Het leven is eten en gegeten worden

RICHARD DAWKINS: River out of Eden. A Darwinian view of life

170 blz., Weidenfeld and Nicolson 1995, ƒ35,70

De oude rooms-katholieke catechismus begon met een eenvoudige vraag: “Waartoe zijn wij op aarde?” Daarna volgde een even eenvoudig antwoord: “Om God te dienen op aarde en later in de hemel te komen.” Het leven, zo luidde de boodschap, heeft een zin die we kunnen kennen en waarnaar we ons bestaan kunnen inrichten met een eeuwig leven als beloning. Wie vandaag om de krachtcentrale van dat geloof wandelt, rond het Vaticaan dus, ziet overal de presepio's, de kerststalletjes, in allerlei formaten en vormen uitgestald. Ze dienen als zichtbare herinnering aan de stal van Bethlehem, waar hemel en aarde elkaar even raakten omdat Gods zoon, volgens het Johannesevangelie, naar een verdorven wereld kwam om wie geloofde eeuwig leven te doen erven. De kerststal op het Sint-Pietersplein, met de omvang van een doorzonwoning, laat het de pelgrims levensgroot zien.

De aarde is evenwel, zoals we sinds Copernicus weten, niet het centrum van het heelal, als dat al een middelpunt zou hebben, en het Vaticaan heeft ruim 350 jaar na dato zelfs Galilei gerehabiliteerd. De aarde is een uitgedoofde ster, ergens in een uitdijend heelal dat ooit weer zal krimpen, en wijzelf lijken als homo sapiens een toevalsprodukt waarvan de existentie wordt bepaald door de wetten van de kosmos. De mens wordt beheerst, zei Karl Marx al, door sociale en economische factoren, en hij wordt gedreven door drift en innerlijk conflict, waarvan hij zich nauwelijks bewust is, zoals Freud meende. De mens weet kortom helemaal niet waartoe hij op aarde is, hij dient eerder zichzelf dan een verre of verborgen God, en verwacht als regel geen hemel meer na dit aardse bestaan, ook al zou hij dat hopen.

Manipulatie

De befaamde Oxford bioloog Richard Dawkins ziet in dit gedetermineerde bestaan niet allereerst toeval, willekeur of zinloosheid. Zijn kijk op het leven vanuit het perspectief van het moderne Darwinisme ziet vooral de pracht van het volmaakte en het gecompliceerde in de natuur alsook de uitgebreide weelde van de diversiteit. In 1978 schreef hij zijn eerste boek hierover, The Selfish Gene, waarin hij het probleem stelt van zelfzucht als regulerend principe, van de drang tot overleven tegenover altruïstisch gedrag. De zelfzuchtige natuur, genetisch bepaald in eindeloze herhaling, schept ook een bewustzijn en intelligentie en daarmee culturele overdracht; zo komt uit egoïstische overlevingsdrang ook gemeenschapszin voort.

Later volgde van Dawkins' hand The Blind Watchmaker, over doel en ontwerp van de natuur. Als een simpel mechaniek zoals een horloge een horlogemaker vooronderstelt, vond de achttiende-eeuwse theoloog William Paley, dan moet God de mens doelbewust hebben geschapen. Charles Darwin toonde daarentegen aan dat de ontwikkeling van soorten zich voltrekt door natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan, en hij maakte daarmee de horlogemaker overbodig, zonder de bewondering voor het horloge te verliezen. Over de overbodige Schepper sprak hij overigens slechts zelden om zijn vrouw geen verdriet te doen. In 1859 besloot hij zijn On the Origin of Species met de vaak geciteerde regels dat, terwijl onze planeet is gaan cirkelen volgens de vaste wet van de zwaartekracht, uit een zo simpel begin eindeloze, zeer prachtige en schone vormen zijn en worden ontwikkeld. Darwin had in 1859 geen idee van overerving door genen als eenheid van erfelijkheid, maar gaandeweg zijn de witte plekken op de kaart van de evolutietheorie ingevuld. In onze tijd heeft de Darwiniaanse revolutie zijn bekroning gevonden in de moderne genetica, met de op DNA gebaseerde reproduktie en evolutie van het leven, die aantoonbaar is in geologie, milieu, landbouw, erfelijke ziekten en genetische manipulatie. Het is ook een filosofische revolutie gebleken, een omwenteling die een geheel nieuw perspectief bood op de ontstaansgeschiedenis van het menselijk leven.

