Echte mannen bekennen geen kleur

JOHN HARVEY: Men in Black

280 blz., geïll., Reaktion Books 1995, ƒ62,85

Sinds de mens het berevel afzwoer als onmodieus, hangt de vraag in de lucht: waarom dragen mannen kostuums? Of liever gezegd, waarom prefereren mannen door de eeuwen heen donkere kostuums? Deze kwestie wordt nu eindelijk aangesneden door de Britse literatuurhistoricus John Harvey in zijn recent verschenen Men in Black. Het is een doorwrochte studie naar de betekenis van de kleur zwart in de kostuumgeschiedenis van het westelijk halfrond waarin de auteur geen enkele methode schuwt om het prangende raadsel op te lossen. Van Weberiaanse theorieën tot citaten van Johan Huizinga, van iconografische analyse van kleding op de schilderijen van Caravaggio tot de ontrafeling van het taalgebruik in de romans van Charles Dickens en Charlotte Brontë, het trekt allemaal voorbij in Harveys speurtocht naar de achtergronden en betekenis van “de kleur die eigenlijk geen kleur is”.

Wortels

Men in black begint in de negentiende eeuw, omdat vaak is gedacht dat in die tijd de wortels liggen voor het mode-ideaal van donkere herenkleding, en van het gedragsideaal dat een gentleman niet uit de toon mag vallen door zijn uiterlijk. De versobering-annex-versombering van het mannenkostuum in het Victoriaanse tijdperk was zo dramatisch dat destijds al uitvoerige discussies ontstonden over de zwarte mode. Zo vroegen enkele schrijvers zich hardop af waarom mannen iedere dag gekleed gingen alsof ze naar een begrafenis moesten. Alfred de Musset vond 'de rouwkleding' van zijn tijdgenoten “un symbole terrible” en Théophile Gautier klaagde in zijn essay 'De la Mode' dat herenkleding nog nooit eerder “zo triest en zo monotoom” was geweest. Charles Baudelaire mengde zich ook in het debat en opperde een sociologische verklaring voor de kerkhof-outfit. “Als iedereen in het zwart gekleed gaat,” meende hij, “is dat een teken van gelijkheid.” De dichter was dan ook als een der weinigen echt in zijn nopjes met de donkere kledij van zijn tijd. De verloochening van kleur en decoratie, de stringente voorschriften dat niets voldeed behalve een driedelig pak en vadermoordenaar, waren destijds in alle lagen van de bevolking zo rigoureus, dat de psycholoog J.C. Flügel in 1930 zelfs sprak van “de grote mannelijke zelfverloochening”. Als oorzaak hiervoor noemde hij het trauma van de Franse Revolutie, waarin menig kleurrijk uitgedoste aristocratische praalhans van het ancien régime een kopje kleiner was gemaakt. De angst voor volkswoede tegen het uiterlijk vertoon van de leisure class en de zucht naar rationaliteit in een tijdperk van mechanisering en industralisering hadden volgens Flügel tot de drastische versobering van het herenkostuum geleid. Sindsdien waren de revoluties in de mannelijke klerenkast beperkt tot slechts subtiele en nauwelijks zichtbare veranderingen aan het driedelig harnas. De lengte of breedte van het colbert of de broeks pijpen konden variëren, plooien in de taille kwamen en gingen, maar het waren marginale variaties op hetzelfde thema: de basispatronen van jasje, pantalon en gilet bleven tweehonderd jaar vrijwel onveranderd. Opgedoft

