Verplicht zwerven; De reisplicht van Nederlandse toneelgroepen

Nederland is het enige land ter wereld waar theatergezelschappen de plicht hebben om in het hele land op te treden. Acteurs zitten vaak langer in de bus dan dat ze op de planken staan. Een reis met de Toneelgroep Amsterdam mee naar Breda, waar het stuk Rijgdraad werd gespeeld. “Waarom kunnen de toeschouwers niet vaker per bus naar het theater komen,” verzucht een actrice.

Waar de Randstad ophoudt, houdt het toneel niet op: voorbij Utrecht wonen ook mensen die een mooie of ontroerende theatervoorstelling willen zien. Sinds de Tweede Wereldoorlog, werd het Nederlandse theater in het westen zich steeds meer bewust van zijn culturele verantwoordelijkheid: toneel mocht niet voorbehouden blijven aan een kleine elite die per toeval in de buurt woont van de Amsterdamse Stadsschouwburg of de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

Iedereen in ons land, tot in de verste uithoeken, heeft evenveel recht om een theatervoorstelling bij te wonen, ongeacht waar zijn stad of dorp ligt. Het is de plicht van de gesubsidieerde gezelschappen om de toneelkunst te spreiden; dus Ank van der Moer of Kitty Courbois aan het Amsterdamse Leidseplein, dan ook Ank van der Moer of Kitty Courbois diep in de provincie. Dat betekent dat in De Tamboer in Hoogeveen of De Agnietenhof in Tiel, De Vest in Alkmaar en De Lawei in Drachten, De Klinker in Winschoten en Kunstmin in Dordrecht tal van voorstellingen te zien zijn, afkomstig uit Amsterdam, Rotterdam of Den Haag.

Het lijkt zo eenvoudig en vanzelfsprekend. Het decor reist in een vrachtwagen naar ginds, begeleid door technici. Ze bouwen op, maken de belichting in orde. Tegen zeven uur arriveren de acteurs, ze eten wat, schminken zich, trekken hun toneelkleren aan, worden gekapt - en om kwart over acht kan de voorstelling beginnen. Na de slotzin en het applaus, na het laatste glas in de artiestenfoyer, klimt het gezelschap de bus in en reist men terug naar de thuishaven. Aan de belangrijkste taak die een toneelgezelschap van overheidswege is opgelegd, is voldaan: het toneel naar de mensen brengen, en niet van de mensen verderop verwachten dat zij naar de schouwburg komen.

Een gezelschap moet zo'n veertig procent van de voorstellingen buiten het eigen theater spelen.

Reisplicht: een woord boordevol idealisme en boordevol ongemak. Toneelspelers huiveren ervoor.

Want goedbeschouwd is het een wonder dat acteurs de moed en de kracht hebben om week in week uit naar de uithoeken van Nederland te reizen. Een willekeurige speellijst geeft het volgende beeld te zien: dinsdag in Nijmegen, woensdag in IJmuiden, donderdag in Enschede, vrijdag in Goes, zaterdag in Zwijndrecht. En elke keer begint de reis in Amsterdam. Zondag en maandag vrij, totdat dinsdag een nieuwe week van zwerven begint. Zo kan het voor een en hetzelfde gezelschap drie tot vier maanden doorgaan, tot de voorstelling in zowat alle theaters van het land is geweest.

Nederland is het enige land ter wereld waar de reisverplichting geldt, en dat bovendien al meer dan een halve eeuw. Geen gezelschap ontkomt eraan. Nederland telt per vierkante kilometer de meeste theaters van de wereld, zo'n honderdvijftig. En dat terwijl wij geen cultuur kennen van toneelminnaars. Slechts één procent van de Nederlandse bevolking gaat regelmatig, ongeveer eens per maand, naar de schouwburg. Tien procent gaat een keer per jaar, de rest nooit. Bovendien ligt het percentage theaterbezoekers in de Randstad beduidend hoger dan elders, met als gevolg dat een uitverkochte zaal in Amsterdam bij lange na geen uitzicht biedt op een vol huis zo'n honderdvijftig kilometer verderop.

