In het strafrecht wordt de wraak gefilterd; Ieder delict vergeldt zichzelf

Met het strafrecht heeft de overheid het monopolie op vergelding en vergeving. Reportage uit de praktijk: waarom 'minne mennekes' meer moeten boeten, verdachten in zedenzaken eerder worden aangevallen, de moordenaar nooit meer alleen is en de magistraat zelf gewelddadig wordt als het om extreem geweld gaat. Straf is een lijden om schuld.

Op 14 december 1872 worden in een Haagse villa de lijken aangetroffen van de rijke weduwe Van der Kouwen en haar dienstbode: van beide vrouwen is de keel doorgesneden. De moord wekt grote verontwaardiging. Twee jaar later bekent de kelner Hendrik Jacob Jut de moord te hebben gepleegd, in samenwerking met zijn echtgenote Christina Goedvolk. Tevergeefs eist de bevolking van Den Haag de herinvoering van de doodstraf, die in Nederland in 1860 - op Johannes Nathan te Maastricht - voor het laatst was voltrokken. Hendrik Jacob Jut krijgt levenslange tuchthuisstraf. Wie sindsdien ooit op een kermis heeft getracht met een hamer de Kop van Jut te verbrijzelen, bedrijft een symbolische variant van een eeuwenoud ritueel: wraak.

Iedere oorlog opnieuw maakt duidelijk dat de burgers overgaan tot eigenrichting zodra het rechtssysteem wegvalt. Wraak en wederwraak vormen er de kern van. Eeuwenlang al probeert de mensheid daarom haar vergeldingsdrang te kanaliseren en te formaliseren. Zelfs het oog-om-oog, tand-om-tand principe uit de bijbelse Wet van de Vergelding - (Exodus 21:24) - vormt geen blinde wraakzucht, maar impliceert dat de pleger van een misdrijf niet onevenredig zwaar mag worden gestraft: geen oog voor een tand. Wraakzucht vormt een van de belangrijkste menselijke hartstochten, al zal tegenwoordig niemand daar meer zo nadrukkelijk voor uitkomen als de confessionele parlementariër De Savornin Lohman die in 1880 naar aanleiding van de moord op een 13-jarige Haagse jongen als volgt voor de herinvoering van de doodstraf pleitte: “Ik behoor tot hen die nog durven zeggen: die misdaad schreit om wraak. Dat is niet nu, maar dat is altijd en dat is overal zo geweest. Het volk eist terecht dat de gerechtigheid gewroken worde, en wij moeten het volk sterken in dat besef, want het is door gerechtigheid dat een volk verhoogd wordt.” Al kreeg De Savornin Lohman nul op het request, in zekere zin is de uitspraak 'Het strafrecht is de geciviliseerde dochter van de wraak' nog altijd van toepassing. Ook in ons moderne strafrecht vormt naast bescherming van de samenleving ('generale preventie') en resocialisatie van de dader ('speciale preventie') het streven naar persoonlijke wraakneming een van de belangrijkste algemene bronnen, al is vergelding geen doel op zichzelf meer. Of, zoals de anti-revolutionaire leider Abraham Kuyper het in 1879 formuleerde: “De rechtsgrond der straf is gelegen in de gedachte der vergelding, als gevorderd door de Goddelijke gerechtigheid. De straf is een kwaad des lijdens, is een leed, als vergelding door de overheid opgelegd. Straf is een lijden om schuld.

''

Extreem geweld Lange tijd was vergelding een vies woord, betoogt mr B.E.P. Myjer, advocaat-generaal bij het gerechtshof in Den Haag. Hij doelt daarmee op de strafrechthervormingsbeweging van de jaren zestig en zeventig, waarbij conflictoplossing en gedragsbeïnvloeding centraal stonden. “Je moest er niet op uit zijn iemand expres leed toe te voegen, louter als vergelding. Inmiddels is die notie achterhaald.” Zelf zegt Myjer altijd te proberen “een minimum aan leed” te veroorzaken, in de hoop “een maximum aan resultaat” te bewerkstelligen. Met één uitzondering: “Als het om extreem geweld gaat, word ik zelf beroepshalve ook gewelddadig.”

