Midden-Europa geeft economie nieuwe zuurstof

Het Centraal Planbureau presenteerde in 1992 vier scenario's voor de mogelijke ontwikkeling van de economie. 'Paars' baseerde er het regeerakkoord op; het rekenwerk speelde een rol bij de besluitvorming over belangrijke projecten als Schiphol. Sinds de publikatie van de blauwdrukken is er veel veranderd. De val van het communisme heeft van Europa ineens een hot spot gemaakt. De Japanse economie groeit minder onstuimig als voorspeld, Midden-Europa zorgt onverwacht voor impulsen. Het voorspellen van de toekomst blijft een hachelijke zaak.

In 1992 verschenen onder verantwoordelijkheid van de toenmalige directeur van het Centraal Planbureau (CPB) Gerrit Zalm twee invloedrijke rapporten, Scanning the future en Nederland in Drievoud. Op basis van vier scenario's voor de wereldeconomie werden mogelijke ontwikkelingen voor de toekomst geschetst. Ze speelden een belangrijke rol bij de opstelling van de verkiezingsprogramma's van vrijwel alle partijen en bij de totstandkoming van het paarse regeerakkoord in 1994. De geestelijk vader van de twee rapporten, Gerrit Zalm, trad zelf als minister van financiën toe tot het kabinet.

Volgens de opvolger van Zalm als directeur van het Planbureau, Henk Don, is er sinds 1992 niet veel veranderd. De vier scenario's zouden volgens hem nog uitstekend voldoen. Om het geheugen op te frissen:

1. Global Shift. Dit scenario wordt gekenmerkt door een dynamische technische ontwikkeling en een verschuiving van het zwaartepunt in de wereldeconomie naar de Pacific Rim. Daarvan profiteren met name Noord-Amerika en Japan, met jaarlijkse groeicijfers van het bruto binnenlands produkt over de periode 1990-2015 van respectievelijk 3,4 en 4,3 procent. De Aziatische tijgers Zuid-Korea, Hongkong, Singapore en Taiwan groeien zelfs dubbel zo hard.

2. Balanced Growth. Als gevolg van internationale samenwerking presteren de economische regio's ongeveer even goed. De welvaart in Noord-Amerika, Europa en Japan groeit jaarlijks met zo'n 3 procent. In de rest van Azië, Afrika en Latijns Amerika gaat het nog veel harder. Er is sprake van wat het CPB noemt 'multipolaire economische groei.

3. In European Renaissance maakt, zoals de naam al doet vermoeden, Europa een bloeiperiode door. Met 2,8 procent produktiegroei per jaar doet Europa het relatief beter dan Noord-Amerika (1,8 procent). Grootscheepse hervormingen van de welvaartsstaat zijn hier debet aan. Toch blijft de groei in Europa achter bij die in bijvoorbeeld Japan, dat door het CPB op 3,7 procent is gesteld.

4. Bij het horror scenario Global Crisis beleeft de wereldeconomie over een breed front een 'langzame maar zekere neergang'. De Verenigde Staten kampen met een geringe groei van de produktiviteit en aanhoudende tekorten op de begroting en de handelsbalans. Europa doet het niet veel beter. De Europese eenwording stagneert en de gematigde economische groei leidt tot toenemende werkloosheid. Vreemd genoeg doet Japan het ook in dit scenario evenals in de vorige drie onverminderd goed, met een jaarlijkse groei van rond de 3 procent.

Nalezing van de twee dikke boekwerken leert dat er, in tegenstelling tot wat CPB-directeur Don beweert, sinds 1992 wel degelijk veel is veranderd. De Japanse economie groeit niet zo voorspoedig als het CPB in alle scenario's voorziet. De ironie wil dat vanaf het jaar dat de twee studies verschenen, in Japan sprake is van een groeicrisis. In 1993 nam de Japanse welvaart zelfs iets af, terwijl vorig jaar een magere 0,5 procent groei werd gerealiseerd. Voor 1995 heeft de OESO voor het land van de rijzende zon 0,3 procent groei ingeboekt. Daarna gaat het volgens de Parijse rekenmeesters weer wat beter. De Japanse groeimachine vertoont haperingen die door het CPB niet waren voorzien.

