Mr. O. Hammerstein, advocaat ondanks alles; Ik hou niet van zand-erover

Justitie liet hem arresteren, het kantoor wees hem de deur, de rechter sprak hem vrij, maar z'n reputatie is stuk. De advocaat mr. O. Hammerstein vecht nu terug. Want, 'er zal voor mij nooit echt vrijspraak zijn'. De advocaat en de foute cliënt - een vraaggesprek.

Mijn ziel is gelouterd. Ik heb in drie jaar meegemaakt waar andere mensen tien levens voor nodig hebben. Twee mensen die ik vertrouwde hebben me belazerd en aan de rand van de maatschappij geplaatst. Zes weken zat ik achter de stalen deur. Mijn collega's van kantoor staken een mes in mijn rug. En ik zàt al met dat kloterige aids-verhaal.

Een deel van mijn vergelding heb ik gehad. Ik lig niet lam in een hoekje, ik geef richting aan mijn leven - ik ben er vele malen sterker uitgekomen. Dat is mijn overwinning. Ik kom in mijn toga op de rechtbank de officier van justitie tegen die mij vervolgde, mijnheer Teeven, en knik hem minzaam toe. Dan denk ik: màn, wat ben ik blij dat je ziet dat ik de zaal weer binnenloop.

Maar mijn kwetsuur blijft. Ik had mijn zaak al verloren op de dag dat ik werd aangehouden. Toen wàs er niks meer te winnen. Honderd keer vrijspraak had me nog niet geholpen. Daarom wil ik dat degenen die me dit hebben aangedaan het binnen redelijke grenzen goed maken. Er zal voor mij nooit echt vrijspraak zijn. Ik ben gebrandmerkt en mijn brandmerk is mijn handelsmerk geworden. Als ik hier bij de wasserij mijn spullen kom afleveren en ze vragen mijn naam, zeg ik: Hammerstein, uw collega van de witwasserij.''

Ik ben outspoken. Ik ben niet bereid de kleur in mijn eigen persoonlijkheid uit te gommen om in de grijze massa op te gaan. Als ik mensen tegenkom ben ik snel voor of tegen. Dat werkt ook andersom. Mensen vinden mij een zak òf een geweldige vent. Het heeft ook tot gevolg dat ze zeggen: als je nou echt problemen hebt moet je bij hèm zijn - op zich het grootste compliment dat je in mijn beroep kunt krijgen. Dat levert dus ook de cliënten op die je misbruiken en bedonderen? Wijsheid achteraf.

Ik ben het zevende kind, de één-na-jongste uit een nest van acht vogeltjes. Altijd profileringsdrang gehad. Een broer had de sleutel van mijn vaders auto en waste die iedere week. Maar toen hij met vakantie was glom de auto twee keer zo hard. Uiteindelijk kreeg ik de sleutel.

Ik moest mijn best doen om in dat grote gezin aan mijn trekken te komen. Mijn vader zag me te weinig staan. Op het laatst veranderde het. Vlak voor zijn overlijden vroeg hij me alle openstaande zaken in zijn praktijk af te handelen. Niet mijn broer, zijn oogappel, die ook advocaat is. Hij wilde iets goedmaken, denk ik.

Mijn moeder zegt dat mijn vader wel eens jaloers op me was. Oedipus dus. Ik was altijd met haar op stap. Het komt voor dat ze mijn oudste broer aan de lijn heeft - ze is een beetje doof - en hem zegt: wij zijn de enigen die elkaar ècht goed begrijpen, Os.

Dat ik méér dan de meeste andere mensen opgemerkt wil worden, is eigen aan de homoseksuele soort. Ga naar een willekeurige nicht hier in de stad. Kijk naar die verwaande kok van Le Garage, Braakhekke, of neem die modeontwerper, Frank Govers. Ze willen allemaal de beste in hun vak zijn, en het gekke is dat ze het nog vaak zijn ook. Behalve als ze hun snor laten staan - daaraan herken je de nicht die het niet gemaakt heeft. Ik doe alleen dingen waarin ik uitblink. Met pianospelen ben ik opgehouden omdat ik het niveau van Pollini toch niet haalde. Dan heeft het geen zin voor mij. Het is een maskering van mijn onzekerheid. Ik denk altijd als ik een zaak heb bepleit: dat had beter gekund. En als er een gunstig vonnis komt: jammer van die ene overweging.