Kwaliteit

Een gezelschap als Toneelgroep Amsterdam wenste zich bij haar oprichting in 1987 zoveel mogelijk aan de reisplicht te onttrekken. “Iedere stap buiten de deur betekent een concessie aan de kwaliteit van de voorstelling,” oordeelde artistiek leider Gerardjan Rijnders. Dat is een van zijn grootste bezwaren tegen deze verplichting: het decor dat past in de Stadsschouwburg is niet geschikt voor de zalen elders in het land. Dan zijn er twee mogelijkheden: òf de voorstelling reist niet òf er wordt een decor gemaakt dat, hoewel artistiek minder volmaakt, als reisdecor opgevouwen in de vrachtwagen kan.

Maar met Rijgdraad van Judith Herzberg, dat eind oktober in première ging, voldeed Toneelgroep Amsterdam in samenwerking met Theater van het Oosten wel aan haar reisplicht. Na de eerste reeks uitverkochte voorstellingen in het Transformaterhuis bij de hoofdstedelijke Westergasfabriek, het eigen theater van Toneelgroep Amsterdam, deden de acteurs Utrecht, Arnhem, Groningen en Breda aan. Gaat de tableau de la troupe op tournee, dan vertrekt elke middag om half vier de bus tegenover de artiesteningang van de schouwburg. Het café in de flank van het gebouw is de plaats om te verzamelen.

Op een woensdag ging ik mee naar het gloednieuwe Chassé Theater in Breda, juist de avond dat het Nederlandse elftal tegen Ierland moest spelen. Dat leidde tot sombere verwachtingen over de zaalbezetting. “Driehonderd reserveringen,” werd gefluisterd. Dat stemde mild: gelukkig, niet iedereen in dit land is verslaafd aan voetbal en televisie. Maar de zogenaamde middenzaal van het Chassé biedt plaats aan zevenhonderd mensen, dus 300 reserveringen betekenen nog altijd zo'n vierhonderd onbezette stoelen. Voor de dag erna zag het er aanmerkelijk troostelozer uit: slechts tachtig gegadigden. Dat zijn twee gevulde rijen.

Tegen tien voor half vier verschijnen de laatste acteurs in het café. Rijgdraad bestaat goeddeels uit de cast van het stuk Leedvermaak, ook van Judith Herzberg, uit 1982. In beide gevallen heeft Leonard Frank de regie. Carol van Herwijnen, Kitty Courbois, Elsje de Wijn, Peter Oosthoek, Els Ingeborg Smits, Jack Vecht, Trudy de Jong, Marjon Brandsma en enkele jonge acteurs stappen stipt om half vier in de bus. Ook de kapster gaat mee, de kleedster en de harpiste. De reisleider, acteur Pieter Athmer, houdt de leden van het gezelschap nauwlettend in het oog. De heenweg is het ergste nog niet, dan heeft hij nog overzicht. Het instappen voor de terugreis kan problemen opleveren: stel dat hij iemand vergeet in het donker bij de schouwburg, dat een acteur langer in de kleedkamer blijft en niet meekomt. Het zou een ramp zijn. Hij deelt formulieren uit waarop de acteurs hun aanwezigheid invullen om later de vergoeding voor een maaltijd te incasseren. Vroeger ontvingen de acteurs het geld contant in bruinpapieren zakjes, dat had iets van een verrassing, een klein cadeau.

De voorruit van de bus is rondom versierd met kersttakken, rode ballen, zilveren ballen en gouddraad. Er schalt net iets te luide muziek uit de luidsprekers. Buitenstaanders hebben wel eens wild-romantische ideeën over het reizen in de bus. Veel acteursjolijt, de fles die rondgaat, een soort schoolreisje. Zo is het tijdens de heenreis zeker niet. De een leest een krant, de ander is verdiept in de tragedies van Sofocles, een derde slaapt, een vierde staart naar de voorbijglijdende gevels en, later, naar het mistige landschap.

Bedenk je dat de voorstelling in Breda pas om half negen begint, dan lijkt het tijdstip van vertrek absurd vroeg: vijf uur voor aanvang. Sommigen polsen de reisleider voorzichtig of ze niet later kunnen vertrekken, vier uur of liever nog half vijf.

