Er bestaat niet zoiets als een Europese cultuur; Ralf Dahrendorf over de 'schijnagenda' van de EU

Dat de invoering van een Economische en Monetaire Unie (EMU) in West-Europa tot grote problemen leidt, verbaast RALF DAHRENDORF niets. “De Europese Unie legt haar burgers een schijnagenda op die met hun werkelijke problemen weinig tot niets meer te maken heeft”, aldus de huidige warden van St. Antony's College in Oxford die van 1970 tot 1974 voor West-Duitsland in de Europese Commissie zitting had. Het echte probleem waar Europa voor staat, aldus Dahrendorf, is de verzorgingsstaat te hervormen zonder dat daarbij de samenhang van de maatschappij onherstelbaar wordt beschadigd. “In het rapport waarin ik dit probleem voor het Verenigd Koninkrijk aan de orde stel, komt de hele Europese Unie nauwelijks voor.” Een gesprek met een gelouterd Euro-realist met twee paspoorten.

OXFORD, 21 DEC. Hij is een trots lid van het Hogerhuis en zijn briefpapier vermeldt een lange lijst van Britse titels. Hij doorspekt zijn zinnen met woorden als jolly en quite. Slechts zijn intonatie doet vermoeden dat de wieg van the Lord Dahrendorf, warden (bestuurder) van St. Antony's College in Oxford, buiten het Verenigd Koninkrijk stond, namelijk in Duitsland.

Zijn opvattingen over de Europese Unie doen dat zeker niet. Dahrendorf legt inmiddels een behoedzaamheid over de Europese Integratie aan de dag die niet zo heel erg veel meer verschilt van die van de Eurosceptics van de Britse Conservatieve Partij. “In Europa hebben de natie-staten het nog steeds voor het zeggen”, zegt Dahrendorf in zijn werkkamer in Oxford. “De landen van Europa zijn te verschillend om tot een politieke eenheid te komen. Samenwerking op grond van eigenbelang op een aantal gebieden is het hoogst haalbare. Projecten die daar bovenuit stijgen, zullen onvermijdelijk tot grote weerstand leiden en de hele bestaande Europese Unie ter discussie stellen.”

Zoals de Economische en Monetaire Unie?

“De prijs die daarvoor betaald moet worden, is inderdaad zeer hoog. Een groot aantal landen zal flink moeten bezuinigen om aan de toetredingscriteria te voldoen en dat leidt onvermijdelijk tot onvrede en protesten. Je kunt je ook afvragen of de EMU wel zo noodzakelijk is. Volgens de Europese Commissie kan de interne markt (de binnenmarkt in de Europese Unie met vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal red.) niet functioneren zonder een gemeenschappelijke munteenheid. Maar onder economen bestaat daar absoluut geen overeenstemming over. De eigenlijke motivatie voor de EMU is een politieke. Ten tijde van het Verdrag van Maastricht werd de Economische en Monetaire unie gezien als een van de middelen om Duitsland, dat toen juist herenigd was, in te kapselen in een Europese structuur om zo de democratische ontwikkeling van het land te waarborgen. Die motivatie is onjuist omdat het democratische gehalte van Duitsland in laatste instantie afhankelijk is van binnenlandse ontwikkelingen daar. De harde toetredingscriteria die vooral Duitsland aan toetreding tot de EMU heeft willen verbinden, leiden daarnaast eerder tot verdeeldheid in Europa dan dat het de Europeanen verenigt.”

Als de EMU een schijnproject is, waar ligt dan wel vruchtbaar terrein braak voor de Unie?

“De lidstaten van de EU zouden moeten proberen over een aantal buitenlands-politieke vraagstukken een gemeenschappelijk standpunt in te nemen. Dat is niet altijd mogelijk want daar lopen de standpunten en belangen te ver voor uiteen. Zo houdt Frankrijk atoomproeven wanneer het dat wil, wat de andere landen van de Unie ook zeggen. Maar over de voormalige Sovjet-Unie en het Middellandse-Zeegebied is wel een consensus mogelijk. Dat is ook het geval bij het voormalige Oostblok. Snelle toetreding van de Oosteuropese landen tot de Unie zou een stabiele democratische ontwikkeling van die landen kunnen bevorderen. Ik zou daarnaast voorstander zijn van het opnemen van de Europese Conventie over de Rechten van de Mens (van de Raad van Europa red.) in het Verdrag van Rome zodat zij van toepassing is op de Europese wetgeving en de burger zich daar op kan beroepen. En de interne markt zou voltooid moeten worden. De Europese Commissie zegt dat dat al lang is gebeurd maar dat is niet het geval.”