Natuurlijk is er een verband tussen dat perfectionisme en de gemiste bevestiging van mijn vader. Mijn plaats in het gezin speelt ook een rol. En als ik met een leuke vriend was thuisgekomen - mijn vader hàd gelukkig geen jachtgeweer, maar hij was in staat het te gebruiken. Hij zou het nòòit geaccepteerd hebben. Mijn broer zegt overigens van wel, gek genoeg.

Er zijn mensen die je karakter verklaren uit de zindelijkheidsdressuur die je hebt gekregen. Daar zal best wat inzitten. Een moeder van een groot gezin doet meer moeite haar kinderen zindelijk te maken. Sommige mensen krijgen daardoor perfectionistische neigingen, anderen gaan aan de drank. Nu leren al die jonge ouders dat ze hun kindje niet ieder half uur op het potje moeten zetten. Nou, mijn moeder deed dat wel. Ik geloof dat het bij mij na vier of vijf maanden al rond was.

Ik vind het niet prettig hierover door te praten. Want straks komen jullie via mijn zindelijkheidsdressuur tot de conclusie dat ik toch heb gedaan wat justitie mij verweet. Er hangt al genoeg twijfel om mij heen.''

Ik heb nooit voor bedrijven gewerkt, altijd voor ondernemers. Mensen die mij 's avonds om elf uur nog faxen: Kan je dat stuk morgen gauw even bekijken? Wil je mijn zaak voor Kerstmis rondmaken? Ik heb ook een zeker commercieel gevoel, ik denk verder na met die mensen dan alleen over hun strikt juridische problemen. De Surinaamse rijsthandelaar was eigenlijk ook zo iemand. Hij werkte keihard en was puissant rijk. Ik had hem in 1988 via een zaak leren kennen en kreeg zo inzicht in zijn financiële positie. Hij was een hindoestaanse self made-man - ongeletterd maar met een scherp verstand. Hij had heel goed in de gaten in welke bijzondere positie de Antillen ten opzichte van Europa stonden. Eén simpele handeling met de rijst op Curaçao en hij bracht het spul met tonnen subsidie Europa binnen. Te mooi om waar te zijn.

Nu vervloek ik de dag in 1991 dat zijn zaak bij mij binnenkwam. Maar toen mocht ik die man wel. Hij was een heel open, vriendelijk, aardig type. Als client buitengewoon prettig. Of mijn radar die dag niet werkte? Weet ik niet, die was uitgeschakeld, er was geen aanleiding voor extra alertheid. Hij kwam met een simpele zaak. Hij wilde de 17,5 miljoen van zijn Femis-rekening terug waarop justitie beslag had gelegd. Dat vond ik een redelijk belang.

Achteraf kan je alleen zeggen dat hij te geduldig en te kruiperig was. Ik zei hem vaak: 'Wie zijn centen stationeert bij zo'n waardeloze bank, waar wordt gerotzooid bij het leven, moet mij niet kwalijk nemen dat het lang duurt om het probleem te redresseren. Ik heb die rotzooi maar op te ruimen.' En als-ie dan doorzeurde, riep ik: 'Jôh, kijk in de spiegel en zie wat een rommel je ervan hebt gemaakt.'

Hij kon me 's avonds laat opbellen om te vertellen wat voor een prachtige brief of pleitnota ik voor hem had gemaakt. Dat doen cliënten niet gauw, hoor. Op een gegeven moment wist-ie zelfs mijn verjaardag. Belde hij me op om me uitgebreid te feliciteren.

Hij had ook de financiële en fiscale mores van een self made-man. Dat wekte bij mij ook geen argwaan. Ik wist dat hij zijn winst liever op Curaçao liet vallen dan in Nederland. En ook dat de Nederlandse belastingdienst daarom achter hem aanzat. Hij liep met tienduizenden gulden op zak omdat-ie de boeren in Suriname contant moest betalen. En Suriname is een Derde Wereld-land waar provisies tot het dagelijks leven behoren. Dat hij bij een Nederlandse bank zat was ook logisch. Zo'n Bank of Crooks & Criminals in het Caraïbisch gebied biedt geen zekerheid.

