Fred D., na 28 branden onverwacht vrij; Excuses maken heeft toch geen zin

De 22-jarige Fred D. staat sinds zijn aanhouding in april van dit jaar bekend als 'de pyromaan van Ede'. De rechter hield hem verant- woordelijk voor 28 branden. Door een fout van justitie kwam hij deze maand onverwacht tussentijds vrij. Groepsportret met dader.

De vader: “Er wordt om half twaalf 's avonds aangebeld. Staan er dertien man voor de deur met de officier. Ze vragen: is Fred thuis. Ik heb netjes gezegd: 'Fred is net uit het gips.' Want hij had op zijn werk zijn arm gebroken en zat daarvoor thuis in de ziektewet. Ze gooiden me aan de kant en vliegen zo naar boven. Maar ik heb er mooi ook een paar opzij gegooid.”

De moeder: “Dat heb jij helemaal niet! Ik heb niks gezien.”

Fred: “Ik werd wakker. Stonden er allemaal mensen in mijn slaapkamer. Ik moest op mijn buik gaan liggen, met handboeien om. Ze lieten me in mijn onderbroek vijftig meter over straat lopen naar de auto.”

De vader: “We mochten niet van de stoel af. Het hele huis hebben ze overhoop gehaald. Tot half drie 's nachts. Ze haalden flessen petroleum en benzine uit het schuurtje. Maar die zaten nog dicht. Dat was gewoon voorraad. En ze vonden een sok die ik al heel lang kwijt was.”

Fred: “De eerste brand was die kapperszaak. Er lagen stukken karton achter. Toen zei mijn broer: durf je dat aan te steken. Ik zeg dat durf ik wel. Toen heb ik dat gedaan.”

De vader: “Dat geloof je toch nooit, dat je kind zoiets doet! Geen mens wil het geloven. Ik heb nooit een aansteker gemist. Hij heeft altijd gewerkt, doet nooit niks. Freddie rookt niet, hij drinkt niet, en hij heeft een hekel aan de disco. Ik kan hem nou wel door elkaar schudden, maar wat schiet ik daarmee op?

''

Fred: “Dan schud ik hem ook door elkaar, haha.”

De vader: “Je kunt zoiets toch niet terug draaien.”

Fred: “Als het was aangestoken ging ik naar huis. Gewoon rustig op de bank tv kijken. Nee, dan dacht ik niet aan de brand. Gewoon aan de film die ik zag.”

De moeder: “Wij vroegen niet waar hij geweest was. Hij had gewoon zijn meisje naar huis gebracht.”

De vader: “Daar komt Karst aanlopen.”

Fred: “Ik wil niks meer met Karst te maken hebben.”

De moeder: “Laat hem nou maar even in de keuken zitten. Ik kan daar niet tegen als hij buiten moet blijven staan.”

Fred: “Ik wil niks meer met hem te maken hebben. Hij heeft me slecht gemaakt. Vroeger waren we twee handen op een buik.” De vader: “Dat kan je wel zeggen ja. Met Karst is het begonnen. Hij vroeg van durf je dit en durf je dat. Hij is ouder, maar bang.”

Fred: “Ik ging 's avonds naar Karst zijn huis. Dan waren Gert en Rein er ook. Vrienden van ons samen.”

De moeder: “Dat zijn jouw vrienden helemaal niet!”

Fred: “Wel. Toen tenminste. Voorlopig kan ik ze niet vergeven. Altijd maar durf je dit, durf je dat. En dan gingen we samen op pad.

“De grootste brand was geloof ik in die bandenloods. Mijn broer en vrienden hadden uitgelegd waar het precies was. Ik ben er alleen naar toe gegaan. Er zat een gat in de muur. Daar heb ik mijn hand door gestoken en toen heb ik een aansteker bij een band gehouden. Ik weet nog dat ik verbaasd was. Omdat het zo snel in de fik ging. Later heb ik mijn broer en mijn vrienden opgehaald. Want ze wilden er naar toe. Toen zijn we wezen kijken. In de auto zaten ze te juichen. Mij maakte het niet zoveel uit. Ik had het gedaan en voor de rest vond ik het wel prima.”