Over dat laatste gaat Dawkins' nieuwe boek River out of Eden, waarin hij schrijft over 'de genetische rivier die uit het scheppingsparadijs stroomt'. Iedere beschaving kent vereerde voorouders, die lang genoeg hebben geleefd om nageslacht te verwekken. Ze werden niet ontijdig gedood door een virus, een vijand of een val in het ravijn, en zij gaven hun genen door aan wie na hen kwamen. Het waren succesvolle genen, omdat ze anders niet hadden overleefd. Het waren ook, op enkele kopieerfouten na, steeds dezelfde genen, onveranderd en onverbeterd. De rivier uit de schepping waarop Dawkins doelt, is een rivier van DNA, een stroom die zijn weg zoekt door een tijd van miljarden jaren en die is gevuld met informatie en codes voor de bouw van lichamen die kunnen voortbestaan en zich vermenigvuldigen. Soms splitst de rivier zich en loopt een vertakking dood in het zand, vaak door geografische scheiding. Er zijn thans naar schatting dertig miljoen soorten op aarde, een fractie van wat ooit heeft bestaan. De genetische informatie, opgeslagen in DNA-strengen, is bij de mens aanwezig als 46 immense geheugenschijven in iedere cel, te coderen, te ontcijferen en opnieuw te coderen, zonder verlies of schade. Deze informatie is evenzeer aanwezig in levende als in dode materie, categorieën die alleen als metafoor te scheiden zijn. Dawkins beschrijft helder en duidelijk het gemeenschappelijke in onze afstamming en de betekenis van de gehele menselijke evolutie is voor hem de overleving van die genetische code, opgeslagen als DNA, waarvoor wij slechts als tijdelijke bewaarders, transporteurs en doorgevers dienen.

Het waarom van het leven, ons lot, onze bestemming of onze zingeving is zo volgens Dawkins niets anders dan de overleving van ons DNA. Hij legt uit dat de ontwikkeling van het menselijk brein niet alleen overlevingskansen heeft opgeleverd maar ook de vraag naar zin, naar het waarom - zeker in een wereld waarin we het instrumentele nut van onze omgeving kunnen begrijpen. Een blikopener is er om blik mee te openen, en het is legitiem naar het 'waarom' van de blikopener te vragen, maar die vraag verliest zin als het gaat om de Mount Everest, een symfonie of het heelal. We zijn, heet het in River out of Eden, zoals we zijn omdat het heelal is wat het is. Er is geen antwoord over doel of zin te geven. Omdat de wetenschap dat 'waarom' geen goede vraag vindt, hebben anderen, theologen en wijsgeren, geprobeerd in ieder geval een tot tevredenheid stemmend antwoord te geven, dat van een Schepper, een doel of een opdracht. Maar wie naar de natuur kijkt, ziet alleen een strijd om het bestaan, om de reproduktie van succesvolle genen in een vijandige omgeving. Dawkins haalt het voorbeeld aan van de graafwesp die met één steek van zijn angel een rups of sprinkhaan verlamt, maar niet doodt, zodat de larven zich aan levend voedsel dagenlang tegoed kunnen doen. Dat is niet wreed of praktisch, niet goed of slecht. De natuur is een kwestie van eten en gegeten worden. Of zoals de Franse bioloog Jean-Henri Fabre zei: “Aan de tafel van het leven is men eenmaal gast en altijd gerecht.” De mens is nu eenmaal een deel van de natuur, leeft en sterft volgens dezelfde code.

Als we een goddelijke ingenieur veronderstellen, dan rijst onvermijdelijk de vraag wat voor zin die dan in zijn schepping heeft gelegd. Moeten luipaarden kunnen rennen om gazellen te vangen? De luipaard lijkt er maximaal voor te zijn toegerust, maar ook de gazelle is gebouwd om rennend aan de luipaard te ontkomen, die zal verhongeren als hij te langzaam blijkt. Werden de tijger en het lam door dezelfde ingenieur ontworpen? Volgens Dawkins schuilt het nut van gazelle en luipaard in de overleving van hun DNA, in de genetische bestendiging van hun bestaan als jager en gejaagde, maar veronderstelt zulks geen enkel plan en zeker geen grote Ingenieur.