Een ander in het oog springend verschil is dat de landen in Midden-Europa veel harder groeien dan het CPB in 1992 voorspelde. In de vier genoemde scenario's werd rekening gehouden met jaarlijkse groeicijfers van 0,2 (Global Shift), 2,7 (Balanced Growth), 2,3 (European Renaissance) en minus 1.6 procent (Global Crisis). Met name de meer noordelijk gelegen landen van Midden-Europa (Polen, Tsjechië) groeien in 1995 en 1996 met naar verwachting 5 procent veel harder dan verwacht. Ook is de inflatie in een aantal landen veel eerder onder controle gebracht dan een aantal jaren geleden nog voor mogelijk werd gehouden. Polen en Tsjechië hebben zich ontwikkeld tot economische tijgers, die niet onderdoen voor die in Azië.

Een andere onvolkomenheid van de CPB-scenario's is dat in alle toekomstschetsen, behalve Balanced Growth, sprake is van verschillen in groei tussen de onderscheiden regio's. De laatste jaren zien we echter vrij uniforme groeicijfers. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voorziet in de afgelopen dinsdag gepubliceerde Economic Outlook voor 1997 vrijwel in alle landen een groei van 2,5 à 3 procent. Hoge groeicijfers zijn geen monopolie van Zuid-Oost Azië, zo blijkt. Als op dit moment een keuze gemaakt moet worden uit de vier scenario's, dan maakt European Renaissance veel kans als de meest realistische uit de bus te komen. Daarvoor zijn twee redenen aan te voeren: de sterker dan verwachte integratie van de Europese Unie en de rappe ontwikkeling van de Midden-Europese landen op de drempel van diezelfde EU.

Het sinds de val van de Berlijnse muur in november 1989 opgeveerde Midden-Europa levert het door hoge loonkosten en starre sociale structuren geplaagde West-Europa nieuwe zuurstof in de vorm van lage lonen en extra vraag naar goederen en diensten. Hoe groot het verschil in loonkosten tussen West- en Midden-Europa is blijkt uit een in augustus '95 verschenen Oostenrijkse studie van het Wirtschaft Forschungsinstitut (WIFO). Duitsland, Oostenrijk en Nederland zijn de onbetwiste koplopers als het gaat om de loonkosten per uur van produktiepersoneel in de industrie. In West-Duitsland bedroegen de loonkosten per uur in 1994 gemiddeld 310 Oostenrijkse shilling, dat is bijna vijftig gulden (1 shilling = 16 cent). In Groot-Brittannië lagen ze bijna de helft lager, terwijl buurland Polen met 25 shilling 12,5 maal goedkoper was dan Duitsland. Geen wonder dus dat Duitse fabrikanten op grote schaal werk uitbesteden aan en produktie verplaatsen naar goedkope buurlanden.

Simpel werk is op dit moment het belangrijkste Duitse exportprodukt. Ook Nederlandse ondernemers hebben de autowegen naar Midden-Europa ontdekt. Door eenvoudig jobberswerk uit te besteden verbetert de concurrentiekracht van de Westerse bedrijven. De Midden-Europeanen krijgen meer werk en besteden de verkregen inkomsten voor een groot deel aan westerse goederen en diensten. De slachtoffers zijn de West-Europeanen die eerst het eenvoudige werk deden.

Werd drie jaar geleden nog uitgegaan van groeiende dominantie van Zuid-Oost Azië, inmiddels is een kentering merkbaar. Dat kan worden opgemaakt uit een wereldkaart die Philips Electronics hanteert om de ontwikkelingen van de laatste drie decennia van deze eeuw te schetsen. De landkaart heeft betrekking op de minimalisering van produktiekosten in de consumentenelektronica. In de jaren zeventig werden produktielokaties verplaatst van Europa en Japan naar Singapore. Het daarop volgende decennium verhuisde de produktie van daaruit en vanuit de VS naar Maleisië, Indonesië en Mexico, die toen golden als het Eldorado van op lage lonen jagende ondernemers. Nu, in de jaren negentig, is een derde stroom op gang gekomen naar China en Oost-Europa.

Ondernemingen als Philips halen produktie terug vanuit Azië naar Midden-Europa. Niet alleen zijn de loonkosten per uur in Polen, Tsjechië, Slowakije, Bulgarije en Roemenië inmiddels lager dan in Korea, Taiwan en Singapore, maar er worden ook transport- en communicatiekosten uitgespaard. De kostprijs van consumentenelektronica bestaat overal voor ongeveer 70 procent uit materiaal (grondstoffen, halffabrikaten).