Justitie zei dat zijn geld bij Femis uit misdrijf verworven was. De enige grond voor die stelling was dat zijn bankrekeningnummer gelijkenis vertoonde met dat van een internationaal gezochte crimineel. Toen ik in kort geding zijn zaak bepleitte heb ik dat het openbaar ministerie zwaar ingepeperd. Ik vind het verrùkkelijk om de lariekoek van zo'n officier van justitie aan een president voor te leggen: 'Het nummer van mijn cliënt lijkt op dat van een crimineel, dus dat is bewijs? Kijk, dààr heeft deze officier van justitie nu vijf jaar onderzoek naar gedaan.'

Ik deed dat met overtuiging. Rázend kon ik worden op die mannetjes die in opdracht van zo'n fundamentalistische drijver als Hirsch Ballin opgehitst waren om de zogenààmde georganiseerde misdaad aan te pakken. Er komt dus bij dat ik graag het slimste jongetje van de klas ben - en daarom ook een héérlijk figuur om terug te pakken. Dat heb ik gemerkt.

Uit het dossier van het CoPa-politieteam (Colombia-Paramaribo, red.) is mij later, na de behandeling van mijn zaak, overduidelijk gebleken dat mijnheer de rijsthandelaar geld uit de drugshandel witwaste. Die 17,5 miljoen zijn waarschijnlijk gewoon van Bouterse. De rijsthandelaar heeft in ieder geval al zijn bankrekeningen aan hem ter beschikking gesteld - die twee zitten samen in de handel. De officier van justitie, Teeven, was daarvan op de hoogte maar heeft het in mijn zaak verzwegen. Want hij had de rijsthandelaar nodig om mij op te hangen.

In de stukken van mijn zaak staat alleen dat de 17,5 miljoen niet van de rijsthandelaar zijn en dat ik daarover willens en wetens een valse notariële akte heb laten maken. Het hof plaatste de aantekening dat ik 'onvoorzichtig' en 'onzorgvuldig' heb gehandeld door niet te onderzoeken wat de herkomst van het geld was. Maar leg mij eens uit hoe ik dat doe? De Fiod heeft er drie, vier jaar naar gezocht en wist het toen nòg niet.

Het is niet merkwaardig dat ik me mild over de rijsthandelaar uitlaat. Regel één in mijn beroep is dat je niet praat over een client. Een van de grootste vernederingen in de strafzaak was dat ik werd gedwongen dat toch te doen. Dat is zó in strijd met je instelling. Het kost me nu nog moeite om zijn naam uit te spreken. Ik verwacht van hem ook niet de morele standaard die het openbaar ministerie hoort te hebben. Dat dient zich magistratelijk te gedragen. Van zo'n rijsthandelaar kan je dat niet vergen. Maar zet mij niet in een kamer met hem. Dan wéét je wie er het eerst uit het raam gevlogen komt.''

Iedere ziekte legt je karakter scherper bloot. Zieke mensen zijn lastig. Je houdt je minder in. Toch geloof ik niet dat er een verband is tussen mijn houding tegenover de rijsthandelaar en mijn ziekte. Ik kreeg de boodschap begin 1989 en volgens mij was de schok in 1991 al uit mijn systeem gevlakt. Wel werkte ik in die tijd zeven dagen per week. Als ik met vakantie ging zat ik na drie dagen in een diepe dépri en moest ik naar huis. Ik leefde voor mijn werk.

Aids is als een moordenaar die onderweg is uit China, heb ik ooit tegen Vrij Nederland gezegd. Maar die van mij zit nog steeds in Peking. In het eerste jaar dat ik het wist ben ik in veertien dagen de hele aardbol overgevlogen. Ik moest van ieder werelddeel afscheid nemen. Iedere keer als ik weg vloog dacht ik: hier kom ik nooit meer terug.

