De beste honkballer ter wereld blijft Castro trouw; Omar Linares: 'In Amerika spelen ze voor het geld, wij spelen voor de mensen'

Omar Linares, Cuba's populairste honkballer, heeft de luxe van het Westen bewust aan zich laten voorbijgaan. Talloze aanbiedingen om in het buitenland te komen spelen, sloeg hij af. Linares blijft in Cuba, waar hij met zijn familie en zijn hond Blanquita in betrekkelijke luxe leeft. Portret van een honkbalheld.

De invallende duisternis in de provinciestad Pinar del Rio vergroot het effect: de petieterige rode lampjes die knipperen als een kermisattractie maken een omtrekkende beweging rond de kentekenplaat van de kobaltblauwe Lada. De auto maakt aanstalten om weg te rijden, maar een behulpzame Cubaanse voorbijganger weet dat met een luide schreeuw te voorkomen. Hij weet dat dit de auto van Omar Linares Izquierdo is, de beste honkballer van Cuba en uit dien hoofde nationale held. Niet Omar maar zijn vader stapt uit, om te vertellen dat zijn vermaarde zoon gewoon binnen zit. Vader Linares is met zijn andere zoon, Juan Carlos, die eveneens in het eerste van Pinar del Rio uitkomt, op weg naar een training.

Het is amper twee uur na de gewonnen wedstrijd tegen Cienfuegos. Ook in de eerste twee wedstrijden tegen deze ploeg behaalde Pinar del Rio gemakkelijke zeges. Alle drie de wedstrijden werden wegens de brandstofcrisis die het land al jaren in zijn greep houdt bij daglicht gespeeld.

Het huis van Linares ligt tegenover een bouwonderneming en een bureau van de communistische partij. De manshoge omheining rondom huis en tuin is een hindernis zonder betekenis. Het hek zit niet op slot. Na één keer bellen zwaait de deur van het vrijstaande huis aan de Calle Martí open. Een stevige, gezonde Cubaan van 1 meter 85 en 93 kilo staat in de deuropening. Op sportschoenen, van onder tot boven in het wit, een paar gouden kettingen om de nek. Het verzoek om even met hem te mogen kennismaken, wordt begroet met een verrassende vanzelfsprekendheid.

De populariteit van nummer 10, zowel bij Pinar del Rio als in het nationale team, kent in Cuba geen grenzen. Hij is de lieveling van het grote publiek. Honkbal is de populairste sport op het eiland, dus uitblinkers worden door miljoenen op handen gedragen. Op de omslag van het najaarsnummer van Cuba Internacional, een tijdschift dat in Spaanstalige landen verschijnt, staat een lachende Linares voorzien van het predikaat “El mejor pelotero del mundo”, een titel die onder anderen de nationale honkbalcoach Jorges Fuentes hem toedicht. De beste honkballer ter wereld. In elk geval de beste amateur.

Het onaangekondigde bezoek mag plaatsnemen in gemakkelijke stoelen in een soort voorkamer, die ongeveer een meter hoger ligt dan de woonkamer met het comfortabele bankstel. Boven de zithoek een schilderij met vechtende herten, op de bank een speelgoedbeer, er tegenover een Sony kleurentelevisie met videorecorder.

El niño, het kind, wordt hij genoemd, ook al is hij 28 jaar. Zijn bijnaam verwierf hij wegens zijn doorbraak op zeer jonge leeftijd. Als 14-jarige maakte hij zijn internationale debuut, in Venezuela, op het tweede honk. Twee jaar later werd hij op een toernooi in Canada uitgeroepen tot de meest complete speler van het evenement. Sindsdien wuifde Linares achteloos miljoenencontracten in de Verenigde Staten en Japan weg. Inclusief een aanbod dit voorjaar om voor anderhalf miljoen dollar per jaar bij de New York Yankees te komen spelen. “In Amerika spelen ze voor het geld, wij spelen voor de mensen.”

