Globalisering is geen maatstaf voor politiek onfatsoen

Steeds meer mensen krijgen te maken met de wereldeconomie. Dat proces roept toenemend sociaal verzet op, zoals in Frankrijk en Rusland.

Volgens Roel Janssen wordt daaruit nu de verkeerde conclusie getrokken: dat globalisering niet deugt.

Een nieuwe meetlat voor economische correctheid wint aan populariteit. Het is het modewoord 'globalisering'. Niet langer wordt dit anglicisme gebruikt als feitelijke beschrijving voor de wereldwijde vertakkingen van de economie, maar het geldt meer en meer als graadmeter voor het verschil tussen politiek fatsoen en onfatsoen. Wie zich uitspreekt vóór globalisering, krijgt het etiket opgeplakt tégen de verzorgingsstaat te zijn. Wie zich sterk maakt voor behoud van de sociale zekerheid, is tegen de globalisering. Een gecompliceerd proces is hiermee tot huiselijke proporties teruggebracht.

Managers, politici, sprekers op symposia en een enkele hoogleraar beweren al geruime tijd dat het proces van globalisering onvermijdelijke gevolgen zal hebben voor de nationale en Europese economische arrangementen. In reactie hierop is een stroming in opkomst die de ontdekking van globalisering beschouwt als een nieuwe aanval op de verzorgingsstaat. En aangezien de verzorgingsstaat tot “de mooiste prestatie van menselijke en georganiseerde wilsvorming” (PvdA-leider Kok) is verheven en als zodanig in stand dient te blijven, màg de globalisering volgens sommigen niet bestaan.

Vooropgesteld moet worden dat globalisering in redevoeringen al te vaak gebruikt wordt om de inhoudelijke leegte van het betoog te verpakken in een modieuze kreet. Anderzijds: de ontkenning dat de grenzeloosheid van de hedendaagse economische betrekkingen gevolgen zou hebben voor de inrichting van nationale economieën, getuigt van de visie van een struisvogel. Tussen het aanroepen van globalisering als de deus ex machina voor de aanpak van binnenlandse economische knelpunten of als bron van alle kwaad dat met protectionisme buiten de deur moet worden gehouden, gaapt de kloof van de werkelijkheid.

Globalisering bestaat. Die vaststelling valt te trekken uit een zinsnede in het meest recente Ontwikkelingsrapport van de Wereldbank, onlangs geciteerd door minister Wijers van economische zaken: twintig jaar geleden leefde tweederde van de wereldbevolking afgeschermd van de wereldeconomie, en tegen de eeuwwisseling is dat nog slechts tien procent.

Deze ommekeer heeft alles te maken met de ineenstorting van het communisme als staatsbestel in het Sovjet-imperium en als economische ideologie in delen van de 'derde wereld'. Niet alleen door de opkomst van de vier Aziatische 'tijgers', maar veel meer door de marktopening van bevolkingsrijke landen zoals India en China, de liberalisatie van Latijns Amerika en de heroriëntatie van Oost-Europa op de Westeuropese markt zijn de internationale economische betrekkingen verschoven.

Daarbij gaat het niet om het gegeven hoeveel buitenlandse vestigingen grote ondernemingen hebben (overigens kwam in de jaren zeventig het begrip multinational al in de belangstelling), maar om de grenzeloze verwevenheid van economieën. 'Markten', om die fascinerende abstractie te gebruiken, vormen een onuitputtelijke schakel van kleine en grote verknopingen.

Dit betekent niet dat de inkomens en sociale voorzieningen van Nederlandse werknemers verlaagd moeten worden naar het niveau van aziatische of oosteuropese werknemers. Wie zoiets beweert, houdt geen rekening met de verschillen in produktiviteit, kostenafwegingen ten aanzien van transport of huisvesting, transactiekosten (zoals de prijs van bureaucratie of smeergeld) en de modegevoeligheid van veel produkten, waardoor direct contact met de consumentenmarkt nodig is. Veel diensten (de kapper, de dokter, de schilder) kunnen niet verplaats worden en zijn daarom niet aan lage-loonconcurrentie onderworpen. Een hoog gemiddeld inkomen houdt bovendien een koopkrachtige vraag in stand en prikkelt ondernemers tot innovatie.