Mensen worden ongeduldig als ze horen dat je aan iets lijdt dat fataal is. Je ziet ze denken: is-ie nu nog niet dood? Hun belangstelling verhoogt op de verkeerde momenten. Vorig jaar had ik een terugslag, was zelfs korte tijd blind, en kwam met allerlei andere ellende in het ziekenhuis terecht. Om half twaalf 's avonds liepen er nog mensen binnen. Ik geloof dat er in een week twintig flessen wodka doorheen zijn gegaan. Het was een ramp. Ze hadden me bijna vermòòrd. Daarom ban je het uit het dagelijks leven. Je praat er niet meer over. Als ze vragen hoe het me je gaat, leer je verstaan: hoe lang nog? Ik ga nauwelijks nog naar feesten en partijen. Dan krijg je het weer. 'Kom eens bij me zitten, vertel eens. Hoe is het met je?' 'Goed.' 'Wat vreselijk allemaal, hè?' Ik denk dan alleen nog: hoe kom ik hier wèg? Ik leg mensen geheimhouding op. Anders staan er, als ik iemand vertel dat ik met veertig graden koorts in bed lig, binnen de kortste keren vijftig man met kippesoep aan de deur.''

Automatisch ging ik de dag dat ik vrijkwam naar kantoor. In de zes weken dat ik vastzat had ik wel iets anders aan mijn hoofd dan Boekel de Nerée. Pas toen ik mijn collega's zag merkte ik wat er veranderd was.

Dat ik tijdens mijn verblijf in de cel had getekend voor mijn vertrek uit de maatschap zag ik als een tijdelijke maatregel. Mijn 'naam' was 'zodanig in opspraak gekomen' dat ik 'niet meer als advocaat bij Boekel kon functioneren', stond er in dat stuk. En: 'Je arrestatie berokkent onze maatschap zo grote schade dat de omvang daarvan niet meer is te overzien'. Ik heb 't getekend en gedacht: dat zie ik later allemaal wel.

Na mijn vrijlating begreep ik dat de maatschap bevangen was geraakt door paniek. Ze vreesden zelfs dat ze de volgende maand de salarissen niet meer konden uitbetalen. Een van mijn collega's, een beroepscurator die geen faillissement meer zou behandelen zolang mijn strafzaak liep, had op kantoor het alarmerende verhaal verspreid dat er volgens de rechter-commissaris 'overweldigend bewijs' tegen mij was. Dat was een hetze uit puur eigen belang. Ik vergeef het mijn compagnons dat ze in zijn verhalen zijn gestonken. Maar niet de man zelf. Een onhandige klungel trouwens - daarom is-ie ook curator en geen advocaat.

Als ik erbij was geweest hadden we de strijd aangebonden. Maar bij Boekel zijn ze niet zo sterk, het zijn lieve, aardige mensen. Ze fladderden als kippen door het hok en sloopten mijn reputatie. Met hetzelfde gedrag waarmee op 10 mei 1940 op een kantoor in Rotterdam een joodse compagnon te verstaan kreeg dat hij de maatschap moest verlaten. Boekel is hiermee natuurlijk de risée van de advocatuur geworden. Het zou ook niet tot verdere strafvervolging zijn gekomen als het kantoor mij er niet had uitgezet. Nu dacht justitie: ze hebben hem laten vallen, dus zal het wel fout zitten.

Ik werd pas echt woedend toen ik hoorde hoe ze mijn vertrek bekend hadden gemaakt. Ik ging ervan uit dat gepubliceerd was dat ik had besloten uit de maatschap te treden. Maar ze brachten naar buiten dat ik 'mezelf, de maatschap en de advocatuur te schande had gemaakt'. En in brieven aan cliënten heette het dat ik me 'schuldig had gemaakt aan strafbare feiten waar de maatschap geen weet van had'. Toen ik terugzag heb ik gezegd: zijn jullie nou helemaal achterlijk? Maar dat was, zeiden ze, het werk van hun public relations-man.

