Melkert blijft bij 'voorkeursbeleid'

DEN HAAG, 22 DEC. Minister Melkert (sociale zaken) ziet geen aanleiding om het wettelijke voorkeursbeleid voor vrouwen aan te passen aan een uitspraak van het Europese Hof over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Dit blijkt uit de notitie 'Voorkeursbeleid vrouwen' van Melkert waarmee de ministerraad heeft ingestemd. Minister Melkert heeft de notitie aan de Tweede Kamer aangeboden.

Op 17 oktober van dit jaar sprak het Europese Hof van Justitie uit dat de gemeente Bremen mannen discrimineert door vrouwen met voorrang te benoemen en te bevorderen, zolang zij niet tenminste de helft van de betreffende functies bezetten.

Minister Melkert heeft het Burgerlijk wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid getoetst aan deze uitspraak. Daarbij is hij tot de conclusie gekomen dat de regeling die Bremen hanteert op belangrijke punten afwijkt van het Nederlandse wettelijke voorkeursbeleid. Zo kent de Nederlandse wetgeving geen algemene quotumregeling, maar moet de achterstand van vrouwen altijd per functiesoort en functieniveau worden vastgesteld, voordat een voorkeursbeleid kan worden gevoerd.

De notitie gaat tevens in op een wetsvoorstel van staatssecretaris Netelenbos (onderwijs) over de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs. De toelichting van dat wetsontwerp lijkt wel een quotum te bevatten. Volgens de toelichting is er sprake van ondervertegenwoordiging van vrouwen zolang zij niet 50% van de leidinggevende functies bezetten. Volgens het arres van het Europese Hof kunnen zulke normen niet zonder meer worden gehanteerd maar nader worden onderbouwd. De 50-procentsnorm zal waarschijnlijk worden vervangen door een norm waarmee meer recht wordt gedaan aan de definitie van evenredige vertegenwoordiging. Hoe die norm precies wordt omschreven konden woordvoerders van sociale zaken en onderwijs nog niet zeggen. Deze nuancering doet echter geen afbreuk aan het wetsvoorstel zelf, aldus de notitie van Sociale Zaken. Het kabinet is dan ook van mening dat de behandeling ervan in de Tweede Kamer kan worden voortgezet.

Het kabinet merkt op dat de uitspraak voor werkgevers aanleiding kan zijn om na te gaan of hun voorkeursbeleid voldoet aan de voorwaarden uit het Burgerlijk wetboek en de Wet gelijke behandeling bij de arbeid.

Uit een onderzoek onder bedrijven dat is uitgevoerd door het ministerie van sociale zaken blijkt dat de kennis van de wetgeving over gelijke behandeling van mannen en vrouwen gering is.