Je kunt het zakelijk vertellen van de waarheid toch geen wraak noemen; Van Poolse Havenstad tot Theo Schildersnaam

De professionele columnist is een onzichtbaar mens. Daarom heeft hij ook een pseudoniem. Piet Grijs heeft het al druk genoeg met scharrelende prinsen, minister-presidenten en buitenlui, maar begeeft zich naar eigen zeggen niet in particuliere kwesties. En vergeven? 'Als je iemand vergeeft, was het kennelijk niet zo erg'.

Een jaar geleden was ik met de kinderen naar Miami, omdat de kerstbomen daar groter zijn. In Miami is één boekwinkel. In het tijdschriftenrek zag ik dezelfde nummers van de literaire blaadjes Styx en Threepenny Review als het jaar ervoor. Het blad voor de amusementsindustrie Variety hadden ze niet - daarvoor moest ik naar een winkeltje aan het eind van de Lincolnlaan. Inderdaad lag daar nog één nummer van Variety, dat ik onder mijn arm stak. Terwijl ik verder rondkeek, kwam er een meneer bij de kassa die vroeg of ze de Variety van 23 december hadden.

“Nee, die is uitverkocht.”

“U mag de mijne wel hebben”, sprak ik met voor mij ongebruikelijke hartelijkheid. Die kwam misschien voort uit een plotseling besluit om een bepaalde wraak niet uit te voeren. Maar laat ik eerst dertig jaar terug gaan. Dertig jaar geleden nam Nico Scheepmaker, die onder de naam S in het zaterdagbijvoegsel Z van Algemeen Handelsblad schreef, een artikel van mij uit het Hollands Weekblad over omdat hij razend was over wat ik daarin beschreef. Een Amsterdamse psychiater had mij een rekening van negentig gulden gestuurd, die ik te hoog vond. Dat had ik aan Van Poolse Havenstad, zoals ik de psychiater noemde, laten weten. Daarop had hij een deurwaarder naar een oud adres van mij laten schrijven en daarna, tijdens een vakantie, op mijn nieuwe adres mijn huis laten leeghalen. Omdat de duizend boeken en wat meubeltjes te weinig hadden opgebracht, pikte hij mijn girorekening in. Dat had hij ook direct kunnen doen, maar zo was zijn wraak natuurlijk leuker.

Mijn reactie - het allemaal naar waarheid opschrijven en in een literair blad publiceren - kun je geen wraak noemen. Een paar kranten belden de man op wiens naam zij moeiteloos uit Van Poolse Havenstad konden afleiden. Ze kregen te horen dat hij geen enkel commentaar had “omdat het beroepsgeheim was”. Veel vrienden kwamen met interessante plannetjes voor wraaknemingen. Joost Mathijsen vertelde me dat studenten een kwartje op de grond van de collegezaal hadden vastgeplakt en dat Poolse Havenstad zich had gebukt om het op te rapen.

Voor mij had de zaak twee gevolgen. Ten eerste werd aangenomen dat ik nu wel alle psychiaters zou haten. Die denkfout maakte ik niet. Maar omdat anderen dachten van wel, kreeg ik nog jaren brieven met vreselijke verhalen over psychiaters toegestuurd. Zelfs als daar maar een tiende van waar was, dan moest ik nu toch wel een groot deel van de psychiaters haten. Ten tweede zeiden mensen die het met mij aan de stok kregen - ik was inmiddels columnist bij Vrij Nederland geworden - als ze geen argument meer konden verzinnen dat ik nodig weer naar de psychiater moest (aldus politicus J. de Kadt) of erkend psychopaat was (aldus uitgever Sontrop).

Je zou denken dat iedereen het vergeten was. Zelf dacht ik er soms aan, als ik zocht naar een boek dat ik toch echt bezeten had en dat weg was. In de afgelopen maanden publiceerde Poolse Havenstad twee boeken, hield hij twee lezingen, werd hij tweemaal geïnterviewd en kwam Rik Zaal, die voor het Amsterdamse sufferdjeskanaal bij mensen op bezoek gaat, bij hem thuis met een camera. Ik zag zijn naam maar ik herkende hem niet. De camera zwierf over zijn bezittingen maar ik zag er niets van mij bij. De boodschap die de gepensioneerde psychiater uitdroeg was dat we veel meer geld voor de geestelijke volksgezondheid over moesten hebben. Misschien was het die bedelarij die veroorzaakte dat ik door bekenden en onbekenden werd opgebeld om mij op de verrijzenis van Poolse Havenstad te wijzen en om weer allerlei wraakoefeningen te suggereren.