De vader: “En moet je nagaan: ik ben zes keer met Freddie naar die branden gaan kijken.”

Fred: “We hoorden het thuis op de politie-scanner. Dan zei ik: zullen we samen gaan kijken.”

De moeder: “Als die scanner niet aan staat kan ik niet slapen.”

De vader: “Ik heb vaak zat tegen hem gezegd: wie die brand heeft gesticht, die hangen ze maar aan een hoogwerker.”

Fred: “En ik praatte intussen gewoon mee met alle mensen die daar stonden te kijken.”

De vader: “Altijd zagen we Karst en die andere twee er ook bij staan. Het was dus niet zo moeilijk om te verzinnen hoe dat zat.”

Fred: “Dan keken Karst en ik elkaar aan en dan lachten we even.”

De vader: “Het zat eigenlijk zo: al drie weken voordat hij gepakt werd, als hij dan zijn meisje naar huis ging brengen, dan zei ik tegen mijn vrouw: let op, zo meteen gaat die sirene weer. Als hij het toen tegen ons gezegd had, hadden we het een heel eind kunnen voorkomen. Er waren ook al genoeg anonieme brieven binnen gekomen bij de politie. En bij de brandweer en de burgemeester. Maar de politie wou het hele groepje in een keer hebben. Daarom wachtten ze. Ze hebben hier zelfs staan posten.”

Fred: “Ik heb ze wel gezien.”

De moeder: “Ik zeg nog tegen ze: volg hem dan.”

Fred: “Mijn moeder heeft na twintig branden of zo aan me gevraagd of ik het was. Bij de koffie 's morgens vroeg ze: heb jij dat gedaan. Ik zeg: ik snap niet hoe je erbij komt. En als je me niet gelooft, dan bel ik nu de politie en dan geef ik mezelf aan. Zul je wel zien dat ze me niet willen.”

De moeder: “Je had de telefoon al in je hand. Toen zei ik, ik geloof je.”

Fred: “Dat je tegen je moeder liegt, daar denk je echt niet over op zo'n moment hoor.”

De moeder: “Hij is altijd eerlijk geweest. Maar deze keer niet. Ieder kind moet wel eens liegen.”

De vader: “Karst, die kun je nergens in vertrouwen. Die moet je niks vertellen want binnen vijf minuten weet heel Ede het. Toen Fred vast zat hadden Karst en zijn vrienden nog vier dagen de tijd om alles af te spreken. Toen hebben ze het op hem afgeschoven. Wie het mooist kon praten is er het mooiste vanaf gekomen. Fred vertrouwen we nog, ook al heeft hij gelogen. Ik heb ook niet altijd de waarheid tegen mijn vader en moeder verteld.

De moeder: “Dat kerststukje daar heb ik van Freddie gekregen.”

De vader: “Dat doet-ie altijd.”

De moeder: “Hij liet zelfs vanuit de gevangenis bloemen bezorgen.”

De vader: “Hij is de enige van de drie zoons die dat doet. Een bloemetje.”

De moeder: “Ze zijn me alledrie even lief. Maar de een doet gewoon meer dan de ander.”

De vader: “Bij het Pieter Baan Centrum willen ze weten wat je levensverhaal is. Maar dat verzinnen ze zelf. En op het eind kreeg moeders overal de schuld van.” De moeder: “Die man, die Ameling van het Pieter Baan Centrum. Die is dus zelf gek.” Fred: “Hij zegt dat pyromanen geen werk hebben. Ik had een vaste baan. Een goeie. Ik was voeger, in de bouw. En dat ze moeilijk een relatie aan kunnen gaan, zegt-ie. Ik had vier jaar een vriendin. Patricia. Zij wist van niks. Tot ze me kwam opzoeken op het politiebureau. 'Wat er ook is, ik blijf je steunen' zegt ze. Zes weken daarna was het over.”

De vader: “En toen liep ze al een maand met een ander. Was Fred opeens niet goed genoeg meer. Hij heeft haar hele uitzet betaald.”

Fred: “Die man van het Pieter Baan Centrum zegt het allemaal verkeerd. Ik ben ook nooit het pispaaltje geweest. Ik ben een gewone rustige jongen die alles heeft. Mijn goede eigenschap is dat ik voor iedereen klaar sta. Slechte eigenschappen heb ik niet.”