Als voorbeeld van die houding noemt hij de 'Deventer kerstmoord' uit het begin van de jaren tachtig. Het is 24 december. In een bankfiliaal zijn vlak na sluitingstijd alleen de directeur en een medewerkster nog aanwezig. Een man belt aan en vraagt of hij toch geholpen kan worden, want hij moet nog vóór kerstmis naar het buitenland. Ze laten hem binnen, waarop de man het tweetal bedreigt. Hij laat de medewerkster de directeur vastbinden en zelf bindt hij haar ook vast. Vervolgens slacht hij ze op gruwelijke wijze af en gaat ervandoor met meer dan een ton. De familieleden van de slachtoffers slaan alarm en al snel worden de lijken gevonden. De dader blijkt gewond te zijn geraakt, want de politie vindt om de paar meter een bloeddruppel in de verse sneeuw. Binnen een uur is de moordenaar opgepakt.

Uit psychiatrisch onderzoek blijkt de dader volledig toerekeningsvatbaar te zijn geweest. Hij had al eens eerder een beroving gepleegd, was toen herkend door getuigen en had voor zichzelf besloten: dat overkomt me geen tweede keer. “Deze man had zijn delict van te voren berekend”, zegt Myjer. “Uit pure hebzucht had hij het er voor over om twee mensen kapot te maken. Hem viel een volledig verwijt te maken.”

Myjer, destijds president van de strafkamer, veroordeelde de dader tot het nog maar zelden gehanteerde wettelijke maximum: levenslange gevangenisstraf. “Als rechter krijg je pijn in je buik als je zo'n straf oplegt”, zegt hij. “Want je beseft hoe ingrijpend die beslissing is. Maar in dit geval kon ik niet anders. Preventie - dat wil zeggen: gedragsbeïnvloeding - was hierbij niet aan de orde. Of je het daarmee pure vergelding mag noemen? Ja.” Dat neemt niet weg dat Myjer ervan overtuigd is dat vergelding eigenlijk geen zin heeft en slechts zal leiden tot wrok bij degene die het moet ondergaan. , Aan de andere kant: iemand die werkelijk zo zinloos geweld heeft gebruikt - voor de kick, voor het geld of voor zijn seksuele genot -, zal moeten weten dat we dat niet pikken.” Getemperde vergelding Vergelding speelt ook bij minder ernstige delicten een rol, al wordt het dan vaak anders geformuleerd: normbevestiging, ergens paal en perk aan stellen, de samenleving beveiligen. Een goed voorbeeld daarvan vormen de straffen die onlangs zijn uitgesproken tegen een aantal leden van de familie Van der Valk, meent prof. mr C. Kelk, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit Utrecht. “Ik denk dat als je die rechter vraagt wat er nu het nut van is de Valken twee jaar op te sluiten, hij daar niet veel meer op kan zeggen dan: 'ik hoop dat ze er iets van leren, maar wat de werkelijke zin is van deze straf weet ik niet.' De twee hoofddoelen in dit geval zijn dat de betrokkenen het wel uit hun kop zullen laten ooit nog zo te handelen en dat de samenleving weet dat belastingontduiking niet wordt gepikt. In die laatste overweging speelt ongetwijfeld het vergeldingsargument een belangrijke rol.” Zeker is in ieder geval dat het vonnis in de zaak Van der Valk bij de betrokkenen als een dreun is aangekomen. Kelk: “In die zin heeft het effect gehad. Ik ben dan ook niet tegen zware vonnissen, maar wel tegen de tenuitvoerlegging daarvan. Dat klinkt hypocriet - en dat is het ook -, maar soms hebben mensen het zo verdrongen dat ze fout zaten dat zo'n klap nodig is. Daar kom je op het punt van de vergeving: je kunt mensen gemakkelijker vergeven als ze getuigen van inzicht in hun delict.” Volgens mr J. Leyten, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, bestaat er een duidelijk onderscheid tussen wraak en vergelding. “Waar het in ons recht om gaat, is dat de wraak wordt gefilterd, zodat er van een getemperde vergelding sprake is”, zo zei hij in 1990 voor de VPRO-radio. “Dat is een kwestie van beschaving. Een rechter gebruikt een aan onze rechtspraak wezensvreemd element wanneer hij in een verkrachtingszaak zijn harde vonnis tracht te rechtvaardigen door te zeggen: Het zal je dochter maar wezen.”