Waarom nam ik geen wraak en doe ik het ook nu niet? Je kunt het zakelijk vertellen van de waarheid toch geen wraak noemen. Ik doe dat niet omdat ik columnist ben. Een columnist neemt de hele tijd wraak. Maar niet vanwege een rekening van negentig gulden en zelfs niet vanwege een inhalige specialist. Juist niet. Een staatsburger die zo iets overkomt mag een ingezonden brief schrijven of gaan klagen bij een van de daartoe georganiseerde programma's op radio of televisie. Een columnist houdt zijn particuliere mond. Ik lees wel eens in een column over een particulier zaakje, een parkeerbonnetje of een gemene onderwijzer, en dan denk ik: 'dat is geen professionele columnist'. Een professionele columnist is wat Nemikouros was in Sparta en Paquino in Rome: hij bestrijdt de oneerlijke politicus, hij wreekt zich op de maffioze zakenman, hij bespot de domme geleerde, hij bestrijdt de racist, en hij is voor het goede en tegen het kwade. Maar de professionele columist zelf is een onzichtbaar mens. Daarom heeft hij ook een pseudoniem.

Voor u nu denkt dat het mij in de bol is geslagen en ik in aanmerking wil komen voor een oranje lintje, neem ik u weer mee naar Miami, waar ik naast de meneer met mijn Variety over de Washingtonlaan loop. Ik vertel hem een sprookje dat ik die middag verzonnen heb. Ik kan het u niet vertellen, want ik heb de rechten verkocht. De meneer die mijn Variety had gekocht, vond het een mooi sprookje. “Misschien”, sprak hij mijmerend, “moet ik het mensen niet zo onmogelijk maken om mij sprookjes te vertellen.” Ik keek hem vragend aan. “Ik heb negen mensen in dienst aan wie de mensen die mij sprookjes willen vertellen, het moeten vertellen.”

Ik keek de meneer met mijn Variety nog eens goed aan. Was dat niet gewoon Steven Spielberg die zijn baardje had kortgeschoren? “Bent u Steven Spielberg?” vroeg ik, en hij zei: “Ja, ik ben Steve Spielberg.” Wat had ik een spijt dat ik niet naar die dinosaurussen of naar die concentratiekampfilm was gaan kijken.

“Zit u ook in de business?” vroeg mijn vriend terwijl we de boardwalk op gingen. Nee. Ik legde hem uit waarom ik dat blad had willen kopen. Het hele jaar 1994 had ik vergooid aan een strijd met een Nederlandse antisemiet die door de rest van Nederland heel grappig werd gevonden omdat hij er zo onsmakelijk uit zag en zulke stomme filmpjes maakte. “Is er veel antisemitisme in Nederland?” “Nee”, zei ik, “maar deze man maakt het heel erg bont en is ook door onze Hoge Raad voor zijn antisemitische uitlatingen veroordeeld.”

“Maar als hij al veroordeeld is, hoef jij toch niet meer achter hem aan te zitten?”

“Hij ontkent doodleuk dat hij veroordeeld is, omdat hij in een nieuwe zaak wegens een vormfout van het Openbaar Ministerie niet voor de Hoge Raad is gekomen. Dat noemt hij vrijspraak en de schrijver van het Nederlandse hoofdstuk in Poliakovs geschiedenis van het Europese naoorlogse antisemitisme heeft die leugen doodleuk opgeschreven.”

“Is die man antisemiet om te provoceren of omdat hij het echt is?”

“Iedereen zegt altijd dat hij alleen maar antisemitisch is om te provoceren. Maar dat vind ik niet minder erg dan iemand die het is omdat hij het echt is. Ik denk dat hij het echt is omdat hij ook, als het hem uitkomt, heel onaangenaam doet over vrouwen en over Turken en Marokkanen. Tot mijn verbazing ben ik de enige die het tegen hem durft op te nemen. Hij heeft een aparte manier gevonden om zich tegen mij te verdedigen. Zo zet hij mijn telefoonnummer in zijn krantje en dan bellen alle antisemieten van Nederland mij op. Ook schrijft hij dat ik aan longkanker lijd, en ik weet werkelijk niet wat ik daar tegenover moet stellen - zeggen dat hij aids heeft? Weet u dat in het Nederlands en het Portugees niet, zoals in alle andere talen, de scheldwoorden uit het seksuele en faecale leven komen, maar aan ziektenamen worden ontleend? Teringwijf, kolerelijer, pokkevent, pestkop, tyfusmeid, wie het roept denkt niet aan TBC, cholera, pokken, pest of tyfus, maar scheldt.”

“En waarom kocht je die Variety?”

“Het gerucht ging, toen ik Nederland verliet, dat hij een seksfilmpje wil insturen naar de Academy Awards en ik dacht aan een advertentie of een ingezonden brief in dat blad om de leden van de Academie te wijzen op de onaangename kant van deze filmer met zijn naam van een beroemde schilder.”

“Jij dacht dat iemand die wegens antisemitisme is veroordeeld daarom minder stemmen zou krijgen van de leden van de Hollywoodse academie?” lachte Spielberg.

