Kleine koning

Regilio is weer in het land. En met hem de mind of a champion. Dat hadden we nou net nodig in deze hoogdagen van het klunen. Ajax is stilgevallen, Guus Hiddink is weer aan het boeren in Varsseveld en van de transfer van Henk Vos naar Feyenoord ligt zelfs het legioen niet wakker. Zonder de emoties van topsport geen heffe des volks. Met Regilio in de buurt is het pas echt Kerstmis: de hele mens glimt als een kerstbal. Laatst kwam hij op een doodgewone werkdag met een fluorescerend colbert een etablissement binnen. Een Wassenaars gezelschap met van die houten ruggen en te veel nekspier stak al van ver de handen uit voor een ferme handdruk. In hun blik smeekte het verlangen naar een fotootje voor de krant. De wereldkampioen groette terug met opgestoken duim, liep statig naar een lege tafel en nam de zaktelefoon. Geroutineerde gratie van een kleine koning. In de ring van het volk, in het café van zichzelf.

De supervedergewicht zou het liefst uit een wolk tot de mensheid neerdalen. Zo heeft hij het in Amerika geleerd. De echte kampioen kan niet met een voet in de klei blijven staan. Boksen is als heimwee: het ontstaat uit verbeelding. De killer-punch moet dus de poorten van het paradijs openen of althans de illusie wekken, voor minder gaan alleen randdebielen de ring in. Weinigen kunnen het welbehagen zo uitvergroten als boksers. Voor een verjaardagspartij moetde hele disco worden afgehuurd. Eten met vrienden is per definitie een bacchanaal voor zeshonderd man. Alles moet duur en chic zijn. Regilio Tuur houdt het als slim zakenmannetje nog redelijk binnen de perken, maar in verbale zelfverheerlijking komt hij dicht in de buurt van Ali. Ook dat is terecht: hij slaat harder dan zijn botgestel kan hebben. Soms klimt hij nog hoger dan Ali: 'Ik maak nooit fouten, ik kan u niet een fout bekennen.' Die ingestudeerde vergoddelijking is tegelijkertijd ontroerend en lachwekkend. De kid mag ver gaan in de paradox van slimme grootspraak. Hij heeft zijn eigen culturele revolutie gecreëerd. Je hebt het in Nederland over boksen en je hebt het over Tuur. Dat zijn gescheiden werelden die de leeuw van Seoul met veel marketingverstand zelf in het leven heeft geroepen. Door zijn levensstijl heeft Tuur de bokssport in Nederland uit de sfeer van de louche onderkant gehaald. Hij trekt een ander publiek dan Poeder en Delibas: Harry Mens, Lee Towers, Ria Lubbers komen voor hem dineren met bloed op de tafel. En buigen na de laatste ronde diep voor de zuiverste bokser van zijn generatie. Vuile trucs zijn Tuur te minderwaardig. Hij breekt geen jukbeenderen en ik heb hem nog nooit een wenkbrauw zien openhalen met de veter van zijn handschoen.

Getekend is hij niet. Het gezicht is nog gaaf. Stoten en weg, zo heeft hij altijd in de ring gestaan. Nog even want het aftellen is begonnen. Over een half jaar houdt de Rotterdammer het voor gezien. Dan is hij nog alleen te koop als kussen, handdoek, T-shirt en jack. En natuurlijk loopt het Tuur-stripverhaal gewoon door want we hebben hier te maken met a man for all seasons. Ook na zijn carrière zal Nederland nog weten dat Regilio zoniet de eeuwige jeugd dan toch de eeuwige zucht naar sensatie heeft.

Ik hoop dat deze door ijsschotsen verblinde natie de uitzwaaiende wereldkampioen straks een passend afscheid zal bezorgen. Na zo'n kleine dertig knock-outs mag hij wel een laatste keer op handen worden gedragen door Babette van Veen, Guusje Nederhorst en Katja Schuurman. Een swingende parade van Rotterdam tot de Bijlmer, die allure moet het wel hebben. En dan voor een keer graag zonder Erica Terpstra, die Hollandse mevrouw in de laatste Bond-film past beter bij een bokser.

Ik hoop ook dat Tuur in Nederland blijft. Marco van Basten en Frank Rijkaard zijn we al kwijt. Zij zitten nu te klunen in een gouden kooi: Monaco. Triest, héél triest. De binnenstad van Amsterdam zonder Marco is als een flipperkast met gedoofde lichtjes. Regilio Tuur met een fluorescerend colbert maakt in Monaco helemaal geen indruk. In Nederland gelukkig nog wel. En nog mooier: hij gaat niet de deur uit zonder de foto's van zijn vrouw en dochtertje op zak. 'Kom kijken naar het wonder', roept hij soms tot zijn gehoor. Daar moeten ze in het prinsbisdom om lachen. Weet, goede vriend: die lach is killer dan de kou van een open wenkbrauw in een oververhit lijf.