op voorstaan Frans te kennen, een taal die ze ook in de omgang gebruikten. Velen hunner waren in de tijd dat Maastricht onder Frans bestuur viel, rijk geworden als 'zwartgoedkoper'. Een vrouwelijke dienstbode was niet goed genoeg. Om zich ook onderling te onderscheiden, namen ze liever mannelijke bedienden want die verdienden een hoger salaris en daarmee, zo dachten ze, werd hun status nog eens extra verhoogd. Het waren meestal liberalen die weinig ophadden met de rooms-katholieke geestelijkheid. Rijk en invloedrijk waren de Maastrichtse notabelen, en ze droegen fameuze namen als Regout, Lhoest, Tielens, Weustenraad, Hustinx en Coenegracht. De elite van de Limburgse hoofdstad heeft nooit veel meer dan 100, 120 leden geteld. Limburg was samen met Drenthe in de vorige eeuw de provincie met het minste aantal vermogenden. Het merendeel van hen was geconcentreerd in Maastricht dat kort na 1800 nog slechts 18.000 inwoners telde; nu zijn dat er ruim 110.000. De grote 'boom' van de industriële revolutie moest nog plaatsvinden. De machtigen woonden bijeen in chique straten. Bij voorkeur trouwden ze met partners van gelijkgesitueerde families in de stad. Ze maakten de dienst uit in het gemeentebestuur en in het Burgerlijk Armbestuur, dat vele 'goede werken' deed onder de minstbedeelden. In hun zwarte fraks met witte vesten staan de Maastrichtse bovenbazen afgebeeld op het omslag van het boek Notabele ingezetenen, het proefschrift waarop N. Bos onlangs promoveerde aan de Universiteit van Utrecht. In dit werk beschrijft hij zeer herkenbaar de ontwikkelingsgang van de Maastrichtse meestvermogenden. Aan de hand van belastingtabellen, het bezit aan onroerend goed, maar ook aan paarden, telt Bos hun rijkdommen. Bovendien gold het houden van bepaalde honderassen als een benijdenswaardig statussymbool: “Zelfs was hier en daar een St. Bernard aanwezig, die de 'rijke lui' gekocht hadden als ze in Zwisterland of Italië op vakantie waren geweest en over de Alpen waren teruggekeerd.”

Tot de welstands-elite behoorden in de negentiende eeuw ook velen van de talloze bierbrouwers in de stad. Hun winsten belegden ze doorgaans in kleine huisjes in volksbuurten. Van de huurders eisten ze dat die hun bier ter plekke verkochten. En zo brachten ze vele van de in armelijke omstandigheden verkerende fabrieksarbeiders tot de drank en tot nog meer ellende. In tegenstelling tot andere delen van het land waren in Maastricht de mogelijkheden om via een eerzaam beroep door te dringen tot de hoogste rangen nauwelijks aanwezig. Ook een middenklasse van min of meer gegoede burgers ontbrak goeddeels. Toen een 'burgerman', een zekere Gadet, het niettemin toch lukte lid van de gemeenteraad te worden, werd hij met de nek aangekeken. De socialisten hadden in Maastricht destijds nog geen enkele bestuursmacht.

Nadat een deel van de notabelen de Limburgse lucht met hun industriële bezigheden (de Regouts met hun porselein- en aardewerkfabrieken) bezoedeld had en er binnen de enge ruimte van de stadswallen aan grond of woning niet meer was te komen, nam de elite de wijk om zich op buitenplaatsen te vestigen, zoals in Meerssen, Sint Pieter of Amby. Maastricht bleef achter, vervuild en verpauperd. En zo, schrijft Bos in zijn zeer waardevolle en boeiende proefschrift, “verloor Maastricht een groepje puissant rijken.”