Maar bewijst de wordingsgeschiedenis van de interne markt juist niet dat er geen echte economische integratie mogelijk is zonder dat de lidstaten een gedeelte van hun soevereiniteit opgeven, al is het maar om via meerderheidsbeslissingen protectionistische lobby's buiten spel te zetten? En is het niet zo dat een dergelijke overdracht van soevereiniteit een zekere loyaliteit ten opzichte van de Europese integratie als politiek ideaal vooronderstelt?

“Ik ben op zich niet tegen meerderheidsbeslissingen op een beperkt aantal gebieden en ik denk inderdaad dat die bijgedragen hebben tot de vestiging van de interne markt. Het is echter onzin om te denken dat je alleen meerderheidsbeslissingen kunt hebben als de burger zich 'Europeaan' voelt en zijn primaire loyaliteit bij 'Brussel' ligt. Vanuit de Commissie wordt altijd aangedrongen op een 'Europese identiteit' die je dan naast of zelfs in plaats van je nationale identiteit zou moeten hebben. Ik wantrouw zulk soort discussies omdat ik, zoals de onlangs overleden sociaal-filosoof Ernest Gellner het omschreef, een Verlichtingspuritein ben. Ik voel mij loyaal aan de staat waarin ik woon omdat deze mijn elementaire rechten beschermt, niets meer en niets minder. De Europese Unie garandeert die rechten niet. Vandaar dat ik, net als de meeste andere Europeanen, nog steeds primair gericht ben op het Verenigd Koninkrijk, en niet op de Europese Unie.”

Maar Europa als ideaal ontstond juist in een tijdperk, tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin een aantal staten, met name Duitsland, het niet zo nauw nam met de elementaire rechten van hun burgers en met name voor veel Duitsers was inbedding van hun land in in Europa toch een manier om toekomstige ontsporingen van hun land te voorkomen....

“Maar als Duitsers nu bescherming van die rechten verwachten door de Europese Commissie of het Europese Parlement zullen ze bedrogen uitkomen. Ze zullen het toch moeten hebben van het Constitutionele Hof in Karlsruhe. Bovendien ben ik een ouderwetse liberaal en geloof ik in de waarde van heterogene staten. Verschillende etnische of religieuze groeperingen kunnen heel goed samenleven mits dat gebeurt in een staat waar de wet heerst en waar iedereen gelijk is voor de wet. Pogingen om burgerschap op andere criteria te funderen zoals een religieuze, nationale of zelfs Europese identiteit die dan op een bepaalde manier wordt ingevuld, leiden er al snel toe dat bepaalde groepen worden gemarginaliseerd en buitengesloten. In extreme gevallen leidt zo'n marginalisering tot etnische zuiveringen zoals die in het voormalige Joegoslavië hebben plaatsgehad. Ik zie dus geen enkele reden om de ontwikkeling van een 'Europese' identiteit te stimuleren.”

Deelhebben aan de 'Europese' cultuur zou dus ook geen criterium moeten vormen bij de toelating van nieuwe leden uit Oost-Europa?

Antwoord: Nee, absoluut niet. Er is geen Europese identiteit en er is ook niet zoiets als een Europese cultuur. Je zou wel als voorwaarde kunnen stellen dat er rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in toetredende landen bestaat en dat er sprake is van een zekere democratische traditie. Die laatste eis kun je overigens ook weer niet al te stringent stellen want in 1957, ten tijde van het Verdrag van Rome, zou de toenmalige Bondsrepubliek daar niet aan hebben voldaan.''

Veel van waar de Europese Unie zich mee bezig houdt, ziet U als een schijnprobleem. Wat is dan het 'echte' probleem van Europa?

“Een zinvolle en haalbare hervorming van de verzorgingsstaat. Ik heb het probleem wel eens omschreven als de noodzaak om de cirkel vierkant te maken. Elke staat wordt geconfronteerd met drie - vaak met elkaar strijdige - eisen. In de eerste plaats moeten regeringen maatregelen nemen om te vergemakkelijken dat bedrijven uit hun land concurrerend blijven op de steeds hardere wereldmarkt. Tegelijkertijd moeten ze er voor zorgen dat de sociale samenhang van hun maatschappij behouden blijft. Die staat onder druk, mede als gevolg van die steeds hardere concurrentie waardoor er in Europa steeds minder werk is voor laaggeschoolde arbeid. Omdat daarnaast regeringen bezuinigen en er dus minder geld beschikbaar is voor overdrachtsuitgaven, zie je dat er een onderklasse aan het ontstaan is. Hier in het Verenigd Koninkrijk is dat bijvoorbeeld wel heel duidelijk zichtbaar. Als derde taak hebben regeringen echter om een politiek klimaat te vestigen dat zo stabiel is dat zelfs in tijden van tegenspoed elementaire democratische vrijheden behouden blijven. Tegelijkertijd aan alle drie de opdrachten voldoen, lijkt me vrijwel onmogelijk.

