De ongeschreven broederschapswetten van Afrika; Onder de boom van gerechtigheid

In veel Afrikaanse landen heeft de traditionele conflictbeheersing plaatsgemaakt voor ongecontroleerde bloedwraak. Waar vroeger de clanoudsten in Somalië onder een boom recht spraken, heerst nu de anarchie van de kalasjnikov. In zuidelijk Afrika daarentegen passen politici vergeving toe als ontsnapping uit het geweld. Van de savanne tot de grote meren: wraak en vergiffenis in de kraal.

Peshon knijpt de snuit van het tegenstribbelende beest dicht en zet het mes in de nek. Het nog kloppende hart van de geit stoot het bloed de slagader uit. Om beurten drinken de jonge krijgers - de morans - het bloed en herbevestigen daarmee hun bloedband, hun broederschap die hen voor het leven bijeen zal houden. Eenheid, saamhorigheid en daarom vergiffenis zijn sleutelwoorden in de samenleving van de Samburu's. Alleen als eenheid kan dit semi-nomadische volk zich handhaven onder de grillige natuurelementen in Noord-Kenia.

Behoedzaam wordt de geit ontleed. De darmen, de blaas, de huid, alles krijgt een nuttige bestemming. Als de eerste stukken vlees op het houtvuurtje liggen, komen de tongen los. “Wij wilden geen wraak”, zegt Peshon als hij de geitekop aan een tak in de boom hangt. “Iemand van je eigen stam of clan kan je niet doden. Doe je dat wel, nou dan ben je nog minder waard dan een hond.” Maar tot schaamte van de Samburu's vielen er slachtoffers bij het door Peshon veroorzaakte conflict.

In afwezigheid van kranten, boeken, radio en een geldeconomie behoort seks tot de voornaamste geneugten in de bush. Samburu-jongeren worden door de ouderen aangemoedigd veel seksuele contacten aan te gaan. Maar Peshon had zich niet aan de regels gehouden. Hij waagde het te slapen met een meisje die van een andere moran al kralen had gekregen. Ze was al gereserveerd. Er ontstond een fikse ruzie, die uitliep op een vete tussen de familie van Peshon en die van de benadeelde moran. Tevergeefs belegden de ouderen vredesbesprekingen.

Twee jaar later ontaardde de sluipende vete in een ramp. Met tien metgezellen besloop Peshon enkele vrienden van de benadeelde moran die in een droge rivierbedding lagen te rusten. “We wilden ze alleen maar een aframmeling geven”, vertelt Peshon. Hij drukt de keutels uit de darmen van de geslachte geit die als knikkers wegrollen. “Voor ons eergevoel.” De aangevallen morans verdedigden zich. “Iemand gooide een speer en die ging door de nek van mijn broer. Een andere speer raakte de borst van mijn vriend.” Er vielen twee doden.

Peshon zet zijn tanden in het eerste stuk halfgaar vlees. Een oudere heer heeft zich bij het gezelschap gevoegd en schudt zijn hoofd als hij het gesprek hoort. “Wij leren onze kinderen altijd vergiffenis te betrachten, palakinoto, anders kunnen wij Samburu's onze broederschap niet handhaven.” Alleen bij misdrijven zoals moord gebruiken de ouderen hun spirituele en wettelijke gezag om zware straffen uit te delen. De schuldigen kunnen worden verbannen uit de gemeenschap en al hun vee kan worden geconfisqueerd. “De in beslag genomen koeien en geiten worden niet alleen aan de familie van het slachtoffer gegeven maar verdeeld onder de gehele gemeenschap, vooral onder de armeren. Als de familie van de moordenaar onmiddellijk schuld bekent en koeien aanbiedt, dan keert de broederschap vanzelf terug en is alles snel vergeten en vergeven.”

Waarom kon Peshon niet in een vroeg stadium de belediging vergeven? Hij slaat met zijn knuppel een bot stuk en zuigt het merg eruit. “Ach, we zijn morans, we wilden geen angst tonen. Te laat realiseerden we ons wat er gaande was.” De moran die uit zelfverdediging twee slachtoffers had gemaakt was de schuldige. Op eigen initiatief besloot hij, nog vóór de ouderen hun oordeel hadden geveld, in ballingschap te gaan. Nimmer is hij in zijn geboortegebied teruggekeerd. Zijn familie bekende onmiddellijk schuld en bood koeien aan. Wekenlang overlegden de oude heren om de gemoederen te sussen.

