Verzonnen vergezichten; Onevenwichtig lexicon van kunst over Nederlands-Indië

Leo Haks en Guus Maris: Lexicon of Forein Artists who visualized Indonesia (1600-1950). Surveying painters, watercoulorists, draughtsmen, sculptors, illustrators, graphic and industrial artists. Uitg. Gert Jan Bestebreurtje, 528 blz., Prijs ƒ 400,-.

Weinig weken gaan voorbij of er verschijnt weer een publikatie over het voormalige Nederlands-Indië. Historische studies over de economie en het bestuur in de VOC-tijd en de latere koloniale periode, beschrijvingen van reizen door de archipel uit de 19de eeuw, terugblikken van planters, bestuursambtenaren, voormalige kampgevangenen, oud-stijders en diplomaten. Het wachten is nog op een boek dat nauwkeurig de voorbereidingen voor en het verloop van het laatste staatsbezoek reconstrueert. Naast deze geschreven studies en terugblikken is er een markt voor de fotoboeken die ons doorgaans een idyllisch Indië laten zien en zo nu en dan verschijnt er weer een documentaire op de televisie waarop we ook het oude Indië ook nog zien bewegen.

Wat tot nu toe weinig aandacht heeft gekregen is de manier waarop Indië en haar inwoners gedurende de 350 jaar van Nederlandse aanwezigheid is verbeeld, dat wil zeggen, getekend, geschilderd, gegraveerd of in brons of steen is vereeuwigd. De Nederlandse musea en bibliotheken bevatten veel materiaal op dit gebied en er zijn wel eens tentoonstellingen over dit onderwerp georganiseerd, maar een overzichtswerk ontbrak. Er bestond tot voor kort maar een boek dat in de buurt kwam: Verlaat Rapport Indië van J. de Loos-Haaxman uit 1968. Dat er wel degelijk belangstelling voor de visuele representatie van Indië bestaat, bewijzen de veilingen op dit gebied die steeds vaker worden gehouden. Het is dan ook geen toeval dat twee kunsthandelaren de zware taak op zich hebben genomen een lexicon samen te stellen van kunstenaars die Indië hebben verbeeld. Zij hebben ruim drie jaar gewerkt aan dit mooi uitgegeven boek. Het bevat 3000 korte vermeldingen van kunstenaars en ruim 600 afbeeldingen. Bij elke kunstenaar (voor het overgrote deel Nederlanders, maar ook opvallend veel Duitsers en in minder mate Engelsen) staan gegevens vermeld over het leven en het werk, waar hij of zij geëxposeerd heeft, waar nog werk te zien is welke literatuur er over bestaat.

Het boek is dus een naslagwerk voor iedere kunsthandelaar, verzamelaar, museumconservator of liefhebber die meer wil weten over een bepaalde kunstenaar. Het is dan ook direct geïnspireerd op een vergelijkbaar werk, het tweedelige Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1880 van Pieter A. Scheen, in de wandeling aangeduid met 'de Scheen'.

Het Indische lexicon is alfabetisch gerangschikt en al bladerend komt de lezer een grote variatie aan kunstenaars tegen uit ruim drie eeuwen. En hoewel ze allen zijn verzameld onder de naam 'artists' zijn het lang niet allemaal beroepskunstenaars. Ik meen vijf groepen te kunnen onderscheiden. Ten eerste de topografen: tekenaars die zo nauwkeurig mogelijk het land vastlegden. Hun produkten hadden een praktisch doel: militair, economisch, nautisch en soms als voorbereiding voor de illustratie van een wetenschappelijk boek. De tekenaars waren zeelieden, cartografen, ingenieurs of militairen die daarvoor een tekenopleiding hadden gevolgd.

Dan hebben we de groep documentaire natuurhistorische tekenaars. Zij tekenden de flora en de fauna en wat dat betreft bestaat er een briljante traditie, die al in de zeventiende eeuw begint met mensen als Rumphius en Lamotius, die respectievelijk schelpen en vissen tekenden, tot in de 19de eeuw met bijvoorbeeld de Duitser Hermann Schlegel die zich in vogels specialiseerde.

Een derde groep wordt gevormd door de ontwerpers van toegepaste kunst, van reclamemateriaal als affiches, boekomslagen, boekillustraties, bankbiljetten en postzegels. Hiertoe kunnen ook gerekend worden illustratoren van dag- en weekbladen en cartoontekenaars. De ontwikkeling van dit werk, die te volgen is vanaf het eind van de vorige eeuw, is een directe afgeleide van de Europese ontwerpen, of beter gezegd: is daarvan niet te scheiden omdat veel ontwerpers gewoon in Nederland werkten en nooit in Indië zijn geweest. Dat geldt overigens voor vele van de opgenomen kunstenaars, die Indië dus verzonnen hebben.

