Kerstmis achter gegalvaniseerd hekwerk

Het is midwinter. Ik sta in het erkertje van mijn rijtjeshuis en inspecteer het publieke domein dat zich links en rechts van mijn woning uitstrekt. Op het eerste gezicht ziet alles er goed uit. Aan iedere deur hangt een strooien krans met zilveren klokjes, hulst, en een toefje spuitsneeuw, achter ieder raam glinstert een kleurige kerstboom, en in alle voortuintjes feesten de coniferen mee met slingers vrolijke lichtjes. Al dat geschitter moet het hart van een toevallige stadswandelaar met grote blijdschap vervullen. Want hier heerst vrede, hier is iedereen van harte welkom. En wat hem op zijn verdere wandeling bovenal pleziert is dat het trottoir tot in de kleinste voegen met het hondeschepje is schoongeschraapt. In deze onopvallende buitenwijk van deze onopvallende provinciestad wonen in dit rijtje onopvallende huizen opvallend goede burgers die in deze donkere dagen de aan hen toevertrouwde openbare ruimte hebben ingericht als een feestzaal voor eenzamen en verdoolden.

Op dit uitzicht zou ik, als ik minister-president van Nederland was, buitengewoon trots zijn. Hier te mogen wonen zou mij sterken in de overtuiging dat het sociale paradijs voor iedereen bereikbaar is. En dat dat paradijs zonder veel moeite te vinden is in de buik van de natie: het brede maatschappelijke midden waar burgers hun eigenbelang zo moeiteloos verbinden met de zorg voor een schone en gelukkige straat.

Maar ik ben geen visionair landsbestuurder, doch slechts een eenvoudige buurtbewoner, die weliswaar trouw zijn rolemmer buiten zet, zijn stoepje veegt, zijn auto wast en zojuist ook zijn kransje aan de voordeur bevestigde, maar daarmee nog niet het geluk deelachtig wordt dat volgens de moderne politiek de uitkomst moet zijn van al deze plichtsbetrachting.

Integendeel, hoe meer ik uit mijn raam kijk naar de vrolijke warmte buiten, hoe vreemder mij dit jaar de kerstgedachte voorkomt. Het uitzicht roept in mij helemaal geen welbehagen op, maar eerder schaamte en stil verdriet. Want naast de uitbundige kerstdecoratie is er in deze donkere week nog iets anders toegevoegd aan het straatbeeld. Voor wie goed kijkt grijnst het vals op de achtergrond. Zeker, het is net zo goed een produkt van onze gemeenschapszin, en iedere bewoner staat er volledig achter, maar het zal, als straks de feestverlichting is binnengehaald, de sfeer in de straat 180 graden doen omslaan.

Deze week zijn namelijk de hekken geplaatst.

Grote gegalvaniseerde traliehekken met stevige sloten en blinkende punten. In totaal tien stuks. Zij zijn gisteren door norse mannen van de Hekken Industrie Holland stevig in de grond verankerd. Met als resultaat dat voor het eerst in de zestigjarige geschiedenis van onze straat de poorten niet meer vrij toegankelijk zijn. Het schemerig labyrinth van schuttingen, waar drie generaties kinderen joelend in en uit renden, waar ze verstoppertje speelden, waar ze ongestoord hun gestolen sigaretten konden roken, waar ze hun vijanden versloegen en vrienschappen bezegelden, kortom dat rijk der vrijheid waarover het pedagogisch regiem niets te zeggen had is met ingang van deze Kerst door een doeltreffend burgerinitiatief Sperrgebiet geworden. Het initiatief werd genomen vlak na de grote vakantie. Twee buurtbewoners kwamen aan de deur met een handtekeningenlijst, en ernstige gezichten. Ze wilden iets doen tegen de verloedering van de buurt, want dat liep, naar hun zeggen, de spuigaten uit. Ze hadden voor de aardigheid eens bijgehouden bij wie er allemaal in de zomer was ingebroken, hoeveel vreemde elementen gesignaleerd waren, en waar precies verdachte tabaksresten, pillen en condooms aangetroffen waren in de poorten en stegen van onze wijk. Uit hun verhaal bleek zonneklaar dat de straat gedurende onze afwezigheid bijna geheel verzwolgen was door een plotselinge golf criminaliteit die vanuit de binnenstad eerst door onze poorten en toen over onze achtertuintjes naar binnen was gespoeld. Alleen stevige hekken konden dit gevaar in de toekomst keren. Ze lieten een aanbevelingsbrief zien van de teamchef van het basisteam dat de zorgtaak voor onze wijk uitvoert. Deze inspecteur van politie vond het ook een prachtig idee, want, zo schreef hij, door zijn mannen kon 'wegens de hoeveelheid van werkaanbod niet overal en altijd afdoende worden gesurveilleerd'. Hekken zouden zonder meer een preventieve werking hebben en bijdragen tot een veiliger leefklimaat, meende de teamchef. Mijn twee buren produceerden daarop een offerte van een firma die de gewenste hekken met groepskorting kon leveren. Ik zou voor zo'n stuk extra veiligheid niet meer kwijt zijn dan 245 gulden, inclusief BTW. Op voorwaarde dat alle vijfentachtig gezinnen mee zouden doen. Anders werd het vanzelfsprekend een stuk duurder.

Natuurlijk tekende ik. Als socioloog kende ik de onverbiddelijke wetten die in zo'n geval de collectieve actie sturen. Niet tekenen zou gelijk staan aan het tekenen van het sociale doodsvonnis van mijzelf en mijn gezin. Ik zou als profiteur gebrandmerkt worden, die zijn buren op hogere kosten jaagt, en daarvan zelf de vruchten plukt. Met zo'n stigma valt in een Nederlandse woonwijk eenvoudig niet te leven. En natuurlijk tekenden alle andere bewoners daarom ook.

Sindsdien werd er niet meer ingebroken, noch via de voor-, noch via de achterzijde, werd er geen condoom meer gevonden en was bijna iedereen in de straat de hekken vergeten. Totdat gisterochtend de mannen met hun vrachtwagen vol rammelend staal plotseling de straat indraaiden. In de vroege avondschemering waren ze klaar en stonden de rijtjes huizen voor altijd aan elkaar vastgeketend met grimmig traliewerk.

In deze strafgevangenis, waar ik zelf nota bene voor getekend heb, moet het over twee dagen Kerstmis worden. Hoe de lichtjes ook stralen, en hoe de klokjes ook klingelen, ik kan me daar niets bij voorstellen.