De almacht van de afstandsbediening

CHARLES GROENHUIJSEN en AD VAN LIEMPT: Live! Macht, missers en meningen van de nieuwsmakers op tv

254 blz., geïll., Sdu Uitgevers 1995, ƒ39,50

In de ruim veertig jaar dat er in ons land televisie is, heeft het medium een ingrijpende verandering doorgemaakt. Terwijl in de jaren vijftig en zestig 'Hilversum' met een kleine hoeveelheid zendtijd de grootste gemene deler van het publiek bediende, worden nu door een grote hoeveelheid commerciële en publieke stations heel veel programma's gemaakt voor een versplinterd kijkersgroep. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de wijze waarop het grote publiek wordt geïnformeerd. Werd vroeger een avond lang gekeken naar zenders waarop een mengsel was te zien van verstrooiing en informatie, eenvoudig omdat er niks anders was, tegenwoordig is de kijker al zappend in staat vrijwel alle programma's met serieuze informatie te vermijden.

Knieval

Die ontwikkeling is een bron van zorg voor twee makers van dit genre programma's, Charles Groenhuijsen en Ad van Liempt, oud-redacteuren van het NOS-journaal en thans respectievelijk presentator en eindredacteur van NOVA.In Live!, een vrij volledige en ook kritische visie op de ontwikkeling van de televisie in de afgelopen vier decennia, signaleren de auteurs een gevaarlijke tendens: enerzijds neigt de media-consument er steeds meer naar zich voor zijn informatievoorziening volledig te verlaten op de beeldbuis, anderzijds maken commerciële, maar ook publieke stations een knieval voor de wensen van de modale toeschouwer. Dat leidt tot “een verdere tweedeling van het kijkerspubliek”, concluderen Groenhuijsen en Van Liempt.

Televisie is in steeds meer huishoudens de enige bron van informatie geworden: kranten worden door jongeren en allochtonen nauwelijks gelezen, zo blijkt uit onderzoek. “Lezen over politiek, cultuur of geschiedenis zal onder steeds grotere groepen een zeldzame bezigheid worden,” voorspellen de auteurs. Onderzoek in Duitsland heeft aangetoond, dat de jongeren die elke avond zorgvuldig met de afstandsbediening langs serieuze informatie laveren, dat gedrag op latere leeftijd niet veranderen. “Als zo'n trend zich ook in Nederland ontwikkelt,” stellen Groenhuijsen en Van Liempt, “kan dat grote gevolgen hebben voor informatieve programma's. Hun publiek zal dan immers verder vergrijzen zonder aanwas van 'oudere jongeren'.”

Blunders

De auteurs doen niet meer dan dit probleem signaleren: passende antwoorden biedt Live! niet. Toch is het boek voldoende prikkelend, al is het maar omdat de Groenhuijsen en Van Liempt erin zijn geslaagd de meest relevante theorieën en resultaten van onderzoeken uit de massacommunicatie te verwerken in een vooral aan de praktijk ontleende verhandeling. In een met aardige anekdotes doorspekt hoofdstuk verhalen de auteurs van de eerste, moeizame samenwerkingspogingen tussen publieke omroepen in de jaren na de komst van RTL4 in 1989. Daarbij verhullen ze hun NOS-achtergrond niet: trots vermelden zij dat bij calamiteiten en masse voor de publieke omroep wordt gekozen en dat de NOS met nieuws- en informatieprogramma's “adequaat heeft ingespeeld op het zap-gedrag van de kijker”. Elders betogen Groenhuijsen en Van liempt dat het NOS-Journaal “completer en genuanceerder” is dan het RTL Nieuws, alsmede “sneller in staat conflicten en incidenten op juiste waarde te schatten”. Een erg hoge dunk voor het vermogen van de televisie-journalistiek leggen de schrijvers van Live! overigens niet altijd aan de dag. In het hoofdstuk over de 'nieuwsselectie' wisselen wapenfeiten en blunders elkaar af. Tot de laatste categorie behoorde de aandacht die het NOS-Journaal en NOS-Laat in 1991 besteedden aan het anti-aidsvaccin dat zou zijn gevonden door de Tilburgse hoogleraar Buck. Een regelrechte canard, zou later blijken. Toch verdedigen de auteurs de enigszins naïeve houding van het informatieve geweten van de publieke omroep: “Maar de vraag blijft of de tv-journalist veel meer kan doen dan op een kompas van een internationaal gereputeerd tijdschrift varen en bij andere bronnen nagaan of het een deugdelijk onderzoek betreft.” Wat de NOS deed was echter, voorzover ik mij kan herinneren, het andere uiterste: alvast langdurig en trots de loftrompet steken voor deze Nobelprijswinnaar in spé.