De moeder: “Freddie jongen, zet nou even niet die tv aan.”

Fred: “Ik zie de wereld door de ogen van mijn moeder, zegt die man van het Pieter Baan.”

De moeder: “Ik begrijp niet hoe ze dat bedoelen.”

Fred: “Dat mijn moeder me alles voor moet zeggen of zo.”

De moeder: “Fred doet toch wat hij wil.”

De vader: “Als jij vraagt waar de wc is, dan noemen ze je in het Pieter Baan veeleisend. Ze gebruiken er moeilijke woorden. En als je vraagt: wat betekent dat, dan vinden ze je slecht van begrip. En als Fred vroeg of er post was zeiden ze: je zit zeker op een brandbrief te wachten. Ze zetten hem gewoon voor schut daar.”

De moeder: “Je hebt al twee zoons. Van de derde ben je in verwachting. Natúúrlijk hoop je dan ook op een meisje. Maar je accepteert dat je weer een zoon hebt. Dat geloven zij niet. Die psychologen.”

De vader: “Vijftien was 'ie. Toen is hij met mij mee gegaan. De bouw in. Zo hebben al mijn zonen het geleerd.”

Fred: “Ik heb een jaar LTS. Ik ben niet dom. Bij de IQ-test op het Pieter Baan had ik 106. Maar moeilijke woorden, dat kan ik niet.”

De vader: “En dan noemen ze hem slecht van begrip.”

Fred: “Ik weet niet wat een patatgeneratie is. Het woord patat ken ik wel. Generatie niet.”

De moeder: “Volgens mij zijn je vader en ik een generatie. En jij bent dan weer een andere generatie.”

Fred: “O. Nou ik eet niet alleen patat. Ik doe van alles. Tv kijken, werken, autorijden. Politiek interesseert me niet, nee. Mensen in andere landen die het slecht hebben ook niet. Dat hebben ze aan zichzelf te danken. Ze fokken maar raak. Ik leef hier.”

De moeder: “Dat is zo. Ik leef hier. In Nederland is al zoveel ellende.”

De vader: “Vroeger woonden we in oud Ede-zuid. Die wijk is nou afgebroken. Daar woonden allemaal mensen zoals wij. Daar kon alles. En als er wat was, dan zei je er wat van en dan was het over. Hier mag niks.”

Fred: “Daar waren tenminste normale mensen. Als je een varken op straat slachtte, zeiden ze er niks van.”

De moeder:“Er is hier ook armoede hoor. Daar wordt ook niet naar gekeken. Maar van mij mogen die buitenlanders hier blijven.”

De vader: “En van mij mogen ze vertrekken. Ik zit twee gulden per jaar boven de norm. En nou krijg ik geen bril. Zij wel.”

Fred: “Ja. Nederland voor de Nederlanders. Honderd procent.”

De moeder: “Freddie hou je kop. Dat discrimineren hoeft van mij niet.”

De vader: “Ik heb anders wel het gevoel dat ik tekort gedaan ben.”

De moeder: “Had dan gewerkt!”

De vader:“Ja hallo.”

Fred: “Mijn ouders hebben te weinig geld.”

De vader: “Ik ben dertig jaar stratenmaker geweest. Vanaf '81 zit ik in de WAO. Ik ben op alles afgekeurd. Wij hebben hier ƒ1745,- per maand te besteden. En ƒ900,- vaste lasten. Tel uit je winst.”

De moeder: “Freddie, blijf nou van mijn kerstboom af! Zit niet met die lampjes te knipperen!.”

Fred: “Ik moet geen TBS hebben. Ik ben geen pyromaan. Ik ben een brandstichter. Ik weet zeker dat ik het niet meer doe. Als ik de drang had om brand te stichten had ik het allang weer kunnen doen. Ik ben al twee weken thuis.”

De vader: “Ik weet zeker dat hij het niet meer doet. We hebben hier niet met een gek te maken.”

Fred: “Ik was al twee weken gestopt toen ze me oppakten. Dat heeft misschien wel lang geduurd ja, na dertig branden pas.

De moeder: “Dat is niet om te lachen, Fred.”

