Kinderen zijn vaak nog zo wiebelig; Sjoerd Kuyper over het schrijven van jeugdboeken

Sjoerd Kuyper schrijft zowel voor peuters als pubers. Voor televisie maakte hij jeugdseries als Max Laadvermogen. “Ik ben steeds meer gaan denken dat de heersende mening over jeugdliteratuur verkeerd is. Er heerst een verbod op het meegeven van een moraal. Maar kinderen hebben nog geen idee over goed en kwaad. Als je bijvoorbeeld heel geestig over treiteren schrijft, zou het me niet verbazen als kinderen daar de lol van inzien en de straat opgaan om eens flink te pesten.”

Van Sjoerd Kuyper zijn verkrijgbaar: Majesteit, uw ontbijt (10+), Het zakmes (6+), Josje's droom (8+), Robin en Suze (4+), Robin op school (4+), Het eiland Klaasje (6+), De vingerafdrukken van de heks (8+, uitgeverij Expreszo), Zeepziederij de Adelaar (12+, uitgeverij L.J. Veen) en Robin viert Kerstmis (4+). In maart verschijnt Robin en God en later in 1996 een nieuwe roman voor pubers. De boeken verschenen tenzij anders vermeld bij uitgeverij Leopold.

“Mijn wijsheden komen voort uit een seconde onbedachtzaamheid,” waarschuwt Sjoerd Kuyper (1952). Met zijn drieëntwintig onderling sterk verschillende kinderboeken is Kuyper een van de meest veelzijdige auteurs voor kinderen van Nederland. Vanuit de luxe schrijfschuur in de achtertuin van zijn Bakkumse huis bedacht Kuyper de meest uiteenlopende figuren: een baby op een zwaan, een jongetje dat een zusje krijgt, een koning die zich niet over het verlies van zijn koningin heen kan zetten en de allertraagst levende figuur ter wereld. “Kundera heeft eens gezegd dat zijn hoofdpersonen mannen zijn die hij zelf was geworden als hij op een bepaald moment in zijn leven een andere keuze had gemaakt. Dat heeft veel te maken met mijn manier van schrijven, het gaat over figuren die ik bij wijze van spreken heel goed ken, waar ik in zit.”

Sjoerd Kuyper werd eenmaal bekroond met een Vlag en Wimpel en tweemaal met een Zilveren Griffel, waarvan een het afgelopen jaar voor Het eiland Klaasje over een Oblomov-achtige haas. Ook Kuypers werk voor televisie was uiterst succesvol, series als Max Laadvermogen (met Midas Dekkers), De freules (met Ineke Houtman), en natuurlijk de vermaarde serie en speelfilm Het zakmes, goed voor veertien prijzen waaronder een Emmy Award.

Kuypers produktiviteit is groot, zijn ideeën lijken onuitputtelijk. Zijn boeken zijn soepel geschreven, of het nou de 'huis, tuin en keuken'-verhaaltjes over kleuter Robin zijn, sprookjesachtige verhalen zoals in Majesteit, uw ontbijt of verhalen voor pubers zoals in De ogen van het paard. “Ik bedenk niet van tevoren wat voor boek ik wil schrijven. Ik heb mappen vol ideeën die ik lang laat liggen. Het zijn invallen die in een bepaalde vorm passen. Zo'n idee is vooral een beeld. Ik weet aanvankelijk niet wie ik voor me zie, waar hij vandaan komt en wat hij mee gaat maken. Ik schrijf erover en dan dient het genre zich aan. Het kan dwangmatig alleen in een bepaalde vorm. Mijn uitgever komt met verzoeken. Er is bijvoorbeeld weinig in de aanbieding voor vierjarigen en dan wordt me gevraagd of ik daar nog iets voor heb liggen. En zo kan ik dan weer een boek gaan maken dat ik al lang van plan was, een ideale situatie.”