Journalisten van landelijke tv-programma's zouden beter moeten worden geschoold, vinden niettemin de auteurs. Zij betreuren het dat de regionale en lokale zenders nog onvoldoende fungeren als “kweekvijver van talent voor de landelijke omroep”. De functie van eindredacteur van een nieuwsuitzending wordt in Live! afgeschilderd als “een baan voor opportunisten pur sang, die nooit verlegen zitten om een gelegenheidsargument”. Ook de tv-verslaggever heeft volgens Groenhuijsen en Van Liempt 'een wat onhebbelijke eigenschap': “Wanneer ze bij groot nieuws de keus hebben tussen hun mond houden of noodgedwongen onvolledig zijn, kiezen ze voor het laatste. (...) Als ze, wanneer de censuur niets meer toelaat, de keus hebben tussen hun koffers pakken of desnoods zelf het rode potlood van de censor slijpen, doen ze vaak het laatste.”

Dit cynische beeld van de beroepsgroep waartoe de auteurs zelf behoren, wordt verklaard uit 'ijdelheid', die “nogal eens de brandstof van journalistieke ijver” is. Groenhuijsen en Van Liempt doen er nog een schepje bovenop, door vast te stellen: “Journalistieke en persoonlijke ambities strijden om voorrang. (...) De stand-up, het voor de camera geleverde commentaar van de verslaggever, is voor menig tv-journalist het hoogst en mooist bereikbare in zijn vak. Zo ontstaat een gevaarlijk mengsel van propaganda, censuur en leugens aan de ene kant en ijdelheid, ambitie en geldingsdrang. Dat mengsel is geen voedingsbodem voor een oprechte zoektocht naar de Waarheid.” Dat de produkten van deze opportunistische en ijdele redacteuren bij de kijker nauwelijks beklijven, zoals beschreven in het hoofdstuk 'Televisie en zijn impact', wekt dan ook weinig verbazing. De auteurs constateren dat nieuwsuitzendingen van commerciële en ook publieke stations hooguit twee of drie gewelddadige conflicten kunnen verdragen; brandhaarden waar nauwelijks tv-aandacht naar uitgaat, 'bestaan' in feite niet. En wanneer er wel ruime aandacht is, zoals bijvoorbeeld voor de Golf-oorlog, dan wordt een uiterst ongenuanceerd en door de Amerikaanse propaganda tot in details gemanipuleerd beeld geschetst: “Televisie houdt niet zo van nuances.”

Conflicten

Maar kan televisie dan niet bijdragen aan de oplossing van conflicten, vragen de auteurs zich na hun weinig flatteuze zelfportret af. Nee, ook in het tijdperk van de directe satellietverbindingen doet de televisie niet meer dan het signaleren van incidenten: van de Golfoorlog naar Ruanda, van Somalië naar Bosnië, steeds trekt de internationale camerakaravaan naar een andere brandhaard, zonder dat het de wereld verandert. Een inzamelingsactie na beelden van een hongersnood, geschrokkken politici na gruwelijke beelden uit Bosnië - dat kan televisie teweegbrengen. “Tv heeft kortstondige invloed, zeker”, geven Groenhuijsen en Van Liempt toe. “Maar uiteindelijk wordt de politieke wil om problemen te helpen oplossen niet door publiciteit afgedwongen.” - Althans, niet door televisie-publiciteit.