In de herhaling toont zich de mens

ROBERT FULGHUM: From Beginning to End. The Rituals of our Lives

273 blz., Villard Books 1995, ƒ40,40

Ritueel gedrag is gedrag dat regelmatig wordt herhaald, terwijl het praktisch nut en de diepere betekenis ervan schijnbaar weinig of niets met elkaar te maken hebben. Rituelen zijn van alle tijden, en de mensen houden ze erop na om structuur en zingeving te verlenen aan hun dagelijks bestaan. Goed beschouwd hangt het leven dan ook van ritueel gedrag aan elkaar. We hebben er gewoonlijk geen oog voor, maar dat komt omdat we lijken op de man die zijn bril niet kon vinden en tenslotte moest ontdekken dat hij op zijn neus zat.

Zo ongeveer begint Robert Fulghum zijn boek From Beginning to End. The Rituals of our Lives. Het is een exploratie van het menselijk landschap, en Fulghum fungeert als gids, een meeslepende. Met enige argwaan was ik er, ondanks de mooie titel, aan begonnen. Het is een typisch Amerikaans boek, ademt bij voorbaat een zekere naïviteit, ziet voor alles een oplossing, betoogt opgewekt dat je ook tegen mislukkingen positief moet aankijken, enzovoorts. Maar gaandeweg smelt de weerstand: het boek is - althans voor mij - een openbarinkje geworden. Ik zie nu rituelen waar ik ze eerst niet had opgemerkt.

Fulghum weet overtuigend aan te tonen dat het leven aan elkaar hangt van rituelen. Hij doet het met zeer eenvoudige middelen: een anekdote, soms een cliché-verhaal ('uit het leven gegrepen', zoals dat heet), maar telkens als aanloopje voor een analyse waarin hij verborgen rituelen in het dagelijkse handelen onthult. En al die rituelen tezamen vormen weer een overtuigende bewijsvoering dat niet godsdienst de bron van rituelen is, maar omgekeerd: rituelen zijn iets van alle mensen en culturen, en eerst in de godsdiensten worden ze tot heilige handelingen omgesmeed. Mythisch Mens-zijn gaat vooraf aan godsdienstig zijn, zegt Fulgham en zo is het. Voor zover rituelen een intrinsiek religieus element aankleeft, is religie iets van alle mensen, zegt hij er achteraan. Het is duidelijk dat niet iedereen hem dat nazegt.

Laat ik uit het rijke materiaal een paar voorbeelden van zijn werkwijze geven. Iedereen heeft drempel-ervaringen, te omschrijven als het overstappen van het ene levenspatroon in het andere, ongeveer zoals je in een andere tram stapt. Je gaat van de lagere school naar de middelbare, van ongehuwde naar gehuwde staat, van echtpaar naar ouders - het zijn slechts enkele overstappen die de meeste mensen uit ervaring kennen. Sommige zijn bijzonder en gelden vanouds als 'rites de passage', andere als doodgewoon: je nam een andere baan of ging in een andere plaats wonen. Niet zelden is het zo dat pas op rijpere leeftijd (lees: weer een hele hoop ervaringen verder), en door uitwisseling van eigen ervaring met die van anderen, een mens zich die overgangen herinnert, eerst dan krijgen ze voor hem de betekenis van een drempel-ervaring. Met je gedachten naar die overstappen terugkeren, geeft het leven structuur. Dat wil zeggen - aldus Fulghum - dat er bijna geen belangrijker ritueel te bedenken is dan de herinnering. Herinnering, in de zin van terugkeer naar het verleden, is van je leven een samenhangend verhaal maken, via bijschaven, aanvullen, belichten van wat er is gebeurd, en daarmee orde op zaken stellen. Een verhaal is een ander woord voor ordening. Kinderen laten dat op een ongedachte manier zien. “Opa, vertel nog eens van toen u van het paard viel.

' Ja, waarom moet opa dat vertellen? Niet omdat het zo spannend is, want het kind weet allang dat het goed afliep. Maar omdat het verhaal de werkelijkheid aan het licht brengt: hier is opa en daar is het kind, en alles is zoals het moet zijn. Het verhaal krijgt iets mythisch: het houdt de orde in stand. Dat gaat op voor het kleine verhaal dat opa telkens weer moet vertellen, maar zo gaat het natuurlijk ook toe in het groot, bij de grote verhalen van de religies. Ze zijn openbaringen van orde en daarom moeten ze worden verteld, ook al kennen de aanhangers ze allang.