De file ter hoogte van Abcoude boort elke hoop op later vertrek de grond in: we staan even stil, en hebben dan het geluk stapvoets voort te kunnen glijden. Ter hoogte van Vianen wacht ons de tweede file, die we op dezelfde manier nemen. “Als we een half uur later waren vertrokken,”zegt de reisleider, “dan hadden we nu muurvast gestaan.” Files zijn monsters: ze klemmen je in hun kaken en laten je niet los. Vijftien jaar geleden konden de acteurs nog na vijf uur vertrekken om elders op tijd te zijn, sindsdien viel het tijdstip van afreizen steeds vroeger. Volgend jaar moet er misschien al om drie uur vertrokken worden, het jaar daarop om half drie... De overvolle wegen zijn desastreus voor het Nederlandse toneel. Want spelen acteurs 's avonds, ze repeteren overdag. Hoe eerder ze in de bus verdwijnen, des te korter is de tijd in het repetitielokaal.

Na aankomst verspreidt het gezelschap zich over de diverse eetgelegenheden van Breda; er is een groepje dat kiest voor de Mexicaan, anderen gaan naar de Joegoslaaf of de Italiaan, er zijn ook die de voorkeur geven aan D'Oude Vest, een onversneden Brabants etablissement. Wat, al zoekend naar een restaurant, opvalt is dat alle steden in Nederland op elkaar lijken: overal dezelfde winkels, Blokker, de Hema, Bart Smit, dezelfde muziek uit de luidsprekers in de autovrije winkelstraat, dezelfde armetierige plantenbakken en altijd wel ergens opheffingsuitverkoop.

Tegen zeven uur verdwijnen de eerste acteurs uit D'Oude Vest naar het Chassé Theater aan de overkant, naar de kleedkamers in de kelder. Met enkelen die minder vroeg aan bod zijn gaat het gesprek over een toneelgezelschap dat als een groepje desperado's van hot naar her trekt. “Met de trein gaan, heeft ook geen zin,” zegt Els Ingeborg Smits, ”altijd als ik met de trein ga, heb ik vertraging. Je moet een uur eerder vertrekken, dus win je niets. Bovendien moet je de trein zelf betalen. De bus rijdt op kosten van de zaak.” Acteur Krijn ter Braak suggereert dat er helikopters ingezet moeten worden: “Dat is eenvoudigweg de beste oplossing: de hele club in een helikopter scherend over al die files. Zo'n Chassé Theater kan toch makkelijk een platform op het dak hebben?” Het is een aanlokkelijk idee dat niet wordt betwist, hoewel iedereen weet dat het een illusie is.

In de artiestenfoyer staat de televisie opgesteld. Het liefst zou Trudy de Jong al acterend met ''een zij-oog'' naar het scherm willen kijken. Tijdens de voorstelling is de foyer te ver weg om even naar toe te slippen, dus opperen enkelen de mogelijkheid om een radiootje achter de coulissen te plaatsen. Al deze luchtige opmerkingen zijn schijnbewegingen: langzaam groeit de concentratie. Een acteur of actrice die in kostuum de foyer binnenkomt, is eigenlijk al in zijn of haar rol. Een personage. De dagelijkse kleren behoorden nog bij het verre Amsterdam en de bus, het toneelkostuum is passend in het theater.

De intercom meldt dat de acteurs nog tien minuten de tijd hebben voor aanvang. Ik ga naar de foyer voor de toeschouwers, waar al snel de dingdong klinkt. Het Chassé Theater is een reusachtige tempel met behalve drie theaterzalen een bioscoop, waar vroeg in de avond de film Leedvermaak wordt vertoond. In de grote Venco Zaal treedt Robert Long op voor zo'n vijftienhonderd bezoekers. Dan is er nog een Kleine Zaal en de Middenzaal, de VSB, voor Rijgdraad. Een toeschouwer die de zaal betreedt, merkt luid op dat zoiets 'niet rendabel' is. Van de drieëntwintig rijen zijn er maar zeven bezet, voor het overige zie ik vele rijen lege stoelen, een kalme zee van lichtrood pluche.

