De brandhaard voorbij

JORIS VOORHOEVE: Labiele vrede

288 blz., Balans 1995, ƒ49,50

“De wereldpolitiek raast zo snel voort, dat een mens vaak terugverlangt naar de rust en de helderheid van vroeger tijden.” Aldus begint Joris Voorhoeve zijn recent verschenen boek Labiele vrede. Die zin is niet typerend voor het peil van de daarop volgende beschouwingen over internationale politiek en de rol van Nederland daarin: de auteur, behalve onze minister van defensie ook oud-directeur van 'Clingendael', onze vaderlandse denk-tank voor buitenlandse betrekkingen, is te onderlegd om het te laten bij zo'n summiere analyse van het tijdsgewricht.

Typerend voor de stijl van het boek is die eerste zin helaas wel. Zelden is er over zo'n dynamisch onderwerp als de wereld na de Koude Oorlog zo uitgesproken duf geschreven. Een hoogtepunt - of dieptepunt zo men wil - is hoofdstuk 18 ('Uitzending van militairen'), een bewerking van een ambtelijk stuk ('Toetsingskader Uitzending Militaire Eenheden') dat Voorhoeve eerder dit jaar naar de Tweede Kamer heeft gezonden. 'Een mens' kan bij lezing van dit proza een gaap niet onderdrukken.

Het lijkt alsof de auteur, na de hectische zomer die hij vanwege het debâcle in Srebrenica goeddeels in 'de bunker' meemaakte, alles op alles heeft gezet om elke schijn van brille of oorspronkelijkheid te vermijden. Labiele vrede is niet meer dan een leerboek der internationale betrekkingen geworden - des te merkwaardiger, omdat wij weten dat auteur Voorhoeve de laatste tijd volop in het leven staat. Weinig theoretici op het gebied van politiek en internationale relaties is het beschoren zelf te mogen bijdragen aan de verwezenlijking van hun denkbeelden, maar Voorhoeve - als minister van defensie politiek verantwoordelijke voor de inzet van de strijdkrachten in onder meer ex-Joegoslavië - is een uitzondering. Dat blijkt helaas bijna nergens op deze zouteloze pagina's.

Afstandsbediening

Voorhoeve wil met zijn Labiele vrede aantonen dat “kleine landen zonder macht toch een positieve invloed kunnen uitoefenen door sterke internationale organisaties over landen heen te helpen spannen, die de vraagstukken van de volgende eeuw tenminste beter beheersbaar zullen maken”. Dat lijkt een bescheiden taakstelling gezien het leed in huize-Voorhoeve uit het begin van het boek: “Tijdens het avondeten staat de televisie aan. De dagelijkse portie granaatscherven, terroristische aanslagen, hongeroedeem of cholera ontneemt je alle eetlust. Uit zelfbescherming druk je op de knop van de afstandsbediening”.

Verdringing, noemt men deze verwerkingstaktiek in vulgair-freudiaanse terminologie, en ook in Labiele vrede grijpt Voorhoeve naar dit middel. “Getracht is”, zo schrijft hij in het eerste hoofdstuk, “de actualiteit van Bosnië, Rwanda of andere brandhaarden niet te laten domineren, en iets te schrijven dat ook op andere problemen van toepassing kan zijn”.

In het niet laten domineren van de gang van zaken in Bosnië is de auteur volledig geslaagd. De val van Srebrenica, misschien het voornaamste wapenfeit van minister Voorhoeve tot nu toe, komt slechts twee keer terloops aan de orde. Het is even zoeken, want de naam van het plaatsje is niet opgenomen in het register van eigennamen en het onderwerp beslaat niet meer dan zeventien gedrukte regels. De eerste maal, op pagina 196, is het de auteur erom te doen, aan te tonen dat internationaal duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over tijdige aflossing van vredesbataljons, het “overnemen van de estafettestok”, zoals hij het uitdrukt. Voorhoeve beschrijft hoe moeilijk het was een land te vinden dat de Nederlanders zou aflossen: “Oekraïne verklaarde zich in juni 1995 bereid. Voordat aflossing plaats kon vinden, werd de enclave echter militair onder de voet gelopen door de Bosnische Serviërs”.

De tweede vermelding heeft betrekking op de centrale stelling van het boek, dat een klein land als Nederland extra zijn best moet doen - vooral op militair gebied - om in het internationale leven enig gewicht in de schaal te leggen. “Wie extra moeilijke taken op zich neemt, loopt ook extra risico's,” waarschuwt Voorhoeve. “Zo werd Nederland aanvankelijk zeer geprezen voor zijn moed toen het in 1994-95 de verantwoordelijkheid voor peacekeeping in de moslim-enclave Srebrenica in Bosnië droeg, maar kreeg het kritiek toen de enclave door Servische strijdkrachten onder de voet werd gelopen.”

Gêne

Dat is alles, van verdere lering uit de gebeurtenissen in Srebrenica geeft Voorhoeve in dit boek geen blijk. Geen spoor van gêne over de gronden van de internationale blaam voor de Nederlandse troepen, zoals de officier die het glas hief met de Servische generaal wiens mannen zich even verderop aan massa-executies overgaven, en de pogingen van het Nederlandse defensie-apparaat om vervolgens aanwijzingen voor een humanitaire ramp in Srebrenica te negeren of in de doofpot te stoppen.

Als een strategisch denker maakt Voorhoeve zich kennelijk niet druk over concrete onbenulligheden. En zo komt het dus dat Nederlandse soldaten dezer dagen wederom naar ex-Joegoslavië tijgen, om ons landje in den vreemde een klein maar dapper partijtje te laten meeblazen. Hun taak is de uitvoering in Navo-verband van een van de meer onwaarschijnlijke bepalingen uit de Dayton-akkoorden: de overdracht van een recent door Kroatische- op Servische troepen veroverd gebied aan de Serviërs. Geen nood: net als bij de gang naar Srebrenica brengt de publiciteitsafdeling van defensie officieren voor de televisiecamera's die een 'robuuste aanpak' van Nederlandse zijde in het vooruitzicht stellen.

Het kan dus niet meer misgaan, hoeveel Nederlandse en inheemse armen, benen en levens dit nieuwe vlagvertoon wellicht ook moge kosten. In huize Voorhoeve houdt men de afstandsbediening binnen handbereik.