Monniken

LUDO J.R. MILIS: Hemelse monniken, aardse mensen

236 blz., Ambo/Hadewijch 1995, ƒ45,-

Vooruitgang en middeleeuwen, het lijken onverzoenlijke begrippen. De middeleeuwer geldt als een pessimist, op zoek naar heiliging door berusting in zijn lot. Veranderen betekent de geschapen orde aanpassen, een teken van hovaardij, de moeder van alle zonden. Toch hebben historici vaak gewezen op allerlei ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen in deze periode. Die zouden vooral te danken zijn aan de slagvaardigheid van benedictijnen en cisterciënzers: ontginning van landbouwgronden, armen- en ziekenzorg, opvang van vluchtelingen en daklozen, correcties op het waardensysteem.

Ludo Milis, Gents hoogleraar in de geschiedenis, blijkt in zijn onlangs verschenen Hemelse monniken, aardse mensen minder onder de indruk van de monastieke inbreng in de schuchtere ontwikkelingen van die dagen. In zijn boek probeert hij de werkelijke betekenis van het abdijwezen voor de middeleeuwse maatschappij te ontrafelen. Wat heeft de samenleving eraan gehad dat een half procent van de bevolking zich terugtrok uit de wereldse alledaagsheid, en vrede nam met een leven van gebed en gedisciplineerde arbeid? Deze vraag is overigens totaal misplaatst. Benedictus, de vader van het Westerse monnikendom dacht er niet aan centra voor wereldverbetering te stichten. Veeleer dacht hij aan een toevluchtsoord, een refugium voor wie een mogelijkheid zocht op een haalbare manier een voor God welgevallig leven te leiden. Toch vindt Milis het nodig haar te beantwoorden, precies omwille van de hardnekkige traditie die de abdijen een wezenlijke en zelfs bewuste invloed op bepaalde toestanden toedicht.

Abdijen, zo luidt zijn fundamentele stelling - waren in de eerste plaats geïsoleerde oorden, waar men het evangelie wereldvreemd beleefde, met de bedoeling zichzelf de hemel in te heiligen. Kloosterorden hebben slechts op een bescheiden schaal nieuwe landbouwgrond geschapen, en zeker niet vanuit een op de samenleving gericht aanstekelijk dynamisme. Ze waren het werk van cisterciënzers die in de tijd van religieuze verdieping (12de eeuw) 'de woestijn' zochten: onbewoonde en dus onontgonnen gebieden.

Liefdadigheid was wel degelijk een post in de kloosterbegroting. Maar de bewaarde cijfers laten niet toe te spreken van armoedebestrijding. De werken van barmhartigheid overschreden volgens Milis niet het zaligmakende minimum. Wat een geluk dat er armen zijn, parafraseert hij Cesarius van Arles, want door onze aalmoezen slechts ontvangen we vergeving van de zonden. Subtieler wordt de schrijver waar hij aantoont hoe het monnikendom een wezenlijke functie had in de bestendiging van het bestel. De gewoonte van de adel om de tweede of de derde zoon naar de gezworen kinder- en eigendomloosheid te verwijzen ging een verbrokkeling van het grondbezit tegen.

In het verlengde daarvan past de kanttekening van Milis bij de invoering van de biecht door het concilie van Lateranen in 1215, een geval van vermeende monastieke invloed. Weliswaar stamt de biecht uit de abdijen, maar de veralgemenisering van het scrupuleuze gewetensonderzoek was niet echt welkom. Zij bloeiden immers bij de schenkingen van edelen. In ruil baden zij voor de ziel van de schenkers, toentertijd de enige manier waarop de rijke zijn erfelijke zondigheid kon compenseren. De biecht vroeg echter een besef van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor de zonden en een belijdenis. Zich van zijn zondigheid ontdoen door een losprijs leek nu minder zinvol.

Milis' beeld van het monnikendom is dat van een kaste-geestelijkheid, hautain en conservatief. Het ontstaan van de bedelorden heeft zo alles te maken met de toestand in de traditionele kloosters. Zij vulden een leemte. Zij hadden succes omdat ze zich wel voor de mensen interesseerden.