Onlangs verscheen Robin viert kerstmis, dat Sjoerd Kuyper zelf betitelt als een “klein, commercieel boekje.” Er staan een paar hoofdstukken in uit het in maart te verschijnen Robin en God: “Ik dacht eerst: vijf verhaaltjes, dat zal het wel zijn. Maar toen herinnerde ik me vragen van mijn eigen kinderen over God. Ik vond het materiaal te leuk om het te laten schieten. Het boek is uit mijn handen weggegroeid. Dat is lekker schrijven, want als je precies volgens plan werkt word je je eigen secretaris. Daar is geen lol aan. Meestal worden mijn boeken leuker dan ik verwacht. Maar ik werk er vreselijk hard aan.” De eenvoudige verhaaltjes in Robin viert kerstmis, over de kerstviering op school, de sneeuw en het kerstspel, hebben een warme, veilige sfeer. Er gebeurt weinig, maar voor Kuypers alter ego Robin is alles even wonderlijk en heerlijk.

Uitgerukt oog

“Ik blijf binnen de wereld van een kind. De situaties, de gebeurtenissen en ook de beeldspraak moeten hun kennis niet te boven gaan. Wit is bijvoorbeeld wit als zout en suiker samen op een wit tafellaken, en helder is dus niet helder als een vers uitgerukt oog in een glas jenever. Ik moet daar even over nadenken, als je voor oudere kinderen schrijft komen de vergelijkingen meer vanzelf. Voor kleuters construeer ik een beetje. Misschien omdat beeldspraak eigenlijk niet zo in die stijl past, het houdt de boel op.”

Robin is een van zijn meest geliefde personages. Zijn belevenissen zijn veelal die van Kuyper zelf, uit zijn eigen jeugd: “Robin is mijn goede kant, ik was zelf iets zekerder en driftiger, maar wel heel braaf. Calvinistisch braaf. De situatie in die boeken is wel een beetje uit de jaren vijftig, heel knus en warm en zonder televisie. Toch is het heel herkenbaar, want kleuters zijn van alle tijden. Het gaat terug op mijn autobiografie, maar uiteindelijk is het toch maar literatuur.”

Robins ouders zijn een mengeling van Kuyper en zijn vrouw en zijn eigen ouders. Wat Robin zegt komt vaak van zijn kinderen: “Wat ze precies gezegd hebben vergeten ze toch. Maar aan hun avonturen kom ik niet, dat zou lullig zijn als ze er zelf ooit iets mee zouden willen.” Kuyper herinnert zich uit zijn eigen jeugd vooral situaties: “Net als Robin koos ik een paarse gitaar voor in onze esthetisch verantwoorde kerstboom. Net als zijn moeder gruwde de mijne ervan. Maar ik vond hem zo mooi, ik weet het nu nog. Dat soort absurde dingen is altijd waar. Dat verzin je niet. Bedachte grappen zijn meestal dodelijk intelligent.”

Als hij aan een nieuw Robinboek begint, kost het even tijd weer in de “simpele stijl met vraagjes en grappige opmerkingetjes” te komen: “Maar na wat oefenen en het herlezen van de oude verhaaltjes kan ik eigenlijk alles vertellen wat er in de wereld bestaat op een voor kleuters begrijpelijke manier.”

Sjoerd Kuyper beschouwt schrijven als een ambacht, zoals dat van een meubelmaker. “Het moet mooi zijn en lekker zitten. Ik stel er een eer in dat een manuscript pas de deur uitgaat als het perfect is. Ik vind het dus allemaal erg mooi wat ik geschreven heb. Af en toe ben ik heel trots op stukjes uit Robin, meestal zijn dat beschrijvingen. Dan is het bijna poëzie, hele kleine zinnetjes met herhalingen.”

Hij stelt met nadruk dat hij niet, zoals veel (kinderboeken)schrijvers beweren, voor zichzelf schrijft. “Een belachelijke uitspraak, uiteindelijk moet het immers een boek worden. Ik vertel de verhalen natuurlijk wel in eerste instantie aan mezelf. Daarna worden ze gekeurd door mijn geheime redactieraad, mijn familie- en gezinsleden. Zij zijn meedogenloos: dat kleffe gedoe!, staat er dan in de kantlijn. Dus dan schrap ik wat knuffels uit mijn Robinverhaal. Aanvankelijk is dat vervelend, maar meestal hebben ze gelijk. Er blijven nog genoeg zoenen over.”