Volkstypes

De grootste groep opgenomenen zijn de vrije kunstenaars. Hun aantal neemt eveneens toe vanaf het eind van de vorige eeuw. Als onderwerp hebben ze voornamelijk het landschap en de inlandse bevolking genomen. Veel kunstenaars hadden een opleiding gevolgd in Nederland en waren daarna naar Indië getrokken. Maar hoe avontuurlijk die stap misschien ook is geweest, hun werk is uitermate traditioneel. De weidse landschappen zullen wel een diepe indruk hebben gemaakt, maar het lijkt wel of ze die fascinatie geen vorm konden geven. Op enkele uitschieters na, vooral Art Nouveau-kunstenaars en eenlingen als J. van Hell, M. Carsten, M. Vervoort en vooral Walter Spies met droomachtig surreëel werk, komt men op zijn best tot een braaf spanningsloos realisme in onwerkelijke kleuren. Nog erger zijn de vele 'volkstypes' waarbij de grote voorkeur voor Javaanse en Balinese vrouwen met blote borsten opvalt. Deze traditie lijkt me een vervolg op de vele vooral Duitse 'volkenkundige studies' waar buiteneuropese vrouwen en mannen naakt zijn afgebeeld. Naakt gold als onzedelijk tenzij het exotisch was. Deze kunst heeft iets zoetelijks en is in Europa en Indonesië zeer gewild. Vele Indonesiërs achten zelfs dit soort voorstellingen ook in gebatikte vorm hoger dan de eeuwenoude ontwerpen en zowel hier als daar treft men ze veelvuldig aan de muur aan.

De vijfde groep opgenomen kunstenaars, kunnen worden samengevat onder de noemer amateurs. Van hen is soms maar één werk bekend.

Het lexicon biedt een grote variatie aan kunstenaars, maar het lijdt aan een zekere onevenwichtigheid. Dat is te wijten aan de werkwijze. Het uitgangspunt van de samenstellers is een beperkt aantal boeken geweest, 'de Scheen' voorop en enkele veilingcatalogi. Rijp en groen staan naast elkaar. Ook mensen van wie niet eens zeker is of ze wel ooit getekend hebben en graveurs die de originele tekeningen van anderen hebben verwerkt zijn opgenomen. Over enkele bekende kunstenaars als Payen, wiens boeken hier door Rudy Kousbroek onlangs besproken zijn, wordt veel vermeld. Maar van veel opgenomen kunstenaars is maar één werk bekend, omdat er een keer iets van zijn hand geveild is of omdat hij eens een boekomslag heeft gemaakt. Zo treffen we een zekere Verkerk aan, zonder voorletters van wie geen werk over is, en van wie alleen maar bekend is dat hij in 1936 heeft deelgenomen aan een groepstentoonstelling bij boekhandel Van Ingen te Soerabaja.

Het samenstellen van een dergelijk lexicon is een enorm karwei en het is zeker nuttig dat het er is. Er staan talloze afbeeldingen in die nooit eerder zijn gepubliceerd. Zo'n boek zal ook nooit volledig zijn en kritiek en omissies zullen altijd worden aangedragen. Maar juist omdat het zo fraai is uitgevoerd, wat betreft typografie, papier, zwart-wit en kleurreprodukties, heeft het een paradoxaal karakter. Door zijn mooie vorm en hoge prijs straalt het iets uit van het definitieve standaardwerk. Dat is het niet. Niet alleen omdat er onnauwkeurigheden in staan (J.W. Heydt was geen Deen, maar een Duitser (pag 120) en zijn boek werd niet uitgegeven in Neurenberg (pag 242), maar in Wilhermsdorff, zoals het op pagina 120 juist weer wel goed staat). De literatuuropgave is beslist onvolledig, gedateerderd en absoluut ontoereikend. Allerlei recente publikaties blijven onvermeld, zoals werken over de Duitse Japangeleerde Kaempfer bijvoorbeeld, over Jan Toorop, over Philip Angel. Met niet zo heel veel moeite had men op het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie ontbrekende gegevens kunnen vinden. De schilderijencatalogus van het Rijksmuseum is gebruikt, maar de catalogi van andere musea weer niet. Nederlandse en buitenlandse biografische woordenboeken lijken evenmin te zijn geraadpleegd. Het is dus een naslagwerk met gebreken. Mooi dat het er is, maar voor de gebruikers zou het handiger zijn geweest als het op een eenvoudiger en goedkopere manier als een voorlopige versie was uitgegeven. Na een jaar of wat had het in een verbeterde, aangevulde vorm het definitieve karakter verdiend dat het nu uitstraalt.