Vallende verf; Pat Steir kijkt toe bij het ontstaan van haar schilderijen

Thomas McEvilley: Pat Steir. Uitg. Harry N. Abrams, 176 blz. Prijs: ƒ 89,-

De Amerikaanse schilder Pat Steir maakt geen onderscheid tussen abstractie en figuratie. In beide gevallen, zegt zij, gaat het om hetzelfde: verf op een ondergrond. De 'Watervalschilderijen' die zij sinds het einde van de jaren tachtig maakt, maken duidelijk wat zij bedoelt. Met een zwaar met verf gevulde kwast zet zij aan de bovenrand van het doek een horizontale streep: het abstracte 'teken', zoals zij het noemt, hiermee verwijzend naar de traditie van het modernisme. De verf druipt over het doek naar beneden zodat een 'waterval' ontstaat, of eigenlijk een 'verfval'.

De schilder grijpt hierbij niet in; zij is toeschouwer bij het ontstaan van haar werk. Soms plaatst zij enkele horizontale verfstreken naast of onder elkaar. Of één lange bovenaan het doek, en verscheidene kortere onderaan. Haar methode levert prachtige resultaten op. In transparante sluiers hangt de verf voor de monochrome ondergrond. Sommige schilderijen zijn rustig en meditatief, andere zijn vol met donderend geraas en schuimend water. Na een periode van zwart/witte doeken maakte Steir watervallen in hevige kleurcontrasten, zoals dieprood op paarsblauw of felgeel op oranjerood. Extatische schilderijen zijn het, verbeeldingen van een stromende beweging die tot stilstand kwam op het doek.

Pat Steir (1940) verwierf zich zowel in Amerika als in Europa een naam met haar werk, wat bijzonder is. Het Museum of Modern Art in New York wijdde een tentoonstelling aan haar werk, zij ontving een eredoctoraat van het Pratt Institute in New York, zij nam deel aan de Documenta in Kassel in 1992 en exposeert in galeries in onder andere Berlijn, Rome, Parijs en Londen. De Amerikaanse kunstcriticus Thomas McEvilley schreef een monografie over het werk van de 55-jarige Steir. Nauwkeurig volgt hij daarin haar ontwikkeling, en brengt die in verband met ontwikkelingen in de contemporaine Amerikaanse schilderkunst.

Volgens McEvilley past Steir het druipen van de verf op een niet-expressieve manier toe; zij neemt er afstand van. Zij zet geen verfstreek, maar schildert er een. Dit creëert een effect van vervreemding, van stilte, van een gestolde beweging. Jackson Pollock, de uitvinder van de 'drip', zocht juist naar expressie en directheid, en stuurde de vallende verf door middel van een beweging van zijn hand of arm. Daarbij lag bij Pollock het doek op de grond, zodat de verfsporen niet uitliepen. Pollocks schilderijen ogen chaotisch en dynamisch, maar zijn in werkelijkheid zeer gecontroleerd; Steirs schilderijen zien er in vergelijking met Pollock rustig en overwogen uit, maar zijn in hoge mate ongecontroleerd.

Steir houdt van dit soort paradoxen. Zij voert, vanaf haar allervroegste werk, een dialoog met de beroemde generatie schilders van het amerikaanse abstract expressionisme. McEvilley omschrijft haar werk als 'een subtiele ondermijning van de dogma's van de New York School'. Beginnend bij haar werk van 1970, doeken met een zwart vierkant waarop figuratieve elementen als een roos of een iris - ouderwetse, sentimentele motieven waar in die tijd een absoluut taboe op rustte - geschilderd zijn, analyseert hij hoe Steir bij dit ondermijnen van dogma's te werk gaat. McEvilley schreef een heldere, overtuigende tekst die fraai is geïllustreerd.

Wat ik mis is informatie over wat Steir, behalve haar interesse voor de recente kunstgeschiedenis, op een meer persoonlijk vlak brengt tot het schilderen. Deze vraag heeft McEvilley zich niet gesteld. Zelf zegt Steir dat haar werk in de eerste plaats over haar zelf gaat, en pas in tweede instantie over kunsttheorie of -geschiedenis. 'Mijn onderzoeksobject was altijd ikzelf (-) zelfs als ik dacht dat ik een totaal onpersoonlijk onderzoek deed naar de eigenschappen van verf'. Over dit eigenlijke 'onderzoeksobject' had ik graag ook iets willen lezen.