De loonkosten in Europa stijgen ver uit boven die in Zuid-Oost-Azië en Oost-Europa, maar een deel daarvan wordt goed gemaakt door lagere vracht- en verzekeringskosten en door de omstandigheid dat invoerheffingen elders hoger zijn. In landen als Oostenrijk en Nederland bedraagt die laatste kostenpost slechts 2 procent van de totale kostprijs, zo heeft Philips uitgerekend. In Maleisië en Hongarije zijn vracht, verzekering en invoerheffing goed voor respectievelijk 19 en 13 procent van de totale kostprijs. Alles bij elkaar genomen ligt de kostprijs in Oostenrijk 5,8 procent boven die in Maleisië en 6,4 procent boven die in Hongarije. Geen verschillen die een grootscheeps vertrek van produktie vanuit Europa naar Azië rechtvaardigen. Als bedrijven als Philips op dit moment kiezen voor produktie in Azië, dan heeft dat als reden dat men dichtbij deze grote markt wil produceren. Net zo goed als het ook interessant is om dichtbij de Europese en de Noord-Amerikaanse markt produktielokaties te hebben. Zo ontstaat een trojka. Drie regio's, die allemaal even belangrijk zijn.

De president van De Nederlandsche Bank, Wim Duisenberg, merkte op 13 december tijdens het jubileumcongres van de Nederlandse Vereniging voor Management dan ook op dat het 'onjuist is te spreken van globalisering, aangezien de belangrijkste economische relaties van landen nog steeds binnen hun eigen regio liggen'. Dat geldt ook voor Nederland. De afgelopen vijf jaar vond driekwart van de Nederlandse uitvoer een bestemming in de Europese Unie en was ongeveer 60 procent van de invoer uit de EU afkomstig. Van de Nederlandse uitvoer ging slechts 1,6 procent naar Zuid-Oost Azië en 0,9 procent naar Oost-Europa, terwijl respectievelijk 2,8 en 0,9 procent van de Nederlandse invoer uit die twee dynamische gebieden kwam. Nederlandse bedrijven investeren voor 65 procent in de EU, terwijl driekwart van de buitenlandse directe investeringen in Nederland uit diezelfde EU afkomstig was.

Dat Europa meer economische potentie heeft dan Noord-Amerika en Azië is een kwestie van massa. In de Europese Unie wonen 350 miljoen consumenten. Als de Midden-Europese landen straks lid worden van de EU komen daar nog eens 70 miljoen mensen bij. Daarmee is Europa verreweg de koopkrachtigste markt van de wereld. De VS en Canada tellen samen 286 miljoen consumenten, terwijl Japan, Thailand, Maleisië en Zuid-Korea met elkaar op 226 miljoen inwoners komen. China telt weliswaar in zijn eentje meer consumenten dan de genoemde regio's bij elkaar (1,2 miljard), maar die hebben per hoofd nog bitter weinig te besteden. De loonkosten in China bedragen 2 procent van die in Nederland.

De val van het communisme heeft van Europa ineens een hot spot gemaakt. Niet dat de landen in Midden-Europa en de voormalige Sovjet-Unie al veel te besteden hebben, maar dat kan snel veranderen. De levensstandaard in Midden-Europa is nu ruwweg een derde van het Europees gemiddelde. Naarmate Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Frankrijk meer banen en inkomen oostwaarts brengen, ontstaat daar vanzelf meer koopkracht. Daardoor krijgt Europa een ongekende Keynesiaanse dynamiek.

Het verschil is welvaart tussen sommige Midden-Europese landen en sommige EU-landen is overigens minder groot dan vaak wordt aangenomen. De Polen waren in 1993 volgens cijfers van de Wereldbank per hoofd van de bevolking half zo welvarend als de Portugezen. De Portugezen hadden per jaar 10.000 dollar te besteden, de Polen 5.000 (ter vergelijking: de Duitsers verdienden per hoofd van de bevolking 21.000 dollar, zo'n 35.000 gulden). Nu de toevloed van kapitaal vanuit de welvarende Europese landen in landen als Polen groter wordt, lijkt de afstand met bijv. Portugal overbrugbaar.

