Gestolen informatie

MAG EEN KRANT, mag deze krant gebruikmaken van gestolen informatie? Het onmiddellijke en spontane antwoord op zo'n vraag luidt: Nee, allicht niet. Een journalist moet zich niet inlaten met heling en een lezer zal zich niet thuisvoelen bij een krant die ook voor strafbare feiten niet terugschrikt om toch vooral maar nieuws in de krant te krijgen. Tot zover de eerste, spontane en niet onbelangrijke reactie op zo'n vraag.

Bij nader inzien ligt de kwestie van de gestolen informatie oneindig veel gecompliceerder. Daarom is het goed dat de Raad voor de Journalistiek een uitspraak heeft gedaan over dit heikele onderwerp. Volgens de Raad mag gestolen informatie worden gebruikt “als de belangen die gediend zijn bij publikatie in ruime mate opwegen tegen de onrechtmatigheid van de wijze waarop de informatie is verkregen”. De Raad verlangt wel een zorgvuldige afweging vooraf en legt een zware verantwoordelijkheid bij de betrokken journalist en de verantwoordelijke hoofdredactie. Ook moet bij publikatie rekenschap van de herkomst van de informatie worden afgelegd. DE UITSPRAAK WIL een dam opwerpen tegen onbedachtzame sensatiezucht of scoringsdrang van media, want er worden vele eisen van zorgvuldigheid gesteld. Maar ten slotte blijft de conclusie toch dat in bepaalde gevallen gestolen informatie wel degelijk mag, ja zelfs moet worden gepubliceerd. Een imaginair voorbeeld: uit een gestolen document blijkt dat Nederland te veel verkeerde helikopters heeft besteld en dat dit enkel en alleen is geschied omdat een bepaalde bewindsman blijkt te worden gechanteerd. In zo'n geval is het heel wel denkbaar dat een journalist op grond van zulke informatie aan de slag gaat om de zaak uit te zoeken en ten slotte - als de aangedragen feiten blijken te kloppen - publiceert. Het strafbare feit van heling moet dan minder zwaar wegen dan het belang van publikatie.

Een ander, ditmaal niet-imaginair, voorbeeld: deze krant ontvangt floppy's met een beschrijving van bepaalde politie-operaties. De floppy's blijken gestolen. De tekst leert dat de politie vanachter een schuurtje een verdachte observeert of de ingang van een bepaald hotel even in de gaten houdt. Van deze vanzelfsprekendheden wordt niemand wijzer en het schendt mogelijk de privacy van individuen. Sensatiezucht mag dan geen motief zijn om toch maar te publiceren. Belangrijk voor publikatie is hooguit het feit dat er vertrouwelijke informatie van justitie wordt gestolen, want dit laatste zegt iets over het departement en over de zelfverzekerdheid van criminelen. Het zegt dus iets over de samenleving waarin wij leven en daar heeft ook deze krant een taak. BIJ ZULKE VOORBEELDEN is de afweging niet zo moeilijk. Maar het gaat natuurlijk in de praktijk vaak om grensgevallen. En er is in diverse media tevens een moordende concurrentie aan de gang om de aandacht van de kijker en de lezer, zodat sensatieprikkels welkom zijn. Hoe gemakkelijk is het niet om met een brave verwijzing naar het algemeen belang en de vrijheid van meningsuiting maar raak te publiceren.

In zoverre heeft de Raad voor de Journalistiek de lat nu in elk geval hoog genoeg gelegd (al gaat het om een instituut dat geen bindende normen kan voorschrijven). Dat neemt niet weg dat het gebruik van gestolen informatie niet op voorhand wordt uitgesloten. En dat is juist, hoezeer het in eerste aanleg misschien ook tegen de borst stuit.