Die overlevingsstrategie van het DNA levert soms ook esthetisch genoegen op, zoals wanneer pauwen of nachtegalen een partner zoeken. Het gen dat attractie verhoogt, in kleuren, veren of lokroep, heeft echter geen andere grond dat de bevordering van het nageslacht, zelfs indien het nadelig uitpakt voor het individu, zoals de verenlast van de pauw of de vechtlust van mannen. De genen zijn zelfzuchtig, want het gaat om voortbestaan in harde concurrentie, waar niemand anders dan de sterkste wint. Dat geldt evenzeer voor de flora. In een bos groeien bomen steeds hoger, tot hun eigen schade, om zoveel mogelijk zonlicht te vangen, zodat andere bomen hetzelfde moeten doen om te overleven. Als ze alle klein waren gebleven, zouden ze allemaal evenveel zonlicht hebben ontvangen, maar zou de reproduktie minder optimaal zijn. Een nut anders dan overleving kent de natuur niet, is de boodschap van Dawkins

want genen geven oms niets. Wat wij wreed noemen, een natuur die volgens de dichter Wordsworth 'rood in tand en klauw' is, is een onverschillige natuur die in honger en geweld maar ook in overvloed en overmaat geen zin of rechtvaardigheid kent. Wij dansen, zegt de bioloog uit Oxford, slechts op de maat van onze DNA-muziek.

Met River out of Eden schreef Dawkins een geestig, provocerend boek over de evolutiebiologie en de ontwikkeling van soorten. Daarbij hanteert hij consequent de metafoor van de rivier van genetische informatie in levende en dode materie, die de replicatie van een bestaan mogelijk maakt waarin de sterkste genen door selectie in een vijandige omgeving overleven. Aan het begin van het leven was er, luidt dan ook de onontkoombare conclusie, geen scheppende geest, alleen zichzelf replicerende moleculen en aminozuren die bij toeval ontstonden en waarvan de succesvolste in stand bleven ten koste van minder succesvolle verbindingen. Het voortbestaan hangt sindsdien af van een code, een spiraal met vier verschillende treden, waardoor ook de meest complexe organismen worden gecodeerd.

Zo is in de loop van miljoenen jaren een systeem ontstaan dat data verwerkt uit zintuiglijke waarneming en ze opslaat in een geheugen, kortom een brein. Uiteindelijk werd dat brein zich bewust van zichzelf en ontwikkelde een taal: de homo sapiens was geboren. De taal vormt een communicatief netwerk waarin door breinen informatie wordt uitgewisseld en gezamenlijke technologie wordt ontwikkeld om te overleven. Dat geldt evenzeer voor de speer of handbijl als voor onze cultuur van vandaag. Die niet-genetische cultuuroverdracht blijft overigens buiten beschouwing in River out of Eden, een bewust gebrek van Dawkins' boek.

Verkeerde vraag

Moderne wetenschap probeert ingewikkelde verschijnselen te reduceren tot kleinere, verklaarbare modellen, die getoetst en toegepast kunnen worden. De chemie toont aan dat complexe verbindingen uit een beperkt aantal elementen kunnen worden samengesteld. Darwins evolutieleer laat vandaag zien hoe door selectie en variatie onze biologische diversiteit is ontstaan. Die wetenschap is aantoonbaar succesvol in landbouw, geneeskunde of industrie, juist door die reductie, maar laat weinig uitspraken toe over ethiek of religie. Dawkins' kijk vanaf de treden in het DNA naar het leven is bedoeld als een provocatie van degenen die naar een raison d'être van dat bestaan vragen. Het is een verkeerde vraag, luidt zijn slotsom, ten onrechte beantwoord met een mythe van zingeving, schepping en verlossing.

De Franse schrijver François Mauriac schreef ooit dat hetgeen de Nobelprijswinnaar biochemie Jacques Monod ons leerde nog veel ongeloofwaardiger was dan wat wij arme christenen geloofden. Monod betoogde dat drie miljard jaar evolutie een rijkdom aan structuren leverde waarbij in een enorme loterij door een blinde trekking de nummers van de winnaars zijn getrokken. De evolutiebiologie kan dat wel verklaren en uitleggen, maar het blijft, zegt Monod, wonderbaarlijk. De willekeurigheid van het bestaan en de wetmatigheid en noodzakelijkheid van de overerving van genen deed hem concluderen dat de mens een toevalprodukt is in de immense onverschilligheid van het heelal waarin zijn plicht en zijn lot niet beschreven zijn. Dat was drie eeuwen eerder trouwens ook de conclusie geweest van zijn grote landgenoot Blaise Pascal. Het betreft hier de kille troost van de ratio, een kussen waarop menigeen slecht slaapt en zich een verwarmende droom droomt, omdat het hart redenen heeft die de rede niet kent. Voor Pascal was dat een vurig godsgeloof, voor Monod een socialistisch humanisme, voor ons misschien een presepio, een kerststalletje van hoop en verwachting tegen beter weten in.