U schreef enkele maanden geleden - op verzoek van de leider van de Britse Liberaal-Democraten, Paddy Ashdown - een rapport over dit vraagstuk. U had daarbij als opdracht aanbevelingen te formuleren voor het Verenigd Koninkrijk. Is er een land of groep landen dat U daarin als voorbeeld ziet, binnen of buiten Europa?

“Nee. Sommige leden van de commissie die het rapport schreef, zagen Duitsland als hun lichtend voorbeeld. Ik was het daar niet mee eens omdat Duitsland, in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk, nog geen fundamentele stappen heeft ondernomen om de concurrentiekracht van zijn economie te vergroten. Buiten Europa zie ik al helemaal geen voorbeeld. In de Verenigde Staten is de hele civil society geofferd op het altaar van de concurrentiekracht. En in Zuidoost-Azië is er sprake van maatschappijen waarin de doelstellingen van concurrentiekracht en sociale cohesie bereikt werden ten koste van elementaire democratische vrijheden.”

Wat zijn de voornaamste aanbevelingen van Uw rapport?

“We pleiten er in de eerste plaats voor om met andere ogen naar het begrip 'rijkdom' te kijken. In de Thatcher-jaren werd een toename van rijkdom gelijkgesteld met de groei van het bruto nationaal produkt. In ons rapport wordt voorgesteld terug te keren naar de bredere definitie van 'rijkdom' zoals die bijvoorbeeld in het werk van Adam Smith is te vinden. Daarbij worden ook de hulpbronnen die een land heeft en het opleidingsniveau van zijn burgers bij de definitie betrokken. Op basis van die filosofie zijn we tot concrete voorstellen gekomen. Zo vinden we dat de exclusieve dominantie van aandeelhouders bij het bepalen van de beslissingen van de onderneming doorbroken moet worden en andere groepen, natuurlijk werknemers maar ook bijvoorbeeld de plaatselijke bevolking, bij het beslissingsproces moeten worden betrokken. We zijn ook voorstander van het invoeren van de zogeheten individuele opleidingsrekeningen, waardoor mensen zowel de tijd als het geld krijgen zich te scholen. Op zich zelf genomen lossen deze maatregelen de enorme problemen waar het Verenigd Koninkrijk voor staat, niet op omdat niemand een cirkel vierkant kan maken maar een aanzet is het wel.”

Wat is de relevantie van uw rapport voor andere landen op het Continent?

“In zekere zin ligt het Verenigd Koninkrijk voor op de andere landen in Europa omdat het als eerste geprobeerd heeft zijn economie te saneren. Bovendien verschillen de landen op het Continent ook onderling qua economische cultuur en tradities. Het is dus niet eenvoudig om algemene conclusies te trekken. Als ik een vergelijkbaar rapport voor het Continent zou schrijven zou ik me vooral richten op het probleem van de concurrentiekracht. Ik denk niet dat sanering van de Europese economie mogelijk is zonder dat daarbij massaal ontslagen vallen. Dat heeft natuurlijk gevolgen voor de onderste laag van de maatschappij. Complicerende factor daarbij is dat de onderklasse in de meeste Continentaal-Europese landen uit allochtonen bestaat terwijl het in het Verenigd Koninkrijk om autochtonen gaat. Het isolement van de onderklasse in Groot-Brittannië is momenteel groter dan dat op het Continent maar daar staat weer tegenover dat het gemakkelijker is autochtonen te herintegreren dan allochtonen. Het is moeilijk om algemene lessen te trekken. De laatste paar jaar heb ik me bezig gehouden met economische culturen in Europa en ik ben steeds meer tot de ontdekking gekomen dat die enorm verschillend zijn. In het Verenigd Koninkrijk bepalen de aandeelhouders de koers van een onderneming. In Italië zijn ondernemingen veelal in handen van een of meer families, in Duitsland behartigen banken of verzekeringsmaatschappijen de belangen van de aandeelhouders.

Wel zou ik ervoor pleiten om niet zomaar eeuwenoude economische instituties af te schaffen. In het Verenigd Koninkrijk nemen de grote banken inmiddels al hun beslissingen centraal in Londen. Als je met hen over een beslissing wilt corresponderen moet je een fax sturen of naar Londen toegaan. In veel landen op het continent zijn er nog veel coöperatieve spaarbanken die zelfs in kleine dorpjes nog kantoren hebben. Vaak gaat het om stichtingen die eerder dienstverlening dan winst als oogmerk hebben. De mensen die op die kantoren werken, kennen hun klanten vaak persoonlijk en zijn goed op de hoogte van hun economische reilen en zeilen. Het zou jammer zijn om op grond van winstoverwegingen op korte termijn dat hele netwerk zo maar af te schaffen. Deze economische verscheidenheid van Europa maakt dat er geen algemene recepten zijn die voor alle landen van toepassing zijn.''