Banketbakkers en Duitsers achter eerste 'kersboom'

Al ver voor de christelijke jaartelling was de kerstboom hèt Germaanse symbool voor het midwinterfeest, zo wil de overlevering. Maar in Nederland is de eerste kerstboom pas gesignaleerd omstreeks 1835. Dat valt te lezen in 'De opkomst van kerstboom en kerstviering in Nederland (ca. 1835-1880)', een onderzoek van A. Dekker van het P.J. Meertens-Instituut voor volkskunde. Begin negentiende eeuw was in Nederland de tijd er rijp voor. De Duitsers vierden kerst al langer met een boom en geschenken en de invloed van de Duitse cultuur op adel en hogere burgerij was in die tijd aanzienlijk. Bovendien zagen volksopvoeders in de kerstboom een probaat middel voor huiselijkheid en gezinsvreugde.

De eerste krantenadvertentie waarin een kerstboom voorkomt vond Dekker in het Algemeen Handelsblad van 23 december 1844. Het was banketbakker Nölken - gevestigd in Amsterdam en van Duitse afkomst - die voor zijn zaak het volgende had bedacht: 'Zondag, Maandag en Dinsdag Avond van 6 tot 8 Ure zal er een luisterrijk Geïllumineerde Kersboom te zien zijn'. Twee jaar later volgt de advertentie van de eveneens van Duitse afkomst zijnde speelgoedwinkelier D. Esser van het Nieuw Magazijn van Kinderspeelgoed in de Kalverstraat. Onder zijn 'Kersboom' liggen 'nieuwe Fransche en Duitsche artikelen, exquise kinderspelen, voorwerpen van smaak, keurig gekleede kinderpoppen, enz. enz.'. Maar de banketbakkers, zo schrijft Dekker, zijn in die tijd vooralsnog de belangrijkste kerstmisadverteerders. “De belangrijkste reden hiervoor is dat hun bonbons en chocoladefiguurtjes ieder jaar weer als kerstboomversiering dienst moeten doen alvorens te worden opgegeten.”

Dat de Nederlander in die tijd nog steeds niet goed raad weet met het verschijnsel blijkt uit een advertentie van de firma Hunck uit 1848. Hunck biedt kant en klaar versierde bomen aan 'zoo als ze behoren te zijn'. Pas vanaf 1867 wordt ook met onversierde kerstbomen geadverteerd. De prijs is dan inmiddels gedaald van een à drie gulden in 1858 tot 60 cent à een gulden in 1875. In 1879 kosten de bomen nog maar 35 cent per stuk. Dan zijn inmiddels ook de eetbare kerstkransjes voor een deel vervangen door geëmailleerde glazen versieringen - die gaan wat langer mee.

Aan de popularisering van de kerstboom heeft het koninklijk huis een belangrijke bijdrage geleverd, vertelt Dekker. “Diverse leden waren al heel vroeg met de Duitse kerstviering vertrouwd.” Wanneer het koninklijk huis voor het eerst een kerstboom heeft gezet, weet Dekker niet, maar in een bericht in de NRC van 27 december 1858 staat: “Gisteravond was op het paleis van HHKKHH prins en prinses Frederik, bij gelegenheid van den kersavond, een kersboom geplaatst, waarvan vele geschenken aan het gevolg van HHKKHH zijn uitgedeeld. Ook het gevolg van HM de koningin is met geschenken vereerd.”

Pas in de twintigste eeuw verloor de kerstboom haar exotische karakter, vertelt Dekker. Te beginnen tijdens de Eerste Wereldoorlog - in geïllustreerde tijdschrijften verschenen foto's van kerstbomen in loopgraven - om definitief door te breken in de jaren zestig. Zelfs katholieken en streng gereformeerden sleepten toen het van oorsprong heidense symbool de drempel over.

Tot die tijd vierden katholieken de kerstgedachte alleen met een kribbe, vertelt G. van Tillo, priester en hoogleraar godsdienstsociologie aan de faculteit der godgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam. Maar de vrijheidsgedachte van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) maakte het volgens hem mogelijk “om te experimenteren met symbolen”. Veel heidense symbolen hebben in de loop van de geschiedenis een christelijke betekenis gekregen, zegt Van Tillo. “De kerstboom zelf heeft weliswaar nog geen christelijke duiding, maar je kunt er wel weer engeltjes in hangen.”