Amerikanen die Europa bezoeken verbazen zich over het feit dat de Europeanen zich zo weinig bewust zijn van hun economische macht. Zo stelde de Amerikaanse futuroloog Joe Coates eind november in deze krant dat het hem enorm opwindend lijkt om in het huidige tijdsgewricht Europeaan te zijn. “De Europese Unie ontwikkelt zich heel snel”, aldus Coates, die door minister Wijers (Economische zaken) was uitgenodigd om de jaarlijkse Technology Lecture te houden. Elk probleem dat overwonnen wordt is volgens Coates een teken van vooruitgang. Zijn optimisme spoort met dat van Duisenberg en CPB-directeur Henk Don. “Een ontwikkeling die ik in de 21e eeuw zie”, aldus Duisenberg tijdens de eerder aangehaalde toespraak, “is een verdieping van de EU met het lidmaatschap van Centraal- en Oosteuropese landen.” Don houdt er blijkens een artikel in het recent verschenen boek Kracht en zwakte van de Nederlandse economie rekening mee dat 'de EU in fasen uit kan groeien tot een Unie met zeker 27 lidstaten'. Don en zijn mede-auteur, CPB-medewerker André de Jong, achten de invoering van een gemeenschappeleijke munt in het kader van de Economische en Monetaire Unie in zes tot acht landen in 1999 'zeker binnen bereik'.

De voortgaande eenwording van Europa heeft grote economische voordelen, die door Don c.s. vergeleken worden met de positieve effecten van internationalisatie. Het zal echter ook tot sociale problemen leiden. Zo zal de positie van de laaggeschoolden onder grote druk komen te staan. Dat klemt te meer omdat aan de scherpe daling van het aanbod van laaggeschoolden een einde is gekomen. Bij ongewijzigd beleid zal dit volgens de CPB-economen leiden tot een stijging van de werkloosheid onder laaggeschoolden. Een andere optie is volgens Don en De Jong meer flexibilisering aan de onderkant van de arbeidsmarkt via hervormingen in de sociale zekerheid en de loonvorming. Dat laatste zal volgens hen tot meer working poor leiden. “De huidige onbevredigende situatie met veel inactiviteit wordt dan verruild voor de Amerikaanse situatie”, aldus Don en De Jong. Als uitweg uit dit dilemma noemen de CPB-economen onder meer onderwijs en training. Een andere optie wordt gesuggereerd door zowel de Amerikaan Coates als Philips: protectie.

Volgens Philips zijn er twee keuzemogelijkheden. Ofwel Europa geeft prioriteit aan vrijhandel. Dat betekent: aanpassing aan de loonkosten in Oost-Europa en het Verre-Oosten. Ofwel Europa geeft de voorkeur aan wat men noemt Way of life, een goed leven. En dat zal volgens het elektronicaconcern leiden tot protectionisme. Volgens Coates is het onzinnig dat Europese werknemers concurreren tegen 'koelies' uit Singapore die 20 cent per uur kosten. Het zou alleen maar leiden tot vraaguitval. Dan kun je volgens hem beter de grenzen van Europa sluiten en kiezen voor wat Philips 'het goede leven' noemt.

In Scanning the future heeft protectionisme een negatieve connotatie. In het Global Shift scenario, waarbij de gebieden rond de Pacific fungeren als economische magneet, probeert Europa te redden wat er te redden valt door de creatie van een 'Fort Europa'. In European Renaissance, waar Europa domineert, is het de beurt aan Noord-Amerika om zich als Fortress America af te schermen. In beide gevallen loopt het verkeerd af. In het Global Crisis-scenario wordt de economische teruggang volgens het CPB grotendeels veroorzaakt doordat 'de belangrijkste regio's in de wereld degenereren in antagonistische protectionistische blokken'.

De praktijk gaat in een andere richting. Noord-Amerika heeft zich door middel van hoge tariefmuren afgeschermd van de rest van de wereld. Voor Japan geldt hetzelfde. Van een gecoördineerde afscherming van Europa is nog geen sprake, hoewel autofabrikanten en producenten van elektronica, zoals Philips, daar in het verleden veelvuldig voor hebben gepleit. Voorlopig is Europa echter vooral bezig met zichzelf; met 'verdieping' en uitbreiding van de Unie. Op 15 en 16 december hebben de regeringsleiders, het Franse staatshoofd, de ministers van buitenlandse zaken en financiën van de Europese Unie in Madrid nieuwe stappen gezet op weg naar een Europese Renaissance. Juli 2002 zullen de nationale valuta's in de lidstaten die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie volledig vervangen zijn door de Europese euro. De Duitse Bondskanselier Helmut Kohl heeft kenbaar gemaakt dat hij Polen, Tsjechië en Hongarije graag snel ziet toetreden tot de EU. De volgende stap kan protectionisme zijn. Toenmalig CPB-directeur Zalm hield er in 1992 al rekening mee dat zijn scenario's niet uit zouden komen. “Het zijn maar vier mogelijkheden uit velen”, schreef hij in Scanning the Future. Het voorspellen van de toekomst blijft een hachelijke zaak. Over drie jaar kan alles al weer anders zijn.