Ze hebben zelfs het feit dat ik aids heb gebruikt als verklaring voor mijn 'crimineel gedrag'. Erger nog, ze zijn naar een psychiater gegaan en die had de lezing bevestigd. 'Een aids-patiënt valt of in een diepe depressie of gaat uiterst risicovol leven.' Dat kwam mooi uit! Hij hep aids en is dùs gek geworden.

Ik ben nooit bot tegen ze geweest. In zulke situaties schelden is very unlike me. Uiteindelijk hebben ze toegegeven dat ze zich als maatschap onjuist hebben gedragen. Heb ik gezegd: allemaal best, maar hoe zetten we het recht? Mijn voorstel was de maatschap voor de buitenwereld te herstellen. Ik zou dezelfde dag nog uittreden, verder was alles akkoord. Dat konden ze niet maken tegenover de cliënten. Ze wilden de rechtzaak afwachten. Nu hebben ze nog niets gedaan en heb ik een klacht bij de Raad van Toezicht van de Orde van advocaten ingediend, waar de zaak nu ligt. Ze zeiden me: als je dat doet is het oorlog. Heb ik voor één keer met de deur gezwiept.

Waarom Boekel zo halstarrig is? Het is een combinatie van lafheid en bekrompenheid. Anders kan ik het niet verklaren. Het gaat mij niet om geld. Het is voor mij een zaak van herstel van menselijke waardigheid. Als ik mijn zin krijg komt er een uitspraak waarin ze een waarschuwing of een berisping krijgen. Dat is mijn vergelding. Het klinkt misschien klein, maar voor mij is het heel belangrijk. Dan heb ik weer een vernedering overwonnen.''

De man bij wie de grootste kans bestaat dat ik vergeet op de rem te trappen is de fiscalist. Hij, die de rijsthandelaar nota bene bij mij introduceerde, heeft mij in alle ellende gedreven om zichzelf van de strop te redden. Zeven, acht jaar is hij mijn compagnon geweest. Bracht hij een zaak bij me aan, dan kon ik bijna al aan het werk voordat ik de cliënt had gezien. We hadden het soort vertrouwen dat er tussen advocaten en fiscalisten moet zijn. Als hij mijn secretaresse belde omdat hij een probleem had, stond ik altijd klaar. 'Rob, wat kan ik voor je doen?'

Mijn verhouding met hem was de laatste jaren bekoeld. Als je mensen over hem hoorde ging het altijd om de hoogte van zijn declaraties. Hij was een enorme geldwolf geworden. Hij was een outstanding fiscalist, de grote clientgetter van zijn kantoor. Maar hij heeft een midlife-crisis gekregen. Het inkomen van fiscalisten daalde eind jaren tachtig fors, dat zal ook hebben meegespeeld. Hij mòet hebben geweten dat er drugs in het spel waren. Zijn buurman verscheepte het spul. Hij heeft geruild met het openbaar ministerie. Een belastende verklaring over mij - dan kwam hij er vanaf met valsheid in geschrifte en een paar maanden. Ze hebben hem een dagvaarding voorgehouden waarin hij werd vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie die handelt in drugs. Na twee dagen en diverse telefoontjes met de rijsthandelaar nam hij zijn besluit. Toen rolden de verklaringen over mijnheer Hammerstein eruit.

Ik heb hem nooit meer gezien. Hij is nu ingetrokken bij een boekhouder van de rijsthandelaar. Zijn praktijk is een puinhoop. Als ik hem zou tegenkomen in een restaurant zou ik niets zeggen en toekijken hoe hij afdruipt. Hij zou zich dóód schamen.''

Vergelding en vergeving liggen in elkaars verlengde. Wil je iemand kunnen vergeven, moet er eerst vergelding zijn geweest. Ik hou niet van het volk dat zegt: nouja, tis allemaal gebeurd, zand-erover. Waar je tekort bent gedaan moet iemand je tegemoet komen. Een fout erkennen is een van de kenmerkendste eisen die je aan een mens kunt stellen. Ik heb mezelf wel eens op wraakgevoelens betrapt, ja. Wij zitten hier nu weer een avond die film terug te draaien en dat betekent dat ik vannacht niet slaap. Het zijn traumatische ervaringen geweest. Als ik een klacht voorbereid, herleeft ieder detail. Er ontstaat een soort schuimbekken. Je komt oude kranteberichten tegen - 'maatschap zet Oscar H. op straat' - en je ontploft: 'De klòòtzakken! Als ik ze tussen mijn vingers krijg!'