Ik maak deze uitweiding omdat ze laat zien hoe Fulham werkt: klein beginnen, bij onnozele dingen, en groot eindigen, bij God en de religie. Er is in zijm boek - inderdaad - een hoofdstuk over God, maar dat gaat eigenlijk niet meer over rituelen. Terug naar de herinnering als belangrijkste ritueel. Ze maakt namelijk allerlei andere rituelen los. Waar en wanneer bloeit de herinnering op? Bijvoorbeeld als na zoveel jaren de eindexamenklas van de middelbare school een reünie houdt. Zo'n bijeenkomst wordt zelfs belegd “om herinneringen op te halen”. Maar er gebeurt meer, iets dat zonder zo'n reünie (letterlijk) geen plaats zou hebben. “Wat is er van mijn klasgenoten?”, dat is een vaste vraag waarmee iemand naar de reünie gaat. Maar onontkoombaar wordt die begeleid door de gedachte: “Wat zullen ze van mij zeggen?” Je oordeelt en wordt beoordeeld, je ontmoet niet alleen anderen maar presenteert ook jezelf. En onontkoombaar doemt de vraag: wie ben je eigenlijk. De anderen worden, of je het wilt of niet, een spiegel waarin je kijkt. Samenkomsten lokken niet alleen rituelen uit, ze zijn zelf ook rituelen: er zijn vaste tijden voor. Van de jaarlijkse conventies (in Amerika) als seculier ritueel, is het een kleine stap naar samenkomsten in termen van religieuze artikelen: 'Oh come, all ye faithful' wordt er met de kerst gezongen. Ook daarmee zijn we er nog niet. Aan heilige tijden zitten weer heilige plaatsen vast: tempels, kerken, synagoges. En zo komen we uit bij wat bijbelvaste scholen vroeger aan de kindertjes meegaven als samenvatting van de oudtestamentische rituelen: de “heilige tijden, heilige plaatsen, heilige personen, heilige handelingen” van het volk Israël. Fulghum brengt spelenderwijs aan het licht hoe dat viertal met elkaar samenhangt. Geestelijke spijze Maar zoals reeds eerder opgemerkt: rituelen beginnen niet bij de religies, ze worden - omgekeerd - door religies (die hun waarde intuïtief hebben ingezien) in een godsdienstig verband geplaatst. De christelijke sacramenten zijn er een mooi voorbeeld van. Het zijn in de grond van de zaak herhaalde en voor herhaling in het leven geroepen handelingspatronen met een specifieke, aan het christelijk geloof ontleende inhoud. Maar het patroon waarop ze zijn geënt, was er al van ver voor de tijden van het christendom. Neem bijvoorbeeld het Heilig Avondmaal (in de rooms-katholieke Kerk de eucharistieviering): het samen delen van voedsel en drank was, is en zal tot in lengte van dagen een vorm van gemeenschapsoefening zijn, ook waar het de uitmonstering van een ceremonie ontbeert. Het ritueel van het Avondmaal is overigens zeer kunstig: het combineert de herinnering (“doet dat tot mijn gedachtenis”) op ingenieuze wijze met het 'samen delen' (lees: deelhebben aan) de “geestelijke spijze welke is Christus” (zo heet het in de oude protestantse formulieren). Cees Nooteboom heeft er gebruik van gemaakt voor zijn roman Rituelen. Je kunt eraan zien dat een mens ook zijn eigen, persoonlijke rituelen erop na kan houden en die zelfs kan construeren met behulp van de publieke. Dat hoeft natuurlijk niet op zo'n destructief gebruik ervan uit te lopen als in Nootebooms boek, ze kunnen ook de vorm aannemen van gewone, alledaagse rituelen, zoals het beginnen van de dag met 'eerst een sigaret!', voor menigeen een 'sacred habit' (helaas ook destructief).