Is de zaak nu vergeven? “Nooit”, zeggen de aanwezigen in koor. Als een Samburu een Samburu doodt, valt dat niet te vergeven. “Om de vete uit de wereld te helpen hebben we wel de familie van de moordenaar vergeven”, voegt de oude heer daar snel aan toe. Hij verorbert het laatste stuk geit. Iedereen zwijgt nu en raakt in gedachten verzonken.

Suiker en snuiftabak Moorden onder de Samburu's blijken zeldzaam. Meestal zijn het geschillen over vrouwen waar de oudere heren zich over moeten buigen. Omdat ze altijd unaniem tot een oordeel moeten komen kunnen vergaderingen dagen duren, waarbij de ruziënde partijen de theebladeren, de suiker, de snuiftabak en het bier leveren.

Met zijn ongeveer veertig jaar behoort Larush tot de leeftijdsgroep van junior-ouderen. Hij raakte in conflict met een moran. Enkele jaren geleden trouwde hij met de negentienjarige Karea. Larush was veel op stap en nauwelijks in de kraal. De jeugdige Karea maakte gebruik van zijn afwezigheid en ging heimelijk relaties aan met jonge morans. De broer van Larush begon iets te vermoeden en op een dag toen zij geruisloos de kraal was uitgeslopen, volgde hij haar de bush in. Daar betrapte hij haar op heterdaad toen zij met een moran lag te vrijen.

Een grotere zonde was nauwelijks mogelijk. Larush behoort tot een oudere leeftijdsgroep en is voor de jonge moran als een vader. Toen Larush terugkeerde verkondigde hij aan iedereen een moord te zullen begaan. Zijn woede richtte zich op de jonge moran. De oude heren riepen een vergadering bijeen en praatten zeven dagen lang. Iedereen was het er over eens: het gedrag van de moran viel op geen enkele wijze te rechtvaardigen. Over het gedrag van de overspelige Karea velden de oude heren geen oordeel. Voor seks neemt immers de man het initiatief en haar viel dus niets te verwijten. Als er al iets op haar gedrag viel aan te merken, dan moest haar echtgenoot dat maar regelen. Wat geschiedde: hij gaf haar een stevig pak slaag.

De familie van de moran voelde collectief een schuldgevoel, werkte mee aan de oplossing en bood enkele koeien aan, wat Larush onnodig achtte. De ouderen droegen de familie op zich in een naburige kraal te vestigen, opdat de moran uit de buurt van Larush en diens vrouw zou blijven. De moran moest van zijn familie aan de oude heren een stier betalen.

Larush gaat me in de stromende regen voor naar de kraal waar de familie woont van de moran die met zijn vrouw vrijde. Vlak voor onze aankomst zien we een moran haastig weglopen, maar in de lage woning van koeiestront en takken worden we hartelijk ontvangen. De moeder zet thee terwijl ze met de andere hand een geit helpt bevallen. “Nkai, Nkai”, roept ze God aan, “er is regen en vrede.” Is het nu, een jaar later, tijd voor vergiffenis? “Nee”, zegt ze daarin gesteund door alle leden van haar familie. “We moeten deze schande nog wat langer dragen.” Larush stelt zich verzoenend op. “Jullie heb ik vergeven”, antwoordt hij, “maar die moran wil ik niet meer groeten.”

Opnieuw waren het de ouderen die het conflict binnen de perken wisten te houden. Als het om problemen tussen leden van het eigen volk gaat dan beschouwen Samburu's vergiffenis als het hoogste goed. Is dit niet vandaag mogelijk, dan morgen. Is er een ander volk of stam bij betrokken, dan ligt het stelsel van waarden echter onmiddellijk anders.

Al eeuwenlang verkeren de nomadische volkeren in het schrale Noord-Kenia in competitie met elkaar. Veediefstal is er bijna zo oud als de mensheid, met het verschil dat er tegenwoordig ook moderne wapens worden ingezet. Eerder deze maand werd het Turkana-volk, zelf ook berucht om zijn veediefstallen, slachtoffer van zo'n vierduizend zwaarbewapende aanvallers. Zij doodden ruim dertig Turkana's en stalen tienduizend koeien, twintigduizend geiten, vijftienduizend kamelen en achthonderd ezels. Learat, een van de oude wijzen die optreden als bewakers van de Samburu-cultuur: “Komen Turkana's of Somaliërs onze koeien stelen, dan geven we de morans het recht hard terug te slaan. Ze mogen niet alleen ons vee terugstelen, maar eveneens dat van de Turkana's meenemen. Ze mogen een hele familie van de rovers uitmoorden, ja ook vrouwen en kinderen. We mogen wraak uitoefenen omdat de wraak zich anders tegen ons zal keren.”