Slopend

De goeddeels lege zaal komt de intimiteit van Rijgdraad niet ten goede. Dat was heel anders met Leedvermaak, dat zich hoofdzakelijk afspeelde op de balkons van het veel kleinere theater Frascati in Amsterdam. Die voorstelling reisde niet, zodat de kans gering is dat de Bredase bezoekers van Rijgdraad, het vervolg op Leedvermaak, op de hoogte zijn van de voorgeschiedenis. Toch krijgen de acteurs de zaal geleidelijk aan in hun macht, hoewel de toeschouwers terughoudend reageren. Er heerst een soort distantie tussen zaal en podium, die door de spelers alleen dank zij hun energie overbrugd wordt. Van de wat landerige sfeer in de bus is op de speelvloer weinig terug te vinden: er wordt met inzet geacteerd.

In de pauze bellen toeschouwers naar huis om naar de de uitslag van het voetbal te vragen. Bij de televisie in de artiestenfoyer is het een feestelijke drukte. Alleen de toneelkostuums en de krulspelden van een enkele actrice verraden dat hier een theatergezelschap het elftal van Oranje aanmoedigt. Totdat de oproep voor de tweede helft komt en iedereen naar boven verdwijnt. Bijna twee uur later, tegen half twaalf, krijgen de spelers applaus, niet stormachtig maar beschaafd, waarderend voor het gedane werk. Tien minuten later toast men in de foyer op de overwinning van het Nederlandse elftal. De meeste acteurs tonen zich bezorgd over de verstaanbaarheid, die gelukkig meeviel. De akoestiek is, volgens Trudy de Jong, veel te koud en te kil.

Zoals in het gedicht Afsluitdijk van Vasalis, zo rijdt de 'bus als een kamer door de nacht'. Het loopt inmiddels tegen twaalven. Nu de voorstelling voorbij is, wordt de sfeer ontspannen. Koekjes en brownies gaan rond, iemand pelt een mandarijntje, een groepje doodt de tijd van de terugreis met een associatiespelletje. Wie raadt het goede woord? “Kruipruimte!” roept iemand, en dat is raak.

Het moet niet eenvoudig zijn zo dag aan dag, nacht aan nacht, van huis te zijn. Wie kinderen heeft, is aangewezen op een betrouwbare oppas.

Trudy de Jong heeft twee kinderen, die naar bed worden gebracht door een Surinaamse mevrouw. Haar man Theo de Groot is ook acteur, dus even vaak weg. Als free-lancer probeert zij na een periode van tournee enkele maanden voor haar gezin te reserveren: “Dat valt niet mee, want als je te lang uit het zicht blijft, krijg je geen rollen meer. Dat reizen is slopend, want kinderen zijn vroeg wakker. Soms vraag je je af of er geen betere oplossingen zijn te bedenken. Voor een actrice die getrouwd is met een man die een kantoorbaan van negen tot vijf heeft, is dit vak bijna onmogelijk. Voor ik thuis ben is het twee uur, half drie.” Els Ingeborg Smits valt haar bij: “Waarom kunnen toeschouwers niet vaker in de bus naar het theater komen? Laatst speelden we in het Grand Théâtre van Groningen, elke avond uitverkocht. Sta je een avond later in De Klinker in Winschoten: veertien mensen. Waarom komen die niet naar Groningen? Hebben ze het veel gezelliger. Want een slecht gevulde zaal is ook voor de toeschouwers een ramp.” Ze zijn het er, zoals alle acteurs, over eens dat aan die reisverplichting nauwelijks nog te voldoen is.

Staatssecretaris Aad Nuis van OCW hield onlangs in het Tropenmuseum in Amsterdam een toespraak waarin hij de zware last erkent van de reisverplichting; er is veel geld mee gemoeid, acteurs en actrices zouden zich meer in de bus ophouden dan in het repetitielokaal of op de planken en, cruciale vraag: “Hoe hoog ligt het rendement?” Een echt besluit tot verlichting of zelfs ontslag van de reisplicht nam hij niet. Dus voorlopig spenderen de acteurs vele uren en route.

Om half twee bereiken we het Leidseplein in Amsterdam. Naar het café wil niemand meer. Men wil naar huis. Iemand zegt dat ze “tot half drie gaat bellen.” Els Ingeborg Smits besluit: “Dat is theater in Nederland. Twaalf uur reizen om tweeënhalfuur te spelen.”