De man die iets kwijt was

Daarop nam Reinoud toen het schaakbord en sloeg Berthelot op zijn hoofd, zo hard dat hij hem tot de tanden doormidden kliefde.'' Middeleeuwse schaakverslaggeving.

In een ander verhaal wordt (in strijd met de historische waarheid) beschreven hoe Karel, zoon van Karel de Grote, mat werd gezet door een tegenstander die daar onbehoorlijk veel plezier in had. “En Karel pakte het schaakbord en sprak aldus: ha, wellustige ellendeling, moet je er zoveel over praten? En hij hief het schaakbord omhoog, en gaf hem er zo'n grote klap mee, dat hij al zijn hersenen naar buiten sloeg en zijn twee ogen uit zijn hoofd liet vallen, en hij viel dood midden in de zaal.“ Botten kraken en bloed spuit naar alle kanten in de middeleeuwse schaakliteratuur. Toch kan je niet echt over wraakacties spreken. De gewelddadigheden zijn er te vanzelfsprekend en spontaan voor. Iemand verliest, wordt kwaad en slaat zijn tegenstander de schedel in. Zo ging dat nu eenmaal. Als een leeuw die schuldloos een prooidier neerslaat. De gedachte aan wraak komt niet bij hem op.

Het volgende verhaal heb ik wel eens eerder naverteld, maar het mag hier niet ontbreken. Twee Bretonse edellieden hebben een hoog oplopende ruzie waarbij een van de twee ontmand wordt. Om de families met elkaar te verzoenen, laat de koning van Frankrijk de zoon van de castraat trouwen met de dochter van de castreerder. Het jonge echtpaar houdt van schaken. Tijdens een van hun partijen wordt de man weggeroepen. Een andere ridder neemt zijn stelling over, maar die is al reddeloos verloren, de ridder verliest buiten zijn schuld en de vrouw zegt: “Niet aan jou geef ik mat, maar aan de zoon van de man die iets kwijt is.“ Deze harteloze woorden komen de echtgenoot ter ore. Hij haast zich terug naar huis, maar gaat eerst even langs bij zijn schoonvader, de man die zijn vader heeft ontmand. Oog om oog, tand om tand. Thuis begint hij een nieuwe schaakpartij met zijn vrouw. Nu wint hij. Hij zegt: “En ik geef mat aan de dochter van de man die iets kwijt is,“ en hij smijt het geslacht van haar vader op het bord. Ja, dit mag de naam vergelding dragen.

In de moderne schaakliteratuur wordt veel geschreven over wraak, maar de voorbeelden zijn niet erg spectaculair. Iemand verliest en werkt daarna jaren aan een openingsnieuwtje waarmee hij later zijn nederlaag wreekt. A maakt een fout in een analyse die door B wordt opgemerkt, voor straf schrijft A een artikel over een analysefout van B. Het wonderkind Reshevsky wordt door Lasker zonder respect behandeld, vijftien jaar later veegt de gerijpte Reshevsky in Nottingham Lasker van het bord. De kleine Joël Lautier werd in Belfort door Kasparov de perskamer uitgestuurd toen hij wees op een analysefout van Kasparov, en nu heeft de volwassen Lautier tegen Kasparov een positieve score. Tarrasch zegt dat Yates te zwak is om mee te doen en Yates verliest inderdaad van bijna iedereen, alleen wint hij van Tarrasch. Je zou het wraak kunnen noemen en misschien werd het door de betrokkenen ook wel zo gevoeld, maar van een indrukwekkende boosaardigheid is het niet.

Dichter in de buurt komt het verhaal van de Russische schaaktrainer Alexander Nikitin, zoals hij het beschrijft in zijn boek Mit Kasparow zum Schachgipfel. In 1976 werkte Nikitin voor het Sportcomité, de hoogste instantie in de Sovjet-Unie op sportgebied, veel machtiger dan het bestuur van de schaakbond. Nikitin had een Frans persbericht gezien waaruit bleek dat wereldkampioen Karpov in Tokio onderhandelingen met Fischer voerde over een match om het wereldkampioenschap. Nikitin wist dat Karpov voor die onderhandelingen geen toestemming had gekregen van de schaakbond of van het Sportcomité. Een zeer ernstig vergrijp voor een sovjetburger. Het was de plicht van Nikitin om dit aan zijn superieuren te melden. Die superieuren waren daar helemaal niet blij mee. Wat Nikitin niet wist, was dat Karpov voor zijn onderhandelingen wel toestemming had gekregen van een nog veel hogere instantie, het Centraal Comité van de Communistische Partij. Nikitin had zijn bazen alleen maar in verlegenheid gebracht met zijn loslippigheid. Het geval kwam Karpov ter ore. Karpov eiste dat Nikitin uit zijn hoge functie verwijderd zou worden. Dat gebeurde ook. Nikitin werd beschuldigd van 'immoreel gedrag tegenover zijn beschermeling (Karpov)', hij werd ontslagen en gedegradeerd tot eenvoudig schaaktrainer van de club Spartak. Onder de leden van deze club was een veelbelovende dertienjarige jongen, Gari Kasparov. Nikitin zag zijn kans. Hij zwoer dat hij de intrigant Karpov, die zijn carrière verwoest had, van de troon zou stoten en wel op dezelfde manier als zijn voormalige 'beschermeling' zelf zijn wraakacties placht uit te voeren, niet eigenhandig maar door middel van anderen. Voor Nikitin zou Kasparov het werktuig voor zijn wraak worden. De volgende jaren besteedde Nikitin al zijn talent en energie aan de training van Kasparov. In 1985 bereikte hij zijn doel: Kasparov versloeg Karpov.