Dit alles klinkt als een aantrekkelijke stelling, betoogt Harvey in zijn boek, maar het verklaart niet de vraag waarom deze tendensen juist tot zwart als overheersende modekleur leidden. Bij nader beschouwing blijkt immers dat donkere, functionele kleding helemaal niet in Frankrijk ontstond, maar al vóór de Revolutie opgeld deed onder de Engelse landadel, die liever paard reed dan opgedoft in een rijtuigje reisde. Bovendien was het allereerste echt geheel zwarte mannenkledingstuk het zogenaamde smoking-jasje, ofwel het uitgaanstenue van de high society. Flügels theorie is kortom, concludeert Harvey, onbevredigend. Beter is het volgens hem om nog veel verder terug te gaan in de kostuumgeschiedenis: naar het moment dat zwarte kleding de sprong maakte van de kerk naar het hof en van het hof naar de middenklassen. Dat geschiedde in de middeleeuwen. Toen werd zwart geassocieerd met 'de andere wereld' van duisternis, dood en rouw (het was de dracht van monniken, prelaten en lepralijders), maar de kleur stond tevens voor waardigheid en autoriteit. Niet voor niets lanceerde Filips de Goede een rage aan zijn hof door, zogenaamd ter nagedachtenis van zijn vermoorde vader, in peperduur zwart fluweel te verschijnen. Dat hij zich daardoor onderscheidde van zijn Bourgondische entourage, en er bovendien slank uitzag, was mooi meegenomen. De 15de-eeuwse auteur van Le Blason des couleurs, Jehan Courtois, observeerde dat dank zij Filips zwart enorm gewild werd onder rijke burgers en kooplui: “Deze kleur is momenteel de populairste kledingtint vanwege haar eenvoud.” Een en ander had ook nadelen, klaagde deze Bourgondische mode-journalist avant la lettre in zijn Blazoen der kleuren, want zwarte stof was nu zo 'in' geworden, dat iedereen er ook gordijnen en draperieen van ging maken.

Dat zwarte kleding sinds Filips de Goede die dubbelzinnige cocktail van macht, succes, rijkdom en zelfdiscipline uitstraalt, bestempelt John Harvey tot de kern van de zaak. “Het is opvallend,” schrijft hij, “dat steeds wanneer in een Europese natie de kleur zwart de overheersende modekleur werd, dit precies gebeurde op het tijdstip dat het land op het hoogtepunt van zijn internationale macht kwam.”

Almacht

Donkere kledij stond eeuwenlang ook voor kredietwaardigheid, onwankelbaarheid en betrouwbaarheid. Dat gold voor het Bourgondische hof in de 15de eeuw, en voor het Spanje onder Filips II in de 16de eeuw, maar evenzeer voor de Nederlandse Republiek tijdens de Gouden Eeuw en voor het Engelse imperium in het Victoriaanse tijdperk. Het zwarte herenkostuum heeft aldus lange historische wortels, maar kreeg in de 19de eeuw definitieve vorm als het symbool van kapitalistische almacht en mannelijke dominantie. Nu nog steeds onderstreept het een 'Wall Street-image' voor hedendaagse yuppen. Niemand verwondert zich er dan ook over dat bankdirecteuren of politici in geel-groen geruite jasjes op de vingers van één hand zijn te tellen.

Of met Men in Black inderdaad het antwoord is gegeven op de eerder gememoreerde vragen over de aard en functie van het donkere herenkostuum, durf ik niet te zeggen. Derde Rijk Helaas besteedt Harvey in zijn aardige boek niet al te veel aandacht aan de zwarthemden van het Derde Rijk, de blousons noirs in de jaren vijftig, de zwarte leren jacks ('perfecto's') van motorrijders à la Marlon Brando, en het gedweep met zwart door anarchisten en punks - allemaal lieden die deze kleur dragen uit meer of minder gevaarlijke vormen van zelfimportantie.

Bovendien gaat dit boek enigszins voorbij aan de angst van veel mannen voor mode in het algemeen (en dan met name voor de 'feminisering' van herenmode), aan de sensualiteit en seksuele aantrekkingskracht van het driedelig kostuum (waar juist een brede schouderpartij en het kruis van het mannenlichaam worden benadrukt), en aan de zeer veronachtzaamde rol van kleding in de dramaturgie van het dagelijks leven. Die rol is zelden duidelijker onder woorden gebracht dan in de bekentenis door een journalist van de New York Times. “Als je de greep op het leven dreigt kwijt te raken,” schreef die ooit, ”dan geeft het omdoen van een stropdas je ten minste het gevoel dat je alle losse eindjes met één gebaar aan elkaar kunt knopen.”