Bloedwraak Nomaden als de Samburu's stellen zich warm en sociaal op voor leden van het eigen volk, maar tegen naburige volkeren treden ze keihard op. Toen hij nog moran was voerde Laerat regelmatig strijd om vee met Somaliërs, het grootste nomadische volk in de regio dat zowel in Kenia als Somalië zelf leeft. De uiterst mobiele Somaliërs zijn alom om hun krijgshaftigheid gevreesd. Zij aanvaarden het principe van bloedwraak. Dat is een van de voornaamste oorzaken van de voortdurende burgeroorlog in Somalië, waarbij drie jaar geleden het Amerikaanse leger betrokken raakte. De Samburu's leven in het laatste stukje van hun traditionele verleden; in het modernere Somalië zijn het wraak en vergiffenis die de toekomst van naties bepalen.

In Somalië is de trouw aan de eigen clan, de uitgebreide familiegroep, zo groot, de band zo hecht, dat iedere man de namen van zijn 25 voorvaderen moeiteloos kan opnoemen. Clan-oudsten en religieuze leiders beslechtten geschillen tussen clans onderling onder een boom - de 'boom van de gerechtigheid' in de Somalische poëzie - en spraken binnen hun clan recht volgens een eeuwenoude, ongeschreven grondwet. Deze nomadische democratie stond garant voor een delicate balans tussen de verschillende clans. Totdat Somalië een moderne natie werd, de politici de clans tegen elkaar gingen uitspelen en moderne wapens hun intrede deden. In de 'anarchie van de kalasjnikov' die volgde op de burgeroorlog in 1991 ontaarde het recht op wraak in barbarisme. De traditionele besluitvormingsstructuren hadden plaatsgemaakt voor ongecontroleerde bloedwraak.

In een door oorlog gehavende achterbuurt in Mogadishu sprak ik met Nur Ahmed Farah. Hij was vijf jaar toen hij voor het eerst oorlog meemaakte. “Mijn vader vocht in 1977 in het Somalische regeringsleger tegen de Ethiopiërs. Hij wilde mij de oorlog leren kennen en daarom nam hij me als klein kind mee naar het front.” De prijs voor deze vroege opleiding in geweld was het verlies van zijn rechteronderarm. Maar ook met maar anderhalve arm wist Nur uiterst behendig met zijn geweer om te gaan.

Na de oorlog met Ethiopië verliet Nurs vader het nationale leger. In 1983 hielden regeringssoldaten in Midden-Somalië de vrachtwagen aan waarin hij reed. Zij plunderden de goederen en schoten hem dood. “Slechts één gedachte hield mij daarna bezig”, verkondigt Nur, “ik moest wraak nemen. En dat is me gelukt!” Toen de oorlog tegen president Barre in 1989 begon sloot Nur zich aan bij de rebellen en slaagde erin om tien regeringssoldaten te doden. “Daar ben ik trots op!”

Bij de wraakactie door de beledigde clan hoeft niet noodzakelijkerwijs de moordenaar te worden gedood, een ander clanlid voldoet ook. Terwijl we zaten te praten in het huis van Nurs familie kwam zijn broer Abdi Yasin binnen. Hij had een hekel aan wapens, en schoof het geweer opzij dat tussen onze theekopjes op tafel lag. “Maar nu willen de broeders van de door jou gedode soldaten wraak op jou komen nemen”, bracht hij in. “Geen probleem, ik ben klaar voor ze”, reageerde Nur. Abdi Yasin verzuchtte: “Zie je wel, dat is nu het probleem van Somalië. We weten niet meer wat goed en slecht is. We zitten verstrikt in een vicieuze cirkel van geweld.”

Geen rancune In zuidelijk Afrika vormde vergevingsgezindheid juist een uitweg voor de spiraal van geweld. Bij de bittere oorlog tussen blank en zwart in het toenmalige Rhodesië eind jaren zeventig kwamen dertigduizend mensen om het leven, vooral zwarten. Robert Mugabe had als guerrillaleider gezworen de blanke premier Ian Smith te zullen berechten 'wegens misdaden tegen de mensheid'. Maar de zwarte wraak waarvoor de blanke Rhodesiër gevreesd had, vond niet plaats. Integendeel, een ijzige Smith mocht zitting nemen in het nieuwe parlement. Mugabe reikte de blanke gemeenschap de hand en de blanken mogen min of meer hun bevoorrechte positie van weleer behouden. Rancuneus zijn Afrikanen doorgaans zeker niet. President Nelson Mandela zou later in het nog veel meer dan Zimbabwe gepolariseerde Zuid-Afrika de deugd van vergevingsgezindheid tot nationale politiek verklaren.