Linares zal Cuba nooit de rug toekeren, roept hij elke keer als hij in het buitenland om commentaar wordt gevraagd. Hij handelt er al ruim tien jaar naar. “Ik ben de tel kwijtgeraakt, zoveel aanbiedingen heb ik al gekregen om in de Verenigde Staten te komen honkballen”, zegt hij. “Maar ik heb het goed in Cuba en ik wil mijn familie niet verlaten.” Steeds als hij bij buitenlandse trips wordt gevraagd waarom hij zijn land niet voorgoed verlaat, is het alsof de naald op een socialistische plaat wordt gezet. Linares dreunt dan de door Fidel Castro geliefde one-liners op, zoals deze: “Ik ben een produkt van de revolutie. Die heeft me gevormd en opgevoed.” Thuis is hij een stuk zwijgzamer.

Hier zit geen overloper; wel een Cubaan die van de leuke dingen in het leven houdt. Een mooi huis, van alle gemakken voorzien, elk jaar een nieuwe Lada, goed eten. Een jongen die ook van zijn buurt houdt, van zijn familie. Vanuit zijn comfortabele positie koestert hij ook zijn volk en zijn leider. Aan de muur in de voorkamer hangen twee foto's. Een kleurenportret van zijn dochtertje Sanmira uit zijn eerste huwelijk en een zwart-witfoto waarop hij samen met Castro figureert, na het behalen van weer een kampioenschap.

Linares wil zijn huis wel aan de ongenode gast laten zien. Net als zijn Lada is de gelijkvloerse woning een beloning voor zijn prestaties binnen el diamante, zoals het ruitvormige speelveld liefkozend wordt genoemd. “Kom maar mee.” We snellen langs de drie slaapkamers waarvan hij de deuren openzwaait, een tot bijkamer omgewerkte gang, met Philips-kleurentv. De meeste Cubanen moeten het doen met een zwart-wittoestel, meestal afkomstig uit de voormalige Sovjet-Unie. Uit de keuken komt een heerlijke geur. De familie Linares eet vanavond kip, bereid door Omars tweede vrouw, Yanelis. Vanavond kan ze nog voor hem koken, morgen trekt Linares weer voor drie dagen landinwaarts, om met zijn team in en tegen Sancti Spiritus te spelen.

Na de kapitale inbouwkeuken is het de beurt aan de kamer waar de trofeeën worden bewaard. De deur geeft toegang tot een aardedonker vertrek. Waar blijft het licht? Linares beweegt tevergeefs de lichtschakelaar heen en weer. De TL-buis aan het plafond heeft het begeven. “Wacht maar even.” Linares duikt een andere kamer in, komt terug, stopt een stekker in een stopcontact. Opeens is er een zee van licht. Geen wonder, want de kampioen bedient zich van een bouwlamp. De hoeveelheid bokalen, medailles, oorkondes, diploma's en bekers is adembenemend. Met wat hij hier bij elkaar geslagen heeft, kan hij zijn eigen sportmuseumpje beginnen. Met de bouwlamp strijkt hij langzaam langs de prijzen. Zonder een zweem van dikdoenerij, eerder verlegen, toont hij zijn schatkamer. Tussen medailles en bekers een portret van Che Guevara. Tussen de vele plakken de - tot nu toe - enige gouden olympische medaille, die in 1992 in Barcelona werd behaald. Voor de gouden medaille van Atlanta is nog wel een gaatje te vinden.

Linares is de eenvoud zelve, een jongen van het platteland. Ongeveer twee jaar terug woonde hij nog buiten Pinar del Rio, in San Juan y Martínez. Dit dorp ligt in een heuvelachtig landschap waar ossen het werk van tractoren doen. De meeste jongens en mannen rijden er niet in auto's, maar zitten op een paard, en zien de wereld vanonder een strohoed. Hier gedijen niet alleen talentvolle honkballers, maar groeit ook de beste tabak ter wereld. Een van de geruchten die over Linares de ronde doen, is dat hij op zijn buitenlandse reizen uitstekende zaken doet met de verkoop van Cubaanse sigaren.

Een half uur later staan we weer buiten, weg uit de fata morgana, terug in de oase van de armoe. Bij het hek nieuwsgierige blikken van jonge aficionados. We worden uitgeleide gedaan door Omar Linares en zijn hondje Blanquita. De honkballer kan aan tafel. Op zijn dooie gemak kuiert de man die de 100 meter in 10,6 seconden loopt, terug naar zijn woning. De kip wacht.