Mevr. mr H.J. Mastebroek, vice-president van de rechtbank in Den Bosch, kent iemand in haar naaste omgeving die het slachtoffer is geworden van een '36-er' (een 'roekeloze, onvoorzichtige of hoogst onvoorzichtige' verkeersdeelnemer, zoals aangeduid in artikel 36 Wegenverkeerswet). “Ik weet dus wat zo iemand nog wel kan en wat niet meer”, zegt de 47-jarige rechter. “Dat plekje in mijn hart raak ik nooit meer kwijt. Maar daarom ben ik nog niet geneigd in 36-zaken consequent aan het maximum te gaan zitten. Als rechter ben ik een professional. Zodra je merkt dat die er niet meer zit maar de persoon, moet je stoppen. Wraak en vergelding maken geen deel uit van mijn juridisch denkkader.

''

Snelrecht In 1992 was Nederland na IJsland het Europese land met het minste aantal gevangenen per honderdduizend inwoners. Sindsdien is er van een kentering sprake. Dat komt voort uit een sterke stijging van het aantal zware delicten, maar ook uit de neiging om steeds strenger te straffen. “De eisen worden hoger”, stelt rechter Mastebroek. “Daar glijd je automatisch in mee. De hele maatschappij wordt minder soft. Tegelijkertijd zijn we steeds meer gebonden aan richtlijnen: iedere kilo heroïne is een jaar, een woninginbraak staat voor twee, drie vuurwapens voor zes maanden. Wij straffen af.” Een enkele keer is ze geneigd een voorbeeld te stellen. “Dat gebeurt”, zegt ze. Ze vertelt over de bestuurder van een Porsche die zijn maat en drie anderen dood reed. “Hoe hard hij reed? Hoe hard kan een Porsche? De officier van justitie zei: dit is doodslag, de rechtbank ook. Dat vind ik getuigen van durf.”

In de jaren zestig en zeventig werd de Nederlandse strafrechtpraktijk gekenmerkt door een buitengewoon hoog niveau van humaniteit ten opzichte van de dader. Later sloeg die houding om. Zo introduceerde oud-minister van justitie Korthals Altes het 'lik-op-stuk'-beleid en het snelrecht. “Hij bedoelde dat we niet jarenlang moeten wachten met iemand te bestraffen”, stelt strafrechtgeleerde Kelk. “Maar zijn connotatie was ook: de volle mep uitdelen. Daar zit een neo-vergeldend element in en als dat een automatisme wordt ben ik daar tegen, want dan verlies je de nuances uit het oog.” Sinds 1 april van dit jaar is de schadevergoedingsmaatregel van kracht, waarbij een veroordeelde los van eventuele hechtenis kan worden verplicht een geldsom aan de staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij. Het slachtoffer heeft dus ook in het strafrecht meer aandacht gekregen. Kelk beschouwt deze maatregel in principe als een goede aanvulling op het strafrecht, tenzij de genoegdoening “het ijzeren uitgangspunt” zou worden. , Dan zou je daar ook vergelding voor kunnen lezen en zo mag het dus niet gehanteerd worden.”

In diverse landen, waaronder Duitsland en België, mogen slachtoffers of hun vertegenwoordigers aangeven wat in hun ogen de hoogte van de straf dient te zijn. Advocaat-generaal Myjer maakte dat mee bij een zitting van het Belgische Hof van Assisen, waarbij juryrechtspraak wordt gehanteerd. Het betrof een zaak tegen een Gentse politieman die zijn vrouw en drie kinderen had doodgeschoten.