Fred: “Het ging om de sensatie van de brand zelf. Durf je dit, durf je dat. Het maakte niet uit of het een container of een bedrijf was. Dat niemand weet dat jij dat hebt gedaan, dat je de politie steeds voor blijft. Dat was de kick.

Ook als ik er over in de krant las: dat niemand wist dat ik dat was. Toen ik het op tv zag dacht ik: ze pakken me toch niet. Ze hebben me niet gezien. Want je let op als je iets doet.''

De vader: “De laatste week was hij onrustig. Hij wou slaappillen.”

Fred: “Daar kan ik me niks van herinneren. De jongens wilden dat het steeds groter werd. We hebben er ook over gedacht om het politiebureau in de fik te steken. En een chemische fabriek hier op het industrieterrein. Maar ik ben er niet meer aan toegekomen. Ik vond ook dat die branden op het laatst te groot werden.

De moeder: “Hij is tweeëntwintig. Hij moet zelf kunnen begrijpen dat zoiets niet kan.”

Fred: “Iedereen wil me interviewen.

De moeder: “RTL-4 stond hier opeens met een camera voor de deur. Ik zeg door de brievenbus: wat moet u. Komen ze met de camera door die spleet. Ik heb overal de poorten op slot gedraaid, want ze kwamen ook achterom. Ik heb de politie gebeld, maar die kwam niet.”

De vader: “Hoe heet dat programma, Ooggetuige, die kwamen hier met een limousine de straat in rijden. Dat ze ons wel even naar de studio zouden brengen. Dat we dan fijn alles konden vertellen. Ik zeg bekijk het maar mooi.

Fred: “Ik wil niks meer met de televisie of de krant te maken hebben. Je moet steeds hetzelfde vertellen. Maar ik weet ook niet wat ik wèl wil vertellen.”

De vader: “Toen ik hem ging ophalen in Almelo, zat hij al bij de benzinepomp op me te wachten. Hij wilde niet eens meer mee de gevangenis in om zijn spullen op te halen.”

Fred: “Bijna niemand op straat weet dat ik het ben. Maar ik ga er niet geheimzinnig over lopen doen. Ik ben niet bang. Ik sla wel terug.”

De vader: “Daar komt niks van in.”

Fred: “Dat zullen we wel zien.”

De vader: “Het rotste is: als hij gaat vechten hebben ze een nieuw feit. Hij moet oppassen.”

Fred: “Ik wil wel de gevangenis in, maar op de goeie manier. Justitie heeft een fout gemaakt, niet ik.”

De moeder: “De mevrouw van die kapperszaak blijft er wel netjes onder. Die zei alleen positieve dingen over Fred in de krant toen hij vrij kwam.”

Fred: “Als ik eerlijk ben: ik denk niet meer aan die mensen. Eerst vond ik ze nog wel zielig. Maar ik heb er nooit aan gedacht om excuses te maken. Dat heeft toch geen zin. Woorden zijn toch niet genoeg. Ik heb straf, dat vind ik al erg zat. Ik heb nu geen medelijden meer met ze. Het is gebeurd. Ik kan er wel eeuwig aan blijven denken. Maar je moet het toch vergeten.”

De vader: “Op de rechtbank kwam er een oud mannetje van 72 naar me toe. Freddie had zijn caravan in de fik gestoken. Die man zegt: bent u de vader? Dan wil ik het u graag vergeven en het over geen cent meer hebben. Want het is voor u al erg genoeg.”

De moeder: “De buren en kennissen zeggen alleen dat ze het heel erg voor ons vinden.”

Fred: “Volgens mij kun je dit niet vergeven. Het zal altijd bij die mensen blijven hangen.

De vader: “Het komt allemaal doordat hij die arm had gebroken. Toen ging hij zich vervelen.”

Fred: “Ik heb wel een hobby hoor. Vogeltjes. Achter in de tuin staat de volière. Ik heb Franse kanaries, sijsjes en nachtegalen. Die moet je iedere dag water geven. En voeren.

De vader: “Nee, ik heb het Freddie niet vergeven. Hoe kan ik hem nou vergeven?