Intussen stoten we op een voorwaarde. Rituelen vooronderstellen een saamhorigheid, ze houden die ook in stand. Het is niet voor niets dat Fulghum begint bij 'family feeling'm hewt familiegevoel. Maar dat soort saamhorigheidsbesef is niet overal even sterk aanwezig. Geen nood, tot zover. Want mensen moeten het van rituelen hebben, maar het omgekeerde geldt precies zo: rituelen hebben mensen nodig, beide uitspraken zijn even waar. Mensen kunnen dus hun best doen om rituelen in stand te houden en doen dat ook. Van tijd tot tijd lukt dat zelfs. Maar hoe gaat het verder als rituelen niet meer werken? Komen we dan in de (al dan niet religieuze) folklore terecht? Fulghum laat op een vermakelijke manier zien hoe je kunt tobben met het zoeken naar vervangende handelingen. Samen brood en wijn delen sprak zijn parochie niet meer aan, maar hij verzon er wat op. Voor driehonderd kerkgangers bestelde hij honderd manderijnen, een op drie dus. Die moesten tijdens de dienst worden geschild en in vier parten verdeeld, waarbij de schiller dan de opdracht kreeg aan zijn buren die viereltjes uit te delen. Mooi bedacht, maar het ging niet, zegt hij. Het werd geklieder, de goegemeente deed wat lacherig, vond het allemaal goed bedoeld, maar niet voor herhaling vatbaar. En dat laatste deed de deur dicht: zonder herhaling geen ritueel. Het brengt Fulgham op het verdwijnen van een groot aantal publieke rituelen uit onze samenleving. Een veelbetekenend signaal, volgens hem. In een homogene gemeenschap bloeit het ritueel, en omgekeerd: waar geen collectieve rituelen meer zijn, heeft een samenleving haar homogeniteit verloren. De observatie klopt: pluraliteit is naast verrijking ook verarming. Zij het dat pluraliteit natuurlijk niet alle rituelen wegzuivert: de publieke gaan er aan, maar de particuliere bloeien als nooit tevoren, met alle risico' van antagonisme die daar weer aan vastzitten. Fulghum komt overigens op dit probleem naar aanleiding van een begrafenis die hij bijwoonde op een Grieks eiland en die zich geheel en al voltrok volgens de heilige gewoonten van de Grieks-Orthodoxe kerk. Begrafenisrituelen zijn 'rites de passage' bij uitstek. Waar ze nog in zwang zijn, heeft iedereen een taak, weet iedereen wat eerst komt en wat daarna, en waar alles goed voor is. Wij in het Westen zijn dat allemaal, volgens de schrijver, kwijt. Wij weten niet meer hoe we iemand moeten begraven en hebben al helemaal geen weet meer van de dood behalve dan voor zover op school, in de klas, de kinderen er les in krijgen van de biologieleraar. Sterven gebeurt vaker en vaker in ziekenhuizen (daar wordt 'en masse' gestorven, zoals Rilke dat noemde) in plaats van thuis. Veel mensen sterven zodoende ver van hun bed. Op sterven na dood Nog één ritueel haal ik naar voren: herlevingsriten. Hoe bestaat het dat mensen, na alle klappen die ze in het leven oplopen, er weer bovenop klauteren herbeginnen met leven nadat ze op sterven na dood waren! Daar heb je - zegt de schrijver - het psychologisch effect van riten: ze geven moed, helpen over hobbels heen die je anders niet genomen zou hebben. De Grote Verzoendag ritualiseert dat godsdienstig, ze helpt de jood over de schuld heen, evenals de biecht dat doet voor de rooms-katholieke christen. Zelfs de tijd kan op die manier (en dat doel) geritualiseerd worden: er is een tijd om te wenen en een tijd om te lachen een tijd om te rouwklagen en een tijd om te dansen een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen Drempels in de tijd om het een tijdje te kunnen uithouden. Fulghum haalt deze passage (ik volsta met drie regels) uit het boek Prediker aan. Het geeft zijn boek een religieus tintje. Niet alleen vanwege deze aanhaling, natuurlijk, het schemert er veel vaker tussendoor. Bijvoorbeeld in de passage waarin hij aanbeveelt om ook de stilte in het ritueel van het leven een plaats te geven. Het bracht mij een grammofoonplaatje van Dylan Thomas in herinnering, waarin de dichter met een stem waar de whisky van afwalmt, zijn hoorders aanraadt hun gekwek, al was het over God en godsdienst, af en toe te staken, zodat het ongehoorde een kans krijgt. Religieus? Dat is het goede woord misschien niet, want dat lijkt al gauw op stichtelijk of esoterisch en zo zit het boek niet in elkaar. Als rechtgeaarde Amerikaan is Fulgham praktisch, op het pragmatische af (rituelen zijn goed omdat en voor over ze het 'doen'). Laten we het een pastoraal boek noemen en dan volgens de beste tradities. Geen antropologie van het ritueel; daarvoor is het niet geleerd genoeg, ook geen theologie, daar is het niet leerstellig genoeg voor, maar een boek dat helpt om, zoals de dichter ergens zegt, “een wijs hart te bekomen”.