“Maar dat ebt weer weg, want ik zet het op papier en uit een processtuk mag geen emotie blijken. Dat heb ik zo geleerd. Als ik mensen van kantoor ontmoet ben ik heel onderkoeld. Wraak is een gerecht dat je koud tot je neemt.”

De zaak-Oscar H.

Oscar Hammerstein (1954) is advocaat bij Boekel de Nerée als hij begin 1994 wordt gearresteerd. Hij zou deel uitmaken van een criminele organisatie en valse notariële akten op hebben laten maken. Hammerstein, die dan al aids heeft, gaat voortaan door het leven als 'de criminele advocaat Oscar H.' (“O.H. klonk kennelijk te lullig”). Hij wordt tweemaal vrijgesproken, voor het laatst in juni van dit jaar. Centrale rol in de zaak spelen een Surinaamse rijsthandelaar (Shyam G.) en een fiscalist van Deloitte & Touche in Alkmaar (Rob B.). Hammerstein werkt al acht jaar samen met de fiscalist als deze zich in 1991 tot hem wendt met een probleem dat de rijsthandelaar met justitie heeft.

De rijsthandelaar heeft 17,5 miljoen gulden van een rekening bij de Femisbank laten overboeken naar Zwitserland als Femis op de rand van een faillisement is beland. De Nederlandse justitie legt echter beslag op de Zwitserse rekening van de rijsthandelaar. Het geld zou zijn verdiend met criminele handel.

De rijsthandelaar verzoekt Hammerstein het beslag ongedaan te maken. Op verzoek van de Zwitserse advocaat van de rijsthandelaar is Hammerstein betrokken bij het opstellen van een notariële verklaring waarin wordt vastgelegd dat de rijsthandelaar het geld heeft verdiend met zijn reguliere werk.

In februari 1994 wordt de fiscalist aangehouden op de verdenking lid te zijn van een drugsbende. Hij is ook de financieel adviseur van zijn buurman, een scheepvaartondernemer (Leo T.), die dan al maanden in voorarrest zit omdat op een van zijn schepen verdovende middelen zijn ontdekt. De rijsthandelaar heeft een financieel belang in het bedrijf van de de scheepvaartondernemer.

In de cel gooit de fiscalist de zaak over een andere boeg. Hij verklaart dat de 17,5 miljoen niet van de rijsthandelaar zijn en dat Hammerstein daarvan op de hoogte was toen de notariële akte werd opgesteld. De rijsthandelaar legt die dagen een zelfde verklaring af. Later blijkt dat de fiscalist zijn lezing heeft gegeven nadat justitie hem beloofde dat hij dan slechts zal worden vervolgd wegens valsheid in geschrifte.

Hammerstein tekent tijdens zijn verblijf in de cel een brief waarin hij uit de maatschap van Boekel de Nerée treedt. Hij komt na zes weken op vrije voeten. Inmiddels is er ontlastend bewijs gevonden. Notulen van een eerder overleg tonen aan dat Hammerstein is verteld dat het geld aan de rijsthandelaar toebehoort. Het openbaar ministerie stelt op de zitting dat Hammerstein juist wel wist dat het drugsgeld niet van de rijsthandelaar was. De rechtbank spreekt hem in december 1994 op alle punten vrij. Het hof plaatst op de vrijspraak evenwel de kanttekening dat hij 'onzorgvuldig en lichtvaardig' heeft gehandeld omdat hij heeft nagelaten de herkomst van het geld te onderzoeken.

Hammerstein dient een klacht in bij de Orde van Advocaten omdat Boekel de Nerée onbehoorlijk zou hebben gehandeld. Van De Telegraaf (“door hun schandelijk geschrijf”) en de staat eist hij schadevergoeding. Zijn verzoek tot schadevergoeding van de staat (1,2 miljoen) is deze week afgewezen.

    • Tom-Jan Meeus
    • Frénk van der Linden