In duel met de tuinkabouters

BART CROUGHS: In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon. Het geloof der intellectuelen

213 blz., De Arbeiderspers 1995, ƒ34,90

De jonge werkloze filosoof Bart Croughs leeft in een rechtvaardige wereld - een wereld zonder onrecht of slachtoffers. Er wordt geen minderheid onderdrukt, geen vrouw achtergesteld, geen homo gediscrimineerd, geen gehandicapte buiten gehouden en geen negerslaaf (meer) verkocht. Het enige probleem is dat er gefrustreerden rondlopen - 'progressieven' - die ter verhoging van hun eigen maatschappelijke status doen alsof al die ellendige dingen wél gebeuren.

Die mensen heten sinds enkele jaren 'politiek correct'. Ze willen niks liever dan blanke mannen voor de rechter slepen, ze menen recht te hebben op erkenning als slachtoffer - van wie of wat dan ook - ze geloven dat het Westen overal de schuld van is en dat allerlei zielige minderheden worden onderdrukt. Het zijn deze mensen die, aldus Bart Croughs, 'dagelijks emmeren' over de westerse slavenhandel, verantwoordelijk zijn voor al het feministische 'gezeur en gemekker' en de 'afgedwongen staatsopvoeding' van kinderen in crèches. Wat nog erger is: hun waandenken beheerst de politiek, waardoor “de meest absurde feministische leerstellingen tot regeringsbeleid zijn verheven” en “de Vader, de Zoon en de Heilige Geest allang vervangen (zijn) door de Vrouw, de Homo en de Allochtoon”. Om daar toezicht op te houden, is er een 'progressieve gedachtenpolitie', van wie je bijvoorbeeld “van een vrouw met een lekker kontje niet meer (mag) vinden dat ze een lekker kontje heeft”.

Dwarsliggers

Goddank zijn er dwarsliggers die zich niet laten intimideren, fiere non-conformisten die zich, ondanks de enorme risico's, verzetten tegen deze mentale tirannie. In de eerste plaats is daar natuurlijk Bart Croughs zelf, die met zijn onlangs verschenen In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon (waaruit bovenstaande citaten), solliciteert naar een prominente plaats in het elitekorps van de heroïsche 'politiek incorrecten'.

Met zijn provocerende stukjes wil Croughs aansluiten bij andere bijtgrage polemisten zoals de columnisten Theodoor Holman en Theo van Gogh, die zich eveneens, met hun zuivere gewetens als kapmessen, een weg hakken door het intellectuele onkruid dat ons land, onze geschiedenis, onze cultuur en - vooral! - onze vrouwen al bijna heeft overwoekerd. Vrije geesten deze mannen, die elkaar 'Ik ben Spartacus!' naroepen, de duimen trots onder de bretels gestoken, terwijl ze de totalitaire Romeinse gedachtenpolitie van zich afschudden.

Ook elders gloort hoop. Denk aan de Verenigde Staten, waar al verzetsgroepen zijn ontstaan tegen de dictatoriale erfenis van de jaren zestig en zeventig. De onverschrokken Ierse boeteprediker Pat Buchanan is slechts een van de voormannen die, als verre nazaten van Nietzsche, de hamer uit de kast hebben gehaald om alle linkse schijnheiligheid aan diggelen te slaan. En natuurlijk zijn er de avant-gardisten van de Amerikaanse popgroep The Eagles, die onlangs op MTV hun nieuwe nummer 'Get Over It' lanceerden, een gedurfde aanklacht tegen het slachtofferdenken dat ook aan gene zijde van de oceaan de economie lamlegt, de defensie ontwricht, de luchtvaart ontregelt, en de sfeer op feestjes bederft.

Tuinkabouter

Maar nu de hamvraag. Bestaat er wel zoiets als 'politieke correctheid' in Nederland? Althans, bestaat het buiten de breinen van de 'incorrecten' die het zeggen te bestrijden? Is de Nederlandse samenleving inderdaad een dolzinnige links-lesbisch-gehandicapt antiracistische samenzwering, of is dat idee slechts nodig voor de publicitaire zelfschepping van sociaal juist zeer correcte pseudo-helden? Met andere woorden, is Croughs werkelijk een non-conformist, of - om in zijn stijl te blijven - een waggelende corpsbal die op de garden party van de roeivereniging een tuinkabouter uitdaagt voor een duel op leven en dood?

Toch eerder het laatste. Croughs schetst een karikatuur van Nederland die zich voor weinig anders leent dan een partijtje schouderkloppen aan de tapkast. Soms is zijn tirade tegen positieve discriminatie en linkse intellectuele zelfhaat terzake, maar nergens gaat deze weinig spirituele rancuneleer dieper dan nodig is voor een lekkere scheldpartij. Zoiets lucht op. Dat moet ook, want in het universum van Croughs loopt wel degelijk één echt slachtoffer van onrecht rond, één miskende, onderdrukte ziel - en dat is Croughs zelf. Zijn aanklacht tegen de politiek correcte Nederlandse klaagcultuur is, niet voor niets, één grote klaagzang.

Het is alleen een klaagzang met soms wel erg valse noten. Uit dit boek stijgt niet alleen maar de verschraalde bierlucht op van teveel doorwaakte nachten voor de tv in de studentenflat. Er spreekt ook de behoefte uit aan een manicheïstisch - en uiteindelijk autoritair - wereldbeeld, dat voornamelijk drijft op een primitief vijandbeeld. Die jeugdige drang - Croughs is van 1966 - om af te rekenen met een weke, ruggegraatloze cultuur kennen we, en belooft doorgaans weinig goeds. Dat blijkt ook wanneer de auteur de Amsterdamse oud-burgemeester Ed van Thijn op de hak probeert te nemen met de opmerking dat die in zijn toespraken een gezicht kon trekken “alsof ieder moment de holocaust opnieuw kon uitbreken”.