Maar ik kan hem toch ook niet het huis uit sturen? Als ik zeg hoepel maar op en hem wegjaag, wat komt er dan van hem terecht? Die jongen zal toch onderdak moeten hebben. En als ik hem eruit zou zetten kijkt mijn familie me niet meer aan. Wij laten elkaar hier niet zakken. En we blijven lachen. Tenminste, dat proberen we.

Tijdelijk vrij

Ede werd van 16 maart tot eind april opgeschrikt door ruim dertig branden in vuilcontainers, schuurtjes, caravans, bouwketen en bedrijven. Minstens achtentwintig werden er gesticht door de 22-jarige Fred D. Hij werd op 25 april in Ede gearresteerd. Drie dagen later werd ook Freds 30-jarige broer Karst aangehouden. In de week daarop werden nog twee jongens vastgezet: Gert H. en Rein K., die bevriend waren met Fred en Karst.

Volgens de woordvoerder van de plaatselijke politie probeerden de broers aanvankelijk de schuld op elkaar af te schuiven. Uiteindelijk bekende Fred D. dertig branden. Zijn broer en de twee vrienden hadden hem daartoe aangezet, aldus Fred. Zij zochten de lokaties uit, brachten hem daar soms naar toe en leerden hem hoe hij een Molotov-cocktail moest maken. In het Utrechtse Pieter Baan Centrum werd onderzocht of Fred D. toerekeningsvatbaar was. De onderzoekers konden niet achterhalen wat hem ertoe bewogen had. Fred D. maakte wel een onzekere en onevenwichtige indruk. Het Pieter Baan Centrum adviseerde terbeschikkingstelling (TBS), een maatregel waarvan de duur onzeker is.

Op 24 oktober legde de rechtbank in Arnhem Fred D. voor achtentwintig branden een celstraf van vijf jaar en TBS met dwangverpleging op. Zowel het openbaar ministerie, dat zeven jaar eiste, als Fred D. gingen hiertegen in hoger beroep. Omdat hij voor zijn veroordeling al in voorlopige hechtenis had gezeten, moest Fred in afwachting van de definitieve tenuitvoerlegging van zijn straf in de gevangenis blijven. Sindsdien zat hij vast in het huis van bewaring te Almelo. Karst, die werd veroordeeld tot twaalf maanden cel, waarvan twee voorwaardelijk, moet zijn straf nog uitzitten. De zaak tegen Gert H. is aangehouden. Rein K. wordt niet vervolgd wegens gebrek aan bewijs.

Verlenging van gevangenhouding na een voorlopige hechtenis totdat een zaak opnieuw voorkomt in hoger beroep, moet na dertig dagen door de procureur-generaal worden gevorderd bij het gerechtshof. Dat is in het geval van Fred D. niet gebeurd, omdat door een fout van justitie niet was vermeld dat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daardoor was er geen rechtsgrond meer om Fred D. vast te houden. Begin december werd hij daarom tijdelijk op vrije voeten gesteld. Dat zorgde voor veel onrust in Ede. Fred D. wilde dan ook terug naar zijn cel, ook omdat de tijd die hij nu uitzit van zijn uiteindelijke celstraf wordt afgetrokken. Volgens justitie was vrijwillige terugkeer juridisch niet mogelijk. Minister Sorgdrager liet het openbaar ministerie intussen onderzoeken of Fred D. gedwongen opgenomen kon worden voor een psychiatrische behandeling. Volgens de advocaat van Fred D. ontbreekt daarvoor het predikaat 'acuut dreigend gevaarlijk' dat de nieuwe krankzinnigenwet vereist.

Tijdens de eerste behandeling van het hoger beroep tegen Fred D. op 13 december, eiste het openbaar ministerie dat hij weer in voorlopige hechtenis wordt genomen. Maar omdat Fred D. sinds zijn veroordeling door de rechtbank geen strafbare feiten heeft gepleegd, kan hij volgens het hof niet meer worden vastgezet voor zaken waarvoor hij al veroordeeld is. Dat betekent dat hij tot zijn definitieve veroordeling vrij blijft. Dat kan nog zo'n vier maanden duren, want Fred D. wil desnoods in cassatie gaan bij de Hoge Raad om zijn veroordeling tot TBS ongedaan te maken.