We waren aan het eind van de boardwalk gekomen, waar de joggers hun benen tegen het hek zetten alvorens om te draaien. We gingen in de schaduw zitten, op een bankje waar twee figuren uit Singer converseerden in een jiddisch dat aan het begin van deze eeuw al ouderwets zou hebben geklonken. Ik vertelde hem dat mijn vijand, vlak voor ik naar Miami vloog, over een vrouw die een rustige beschouwing aan hem had gewijd, geschreven had: 'Ik vermoed dat die mevrouw in vochtige dromen vaak een beurt krijgt van dokter Mengele' en dat daarop een columnist van NRC Handelsblad, dat velen voor de New York Times van Nederland houden, had gereageerd met een redenering dat de betreffende dame helemaal niet joods was omdat haar moeder dat niet was. Vieze zaak.

Spielberg zei: “Heb je al een nieuwjaarsvoornemen?”

“Nee”, zei ik.

“Neem je voor om het hele jaar 1995 niet meer over die zak te schrijven. Laat een ander het maar doen. Of als niemand het doet, zal die Rembrandt er mee ophouden.”

“Hij zal tegen Turken en Marokkanen gaan schrijven. Dat ligt in Holland veel beter dan tegen joden of homo's.”

“En dat plannetje van je om een actie tegen zijn film te organiseren is helemaal een slecht idee. Het is toch mogelijk dat iemand een slecht mens is en toch mooie films maakt?”

“Ja, die Theo Schildersnaam schrijft ook elke week hoe ongelooflijk geniaal dat takkenwijf Riefenstahl niet was.”“Dat heb ik ook al vaak te horen gekregen, op een toon van: 'Hoor mij eens durven'. Ik heb die nazifilmpjes gezien en het is mooi decoratiewerk maar er zit nu werkelijk helemaal niets filmisch ontroerends in. Best mogelijk dat ze toen geen nazi was, maar na de oorlog was ze het in ieder geval wel. Beloof mij, Hugo, dat je die idiote wraakoefening via zijn filmerij vergeet. Als hij daar succes in heeft, houdt hij vanzelf op met zijn vuilspuiterij.”

“Hij kan daar geen succes mee hebben, omdat hij een vuilspuiter is. Weet je dat hij een roman heeft verfilmd en daarin allerlei schimpscheuten tegen mij heeft verwerkt? Dan mag ik hem toch op zijn eigen terrein...” Ik begreep ineens dat ik dat niet mocht. Ik wist ook weer dat die gedachte al in de tijdschriftenwinkel door mijn hoofd had geflitst toen ik hem dat filmtijdschrift gaf. Ik nam me voor het hele jaar 1995 niet over die smeerlap te schrijven.

Ik heb me aan dat voornemen gehouden. De Groene Amsterdammer, waarvan de hoofdredacteur de antisemiet met Mozart vergelijkt en die zijn rechterlijke veroordeling nooit heeft willen afdrukken, maakte van de zomer een fake-interview waarin Theo Schildersnaam zogenaamd mij ondervroeg, maar ik liet mij niet provoceren. De hoofdredacteur schept op dat dit nummer het best verkochte van het jaar was. Misschien moet hij het eens met een voluit antisemitisch krantje gaan proberen - daar is vast ook geld mee te verdienen.

Ik geloof niet in hemel en hel, maar ik geloof ook niet dat ik zelf aanleg heb voor God. Het laatste oordeel komt geen mens toe en ik heb het al druk genoeg met scharrelende prinsen, minister-presidenten en buitenlui. Het blijft druk. Nauwelijks heb ik die malle Buikhuisen met zijn biologische verklaringen van de criminaliteit tot zwijgen gebracht of de Heren van de Genen staan al weer klaar met hun flauwekul en op het televisienieuws was vorige week een psychiater met het nieuwste snoepje uit Amerika, waarmee hij driekwart van de criminaliteit kan oplossen: het Gebrek-Aan-Aandacht-Kan regel niet uitvullen Syndroom. Tot mijn verbazing heeft hij verder nog geen aandacht gehad maar dat zal niet lang duren.

Wat heeft dit verhaal met wraak te maken? Dat je geen wraak moet nemen. In het geval Poolse Havenstad niet omdat het een particuliere kwestie betrof, om met het nieuwe Groene Boekje te spreken zelfs: een particulierenkwestie. En in het geval van Theo Schildersnaam ben ik er vorig jaar in Florida voor behoed me met een wraak belachelijk te maken.

Wat heeft dit sprookje met vergeving te maken? Helemaal niets. Als je iemand vergeeft, dan was het kennelijk niet zo erg. Een godsdienst die oproept tot vergeving is een godsdienst die graag schuldbewuste schaapjes heeft. Want vergeven kan niet. Wreken kan wel, maar ik raad het u af.