Myjer: “Die vrouw was een alcoholica, een kreng van een mens, zo leek het. Haar man komt thuis en die vrouw gooit al een fles naar zijn hoofd als hij nog bij de deur staat. Ze scheldt hem uit en hij raakt dusdanig over de rooie dat hij zijn dienstpistool trekt en haar neerschiet. Vervolgens realiseert hij zich wat hij heeft gedaan, hij loopt de trap op naar zijn slapende kinderen en schiet ze alle drie dood. Vanuit het idee: ik heb jullie moeder vermoord, ik beland voor jarenlang achter de tralies en dus hebben jullie geen toekomst meer. Dat laatste zou bij ons aanleiding zijn om te concluderen: hier is geen sprake van voorbedachte rade, maar van verstandsverbijstering.”

Op de zitting waren de ouders van de vermoorde vrouw, de grootouders van de drie kinderen, aanwezig. Namens hen voerde een advocaat het woord. Myjer, met Vlaams accent: “Leden van de jury. Achter mij bevinden zich de schimmen van hen die er niet meer zijn. Zij liggen in hun graf. De moordenaar staat hier, deze snoodaard, die zijn lieve vrouw en drie bloedjes van kinderen als een jager heeft neergeknald, zoals je een konijn het genadeschot geeft.” De jury oordeelde: vier keer moord met voorbedachte rade. Myjer: “Toen dacht ik: nou nee, zo moet het niet gaan.”

In Nederland worden slachtoffers of hun nabestaanden tegenwoordig nadrukkelijk uitgenodigd op de zitting aanwezig te zijn. “Vooraf zeg ik altijd tegen de familie van een verkeersslachtoffer: wij kunnen niemand terugbrengen, wij kunnen het leed dat u is aangedaan nooit vergelden, we kunnen slechts recht doen en dat is alles”, aldus rechter Mastebroek. Automobilisten die een verkeersongeluk hebben veroorzaakt vraagt ze altijd of ze contact hebben gehad met het slachtoffer of de nabestaanden. “Is iemand zo flink dat hij niet alleen hard kan rijden, maar ook zijn slachtoffer recht in de ogen durft te kijken? Of is het een min menneke die vreselijk moet huilen bij alleen al de gedachte dat hij op bezoek moet bij degene die hij in het ziekenhuis of in een rolstoel heeft gejakkerd?” Bij het vaststellen van de strafmaat laat ze dat meewegen. “Want een 36-er is vaak geen crimineel, het kan ons allemaal overkomen.” Soms maakt Mastebroek mee dat slachtoffers de verdachte willen aanvliegen. “Dat komt het vaakst voor bij zedenzaken. Meestal zien we dat van te voren aankomen.”

Wreed De psycholoog en criminoloog drs. W.H. Derks meent dat het strafrecht in Nederland zich wel “heel erg in de sfeer van rechters, advocaten en deskundigen” afspeelt. “Zoals VN-columnist Jac. van Veen het zegt: het Nederlandse strafrecht is op schrift geraakt. Ook waar het de dader betreft, want die bestaat als mens, maar leidt tegelijkertijd een schaduwbestaan in de dossiers.”

Derks werkte tot 1978 bij het Pieter Baan Centrum en vanaf 1961 34 jaar lang bij de Utrechtse reclassering. Reclasseren is geen vorm van vergeven, meent hij. “Dat klinkt allemaal zo soft, zo christelijk. Zowel wraak als vergeving zijn zinloos, want een gepleegd delict is onomkeerbaar.” Derks betreurt het dat de praktijk om iemand “voor een eenvoudige, klassieke moord” levenslang te geven is verlaten voor de veel gehanteerde combinatie van gevangenisstraf plus terbeschikkingstelling (tbs). “Vroeger stond de daad centraal”, meent hij. “De gedetineerde wist waar hij aan toe was, als hij tweederde van zijn straf had uitgezeten, kwam hij op vrije voeten. Gedetineerden met levenslang kregen gratie. Dat vind ik nog altijd een mooi systeem. Ook als deskundige zit je dan niet aan de wraakzuchtige, maar aan de vergevende kant. Tegenwoordig is de persoon zelf het aangrijpingspunt en dat leidt dan vaak tot tbs. Maar dat kan betekenen dat de hoop om vrij te komen steeds weer vergeefs is. Die onzekerheid beschouw ik als wreed en onmenselijk.” Een groot deel van zijn leven bracht Derks door in het gezelschap van moordenaars en verkrachters. “Veel van hun levensgeschiedenissen zijn als Griekse tragedies”, stelt Derks. “Het lijkt soms alsof ze door het noodlot achtervolgd worden, al zijn ze natuurlijk uiteindelijk zelf degenen die het over zich afroepen. Ieder delict vergeldt zichzelf, de daad neemt wraak op de dader.”

