Jord Honig, 20 jaar. Soldaat 1e klas bij de Bravo-compagnie; Iemand zei: de eerste moslim die langs het hek komt schiet ik neer

De eerste keer dat ik iemand heb vergeven was geloof ik op school. Dat je in de klas aan iemand vroeg of je zijn gum mocht lenen, en dat dat dan niet mocht. Als ik een week later dan wel een gummetje had, en diegene wilde hem van mij hebben dan zei ik: “Ja hoor je mag hem wel, ík doe niet zo moeilijk.” Dat was vergeving met een lesje. Toen ik het afgelopen jaar in Srebrenica was moest ik daar wel eens aan denken. Op een gegeven moment wilden we daar ook wel eens wraak nemen op wat óns werd aangedaan. Maar je moest steeds het goede voorbeeld blijven geven.

In Srebrenica zat ik eerst op observatiepost Echo en later op de compound. Vooral de laatste dagen kregen we er allemaal een verschrikkelijke hekel aan de Bosnische moslims. Ze hebben ons aan alle kanten voorgelogen en bedreigd en ze deden steeds hun best om ons mee te slepen in hun ondergang. Ze scholden ons uit, maakten ons belachelijk. Ze hebben granaten op de compound gegooid. Ze logen over het in bezit hebben van wapens. Wij moesten hen beveiligen, terwijl ze ons in de maling namen. Als de vluchtelingen zagen dat je keek waren ze zó zielig, dan gingen ze zó huilen. Maar zodra je wegliep zaten ze in een hoekje alweer te lachen. Ik heb er nooit in kunnen komen dat de moslims gefrustreerd waren omdat ze in het nauw zaten en dat ze zich daarom zo gedroegen. Want ze zeiden steeds dat ze hun eigen boontjes wel konden doppen. Terwijl hun leger een ongedisciplineerd zooitje was. “Ik zat bij de radio toen ik hoorde dat het fout ging in het pantservoertuig. Raviv van Renssen was een goede vriend van me. Hij was mijn kamergenoot op de kazerne in Assen. We kwamen allebei uit Hilversum, dus meestal reden we samen naar huis. In Srebrenica hebben we ook een kamer gedeeld. Toen hoorde ik ze op de radio zeggen dat Ravivs situatie kritiek was. Op de een of andere manier dacht ik daardoor dat het wel goed zou komen met hem. Want als het kritiek is, dan leef je nog. En hij was inmiddels in het ziekenhuis. Al die apparaten en artsen daar moeten hem toch kunnen beter maken, dacht ik. Maar om vijf uur zei overste Karremans bij het appèl: 'Hij heeft het niet gered'. Ik ben jankend naar mijn kamer gegaan. Daar heb ik eerst heel harde muziek opgezet. Daarna ging ik naar mijn maten in de bar. We hadden allemaal een verschrikkelijk wraakgevoel. Iemand zei: de eerste moslim die langs het hek komt schiet ik neer. Zelf gunde ik ze ook het verschrikkelijkste dat er is. Ik hoopte dat alle moslims die op hun buitenpostjes zaten van de wereld afgeblazen zouden worden.

“Maar dezelfde avond nog kwamen die duizenden moslim-vluchtelingen de compound op. We zeiden tegen elkaar: we zijn nu de mensen aan het helpen die Raviv hebben vermoord. Ik heb brood aan de moslims gegeven dat ik zelf van de Serviërs had gehad. Want wij hadden ook honger. “Klootzakken”, dacht ik toen ik het ze gaf. Maar ze zagen er zo zielig uit. En we hadden het veel te druk om nog aan wraak te denken. Als het op vergeven aankomt ben ik ook heel gemakkelijk ompraatbaar. Ik zal ook nooit zeggen: die wil ik doden. Ik kijk vaak naar oorlogsfilms die over de geschiedenis gaan, dus niet Rambo maar D-Day, of A bridge too far. Wat je in die films ziet, dat je enkel voor je vaderland de ander doodmaakt, dat kan ik me dus niet voorstellen. Maar ik ben ook op en top een militair hoor. Ik doe wat me wordt gezegd. Ze willen dan ook graag dat ik nu ga bijtekenen. Dan is er een kans dat ik binnenkort weer naar Bosnië kan. Daar zie ik niet tegenop. Het kan nooit meer zo erg worden als het toen was, al geloof ik niet dat dat Dayton-verdrag gaat werken. Als het mooi weer wordt, beginnen ze weer. De grootste vijand van dat vredesplan is de wraak. “Tussen de Serviërs zitten natuurlijk ook verschrikkelijke moordenaars. Ik heb dingen gezien ja. Maar die mogen niet in de krant, want we hebben al genoeg modder over ons heen gekregen van de pers. Omdat we er niks tegen gedaan hebben. We kónden vaak niks doen. Bij de Serviërs voelden we ons in ieder geval wel een stuk veiliger dan bij de moslims. De Serviërs hadden de opdracht niet te schieten op VN-militairen, en dat deden ze ook niet. De moslims probeerden ons juist volop onder vuur te nemen. Ik kan ze nog steeds niet vergeven. Of ik de Serviërs kan vergeven weet ik niet. Ik heb ze minder te vergeven. De moslims heb ik een half jaar meegemaakt, en de Serviërs maar een paar dagen. Bijna alle moslim-strijders dachten dat ze Rambo waren en dat ze in hun eentje de oorlog konden oplossen. De Serviërs waren gedisciplineerd en professioneler. Daardoor hadden ze de kans de moslims meer aan te doen. Maar als de moslims de kans hadden gekregen, hadden ze het ook gedaan.

“Raviv en ik praatten altijd veel over wat we meemaakten in Srebrenica. Ik scheerde iedereen over één kam. Raviv dacht er veel beter over na. Hij zag het van alle kanten. Was ook eerder geneigd de moslims te vergeven. Misschien dat ik er daardoor nu anders tegenaan probeer te kijken. Wraak is een logisch gevolg van een eerste gedachte die in je opkomt. Vergeven is toch even doordenken, dat heb ik wel van Raviv geleerd. De moslims in de dorpjes buiten de enclave waren toch wel aardig. Gastvrij ook. Als we bij ze thuis kwamen kregen we de beste stoelen, oliebollen en soms eieren. Die waren daar heel schaars. Ik doe nu mijn best om aan zulke dingen te denken. Maar dat lukt pas sinds een paar weken. En als ik ze op tv zie denk ik soms toch weer: 'Maffe moslims, klootzakken'.”