Verzoening deed ook wonderen in Mozambique, waar de terreurbeweging Renamo het land vijftien jaar lang had verkracht. Renamo vestigde een record aan wreedheid door het afsnijden van oren, neuzen of geslachtsdelen van onschuldige burgers. Een miljoen Mozambikanen vond gedurende de oorlog de dood door geweld en honger. Afrika zal deze wrede oorlog niet gemakkelijk kunnen vergeten. Direct na het vredesakkoord kwam echter de verzoening tussen aanhangers van Renamo en van de regering op gang. “Renamo en regeringssoldaten, samen met hun aanhangers, drinken en spelen nu met elkaar” vertelde mij een lekenbroeder in het gehucht Nipepe dat jarenlang onder vuur van Renamo-strijders had gelegen. “Er heerst geen rancune. Voor ons Mozambikanen is het concept van één grote familie belangrijker dan een strijd tussen partijen.”

Aan mijn chauffeur Toni vroeg ik waarom Mozambikanen schijnbaar zo gemakkelijk kunnen vergeven. Oorlogen elders in de wereld zaaiden toch diepe, langdurige haat? “Die oorlogen gingen vaak om het verdedigen van ideologieën”, luidde zijn antwoord. “Men was het fundamenteel met elkaar oneens. De strijd in Mozambique ging nergens over, het was zelfs geen conflict tussen stammen. De bevolking begreep niet waarom er werd gevochten. Dan is verzoening gemakkelijker.”

In het hart van Afrika daarentegen lijkt de bevolking haar natuurlijke capaciteit voor vergeving te hebben verloren. Het scherpst ligt de tegenstelling tussen wraak en vergiffenis in het Gebied van de Grote Meren. Angst en xenofobie zetten al dertig jaar een stempel op de relatie tussen Hutu's en Tutsi's. Tijdens de laatste ronde van geweld vorig jaar in Rwanda vermoordden extremistische milities van de Hutu's in samenwerking met het regeringsleger en opgehitste Hutu-burgers onder aanvoering van politieke leiders straffeloos honderdduizenden Tutsi's en enkele tienduizenden gematigde Hutu's. Van verzoening is na anderhalf jaar geen sprake. De Hutu's willen de genocide nog steeds niet erkennen, ze tonen geen berouw, ze lijden aan een collectief geheugenverlies.

Jack was een moordenaar van de extremistische Hutu-militie Interahamwe. “We gingen van huis tot huis om Tutsi's te doden”, vertelde hij me destijds. Met zijn bebloede knuppel controleerde hij bij een wegversperring wachtenden op hun stamafkomst. “We roeiden hele families uit. In Kigali omsingelden we een kerk waar zeshonderd Tutsi-vluchtelingen bescherming hadden gezocht. We wachtten net zo lang tot ze uitgehongerd raakten en de kerk uitkwamen. Dan paften we ze neer.” Jack toonde geen enkel berouw: “Het was zelfverdediging. Als ik niet had gedood, dan hadden zij mij gedood.”

Het psychologische drama houdt de overlevenden van Rwanda in de greep. Wekelijkse ontdekkingen van massagraven roepen herinneringen en daarmee wraakgevoelens op. “Waarom eist iedereen van ons Tutsi's dat wij vergeven?” zegt een inwoner van Kigali. “De moordenaars hebben nog geen eens schuld bekend, laat staan dat ze zijn berecht.” Een Tutsi-moeder vond eerder deze maand in een grote stapel beenderen bij een net ontdekt massagraf het lichaam van haar dochter zonder hoofd. “Hoe kunnen we vergeven”, klaagde ze, “hoe kunnen ze van ons eisen weer met de Hutu's samen te leven, zolang we zelfs onze doden nog geen waardige begravenis hebben gegeven?”

In het Keniase bataljon van de troepenmacht van de Verenigde Naties in Bosnië dienden veel Samburu's. Geschokt keerden ze in Kenia terug, enkelen namen ontslag uit het leger. Ze waren van streek geraakt door het geweld dat ze daar hadden meegemaakt: dat mensen zo met elkaar omgingen, konden zij niet geloven. De Bosniërs legden geen eer in hun strijd, vonden de Samburu's.

Hadden deze Samburu's in Rwanda gediend, dan waren zij zo mogelijk nog geschokter teruggekomen. Voor de vergiffenis van de Samburu is alleen plaats in een afgeschermde clan- of stamstructuur, of in moderne, politiek stabiele naties. Op veel plaatsen van het continent echter verhieven moderne Afrikaanse leiders verdeel-en-heers tot hun beleid, in plaats van eenheid te benadrukken. Daar ligt altijd de wraak op de loer.