Zo beschrijft Nikitin de gang naar het wereldkampioenschap van Kasparov als een geslaagde negenjarige wraakactie van hemzelf. Hij is ervan overtuigd dat Kasparov zonder zijn hulp nooit wereldkampioen zou zijn geworden. Niet al zijn lezers zullen die overtuiging delen. Aan Karpov zal het verhaal over Nikitins wraak goed besteed zijn geweest. Karpov is gevoelig voor het belang van kleinigheden en het begrip wraak is hem zeer vertrouwd. Hij heeft een boek geschreven, Leer van je nederlagen, dat geheel gevuld is met partijen waarin hij wraak nam voor een kort daarvoor geleden nederlaag. Sommige boosdoeners ontsnapten hem, doordat hij nooit meer een partij tegen hen kon spelen. Igor Ivanov bijvoorbeeld, die kort na zijn overwinning op Karpov naar Canada uitweek. Karpov besluit zijn boek met de verzekering: “Voor hen sta ik op ieder moment klaar.“

Is er een mooi voorbeeld van vergeving in de schaakwereld? Niet veel in ieder geval. Misschien Tartakower. In 1946 waren in Londen veel topschakers bijeen voor het Victory Tournament. Er werd veel gepraat over wereldkampioen Aljechin, die tijdens de oorlog stuitende antisemitische artikelen had geschreven. Euwe werd aangewezen als voorzitter van een spelersraad die moest aangeven of en hoe Aljechin voor zijn collaboratie gestraft zou worden. Er was slechts een speler die niet meedeed aan de algemene veroordeling van Aljechin. Dat was Saviely Tartakower. Tartakower sprak over hypocrisie. Hij zei dat iedereen voor de oorlog al wist dat Aljechin antisemiet was, en dat niemand zich er toen aan had gestoord. Hij hield ter plekke een inzamelingsactie voor Aljechin, die er in Portugal slecht aan toe was.

Het optreden van Tartakower maakte veel indruk. Hij was iemand die, om het cynisch en gruwelijk uit te drukken, recht van spreken had. Hij was een jood van Pools-Oostenrijkse afstamming, in 1887 geboren in Rostov aan de Don in de Oekraïne. In 1899 werden zijn ouders in een pogrom vermoord. Hij ging, een kind van elf of twaalf, naar het buitenland, eerst naar Genève, later naar Wenen. In de Eerste Wereldoorlog vocht hij voor Oostenrijk en werd hij wegens grote dapperheid onderscheiden. In 1924 vestigde hij zich in Parijs. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak wist hij naar Londen uit te wijken, waar hij dienst nam in het leger van de Vrije Fransen van DeGaulle.

Tartakower kon voor Aljechin pleiten zonder dat bij iemand ook maar de gedachte kon opkomen dat hij sympathie had voor diens collaboratie. Hij kon het zich permitteren om Aljechin te vergeven.

Maar was het wel echte vergeving? Was vergeving mogelijk in januari 1946? Euwe beschreef later Tartakower als iemand die niet geneigd was om zich bij een menigte te voegen en een grote hekel had aan massademonstraties. Misschien had Tartakower meer ergernis over de eendracht van zijn collega's, dan vergevingsgezindheid tegenover Aljechin. En misschien kan zijn inzamelingsactie ook worden begrepen als een subtiele wraakactie op de man die triomfantelijk had geschreven dat er waarschijnlijk nooit meer een joodse schaakwereldkampioen zou komen, en die hij nu de vernederende boodschap kon brengen: je wilde ons laten vermoorden, maar ik heb je vergeven.