De omvang van de concurrentie uit lage-lonenlanden moet evenmin overtrokken worden. De Nederlandse goederenhandel met het buitenland is bijvoorbeeld meer dan vijf keer zo groot als die van India, ruim drie keer groter dan van Brazilië en zelfs aanzienlijk groter dan die van China (import- en exportcijfers over 1994). Om van de veel grotere omvang van de Nederlandse dienstenhandel (en van het overschot op de betalingsbalans) maar te zwijgen. Waarbij moet worden aangetekend dat het hier landen met een continentale binnenlandse markt betreft en dat de in- en uitvoer van Hongkong, evenals de Randstad een stadsstaat met een reusachtig achterland, ongeveer even groot is als die van Nederland. Maar die van Korea, een land met een vergelijkbaar aantal inwoners, is vooralsnog weer een stuk kleiner.

Een geruststelling is verder dat opkomende landen vooral ook afzetmarkten zijn. Nederland met zijn hoge arbeidskosten boekt handelsoverschotten met de goedkope landen van Oost-Europa en de ex-Sovjet-Unie. Overigens speelt tachtig procent van de Nederlandse handel zich af binnen de Europese Unie.

Nog iets anders: de werkgelegenheid in Nederland groeit met sprongen. Bovendien is het werkende deel van de economie in staat om voor ruim vier miljoen medeburgers de uitkeringen en de AOW op te brengen. Over zoveel mensen verdeeld blijft het gemiddelde inkomen in Nederland wel achter in vergelijkingen met omringende Europese landen. Maar het gemiddelde inkomen ligt op een niveau dat vele keren hoger is dan in de opkomende landen. Die inkomenskloof zal vooralsnog niet worden gedicht, hoe welkom (vanuit een ander perspectief) de inkomensstijging in opkomende ontwikkelingslanden ook is.

Valt het dus mee met die effecten van globalisering? Ja en nee. Filippijnse vrouwen komen naar Nederland voor werkzaamheden in de huishouding en zij verdringen de traditionele Nederlandse werksters. De garnalen uit Zoutkamp worden gepeld in Marokko, de produktie van spaarlampen wordt verplaatst van Terneuzen naar Polen. Sommige computerwerkzaamheden worden uitbesteed aan Indiase programmeurs in Bangalore. Dergelijke voorbeelden nemen met de dag toe: steeds meer onderdelen komen van verre en assemblage-activiteiten worden verplaatst. Maar het omgekeerde proces vindt ook plaats: in Limburg worden Japanse auto's geproduceerd, Philips haalt de produktie LCD-schermen (computerschermen) uit Hongkong naar Heerlen, de produktie van Taiwanese fietsen komt naar Lelystad.

De financiële markten vormen de voorhoede van de globalisering. Anders dan goederen die fysiek vervoerd moeten worden, kunnen geldstromen elektronisch over de wereld suizen. Geliberaliseerde kapitaalmarkten vormen enerzijds een nagenoeg onuitputtelijke financieringsbron, anderzijds moeten landen in toenemende mate rekening houden met het grillige gedrag van flitskapitaal. De peso-crisis van Mexico, een jaar geleden, is wel 'de eerste financiële crisis van de 21-ste eeuw' genoemd.

De betekenis van globalisering ligt in de snelheid waarmee de economische betrekkingen veranderen en waarmee de integratie van nieuwe landen en mensen in de wereldmarkt plaats vindt. De mobiliteit van kapitaal, arbeid en produktiefactoren is oneindig veel groter dan in eerdere fasen van kapitalistische expansie. Dat vraagt van alle deelnemers in het wereldspel, nieuwkomers en oudgedienden, een grote mate van inzet en flexibiliteit. Het is geen wonder dat dit sociale en politieke weerstanden oproept, die zichtbaar worden in vakbondsacties op straat, zoals in Frankrijk, of in proteststemmen bij verkiezingen, zoals in Rusland. Daaruit wordt de verkeerde conclusie getrokken: dat de globalisering niet deugt. Het probleem is eerder het verzet tegen verandering als de rekening van uitgestelde aanpassingen wordt gepresenteerd.

In opkomende landen, met een jonge bevolking en het perspectief van groeiende welvaart, is flexibiliteit volop beschikbaar; de rijpe economieën moeten daartoe voortdurend worden geprikkeld. Want defensieve, naar binnen gerichte zelfgenoegzaamheid leidt tot stagnatie, tot relatief en uiteindelijk absoluut afkalvende welvaart. Een offensieve aanpak biedt ruimschoots mogelijkheden om de welvaartskansen die globalisering biedt, te benutten. Zeker voor een land met een open, naar buiten gerichte economische traditie als Nederland.