Het 'zieligheidspercentage' bij plegers van zware delicten is vaak hoog, meent Derks. Hij noemt het voorbeeld van een jonge boerenzoon die onterfd wordt, omdat zijn ouders hem ongeschikt achten het bedrijf over te nemen. Een jongere broer krijgt de voorkeur. Uit wraak steekt de oudste zoon de boerderij in brand. De hele familie en alle beesten komen om. “Die man riep mededogen op, omdat hij totaal verslagen was”, herinnert Derks zich. “In zekere zin had hij zich het leven benomen, door alles te vernietigen wat hij bezat.”

Daders en slachtoffers blijven onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat realiseerden zich ook de grootouders van een vermoord kind, die de Utrechtse psychiatrische kliniek bezochten waar de moordenaar - een debiele jongen - was opgenomen. Op de vraag naar de reden van hun komst, antwoordde het bejaarde echtpaar: “Ach, ons kleinkind is dood, maar dit kind leeft nog.” Derks: , Noem je dat vergeving? Ik weet het niet. In ieder geval is het zo dat de vermoorde altijd doorleeft in de geest van de moordenaar.”

Enkele decennia geleden kwamen volgens Derks veel vaker dan nu de woorden 'barmhartigheid' en 'vergeving' ter sprake. “Hetzelfde geldt voor schuld en boete. Daar hoor je nooit iets over, terwijl voor de daders die begrippen heel betekenisvol zijn. De morele schuld is vaak veel groter dan de juridische.” Ooit liep Derks met een meervoudige moordenaar door de gang van de observatiekliniek. Plotseling draaide de man zich om en zei: “Waarom daalt de wraak van de goden nu niet op mij neer?” Derks: “Een huiveringwekkende uitspraak die de verschrikkelijke leegte duidelijk maakte waarin deze man zich bevond.”

Soms willen daders hun excuses aanbieden aan hun slachtoffer of de nabestaanden. “Meestal komt dat er niet van”, stelt Derks. “De slachtoffers zijn er zelf niet van gediend, en een primitief geschreven briefje van een moordenaar werkt absoluut niet positief.”

Onvermurwbaar Advocaat-generaal Myjer meent dat er soms iets is goed te maken, dienstverlening in plaats van gevangenisstraf kan daartoe een middel zijn. Een van Myjers collega's liet ooit aan een slachtoffer van een verkrachting een sieraad geven door de dader. Myjer: “Dat ging natuurlijk veel te ver, want welke vrouw wil er nu een sieraad dragen van haar verkrachter?”

Kan een rechter vergeven? “Daarvoor zit ik er niet”, stelt mr Mastebroek resoluut. “Als burger wel, dat wil zeggen als mevrouw Mastebroek tussen vijf uur 's middags en acht uur 's ochtends kan ik zeggen: we vergeten wat er in het verleden is gebeurd en we beginnen opnieuw.” Ze beschouwt zichzelf als onvermurwbaar bij '36'-zaken en zedenmisdrijven, evenals bij zware delicten als overvallen, moorden en grootschalige harddrugszaken. “Waar ik wel te vermurwen ben? Ach, bij mijn dieffies, bij mijn kleine junkies. Je staat als professionals tegenover elkaar. Die jongens weten hoe het werkt.” Niet dat ze hen zielig vindt. Dat stadium is ze “al lang” voorbij. “Maar ik zie altijd meteen hoe het me ze gaat, aan hun kop of aan de mate waarin hun poloshirt weer wat strakker zit dan de vorige keer. Het mooiste is als ik een verdachte terugzie met wie het echt goed gaat, die alleen nog even over één zeperdje moet komen praten. Daar doen we het toch allemaal voor, denk ik dan, dat dit ene schaap weer bij de kudde is.”

    • Alfred van Cleef