Treiteren

Behalve in het overleg met zijn uitgever en zijn familieleden geeft Kuyper zich in correspondenties met vrienden, waaronder de Deense jeugdboekenschrijfster Anne Holm, rekenschap van wat hij aan het doen is.

“Ik ben steeds meer gaan denken dat de heersende mening over kinder- en jeugdliteratuur verkeerd is. Er heerst een verbod op het meegeven van een moraal. Maar kinderen zijn heel plooibaar, ze hebben nog geen eigen smaak, nog geen eigen opvatting van goed en slecht. Je kunt wel degelijk iets bij ze aanrichten. Als je bijvoorbeeld heel geestig over het treiteren van mensen met gebreken schrijft, zou het me niet verbazen als kinderen daar de lol van inzien en de straat opgaan om eens flink te pesten. In deze ouderloze maatschappij is het misschien toch niet zo gek om iets aan te bieden. Ik bedoel niet dat een kinderboekenschrijver met een opgeheven vingertje moet gaan staan: geef eens appels aan arme kinderen. Maar je kunt wel een bepaalde boodschap in je achterhoofd hebben over vriendschap en respect. Zodra je hierover praat klinkt het prekerig en vervelend. Maar zonder opdringerig te zijn kun je best iets meegeven. Ik probeer mijn eigen kinderen tenslotte ook normen en waarden bij te brengen. Dat kan in een boek ook. Maar het moet niet. In een boek moet niets.”

Toen Kuyper in de jaren zeventig begon met het schrijven voor kinderen, verhaaltjes voor het radioprogramma de Ko de Boswachtershow, was hij fel gekant tegen het maatschappijkritische kinderboek van die jaren. Die eerste kinderverhalen schreef hij voor het geld. Nu vindt hij ze beschamend slecht: “Ik dacht nog nergens over na. De verhalen waren heel flauw. Vol volwassen oubollige dingen waarvan ik dacht dat kinderen ze grappig vonden. Echt een beetje van: nou, als de ouders lachen, lachen de kinderen wel mee. Nu ben ik wijzer.”

Zijn schrijverschap beschouwt hij niet als een roeping. Geïnspireerd door de popmuziek, Bob Dylan met name, begon Kuyper liedjes te schrijven (voor volwassenen). Zijn teksten bleken veel beter dan zijn muziek en zo werd hij dichter. “Als puber wilde ik niets worden, ook geen schrijver. We zaten altijd gemoedelijk met elkaar in het gras. Niets hoefde. Er is nog nooit zo'n inproduktieve tijd geweest als de hippietijd. Ik was nog jong, maar deed al mee aan het niets doen.” Wel heeft hij nog steentjes uit de Dam geplukt met Roel van Duijn om bomen te planten.

Kuyper ging naar Amsterdam om filosofie te studeren, maar vond geen aansluiting onder medestudenten. “Toen ben ik op zoek gegaan naar mensen die bezig waren met gedichtjes schrijven en tijdschriftjes maken. Ik vond bij Athenaeum een gestencild poëzietijdschrift uit Wales. Dat wou ik ook, dus schreef ik de oprichter een brief. Bleek een straat van mij vandaan iemand te wonen die ook zo'n brief had gestuurd. Dat werd heel gezellig. Ik heb enorm geluk gehad, ik werd binnengebracht bij de Bezige Bij. Ik was een flierefluiter en vond het wel best allemaal. Uiteindelijk bleek het niet mijn roeping te zijn in de volwassen literaire wereld rond te hangen. Ik vind het leven nu leuker. Heel geleidelijk werd ik kinderboekenschrijver. Ik ben nog lang bezig geweest de wereld te veroveren met mijn poëzie. Sinds ik dat losgelaten heb, schrijf ik vrij aardige dingen.”

Jeugdherinneringen

Volgens Kuyper is ouder worden een voordeel. Een beginnend schrijver weet niet waar hij het over moet hebben: “Je bent bezig het grote niets waar je het over hebt te camoufleren. Dat geldt voor mijn vroegste poëzie. Alsof er een enorme fanfare langstrekt die vergeet op zijn instrumenten te blazen. Heel langzaam denk je iets te vertellen te hebben. Dan wordt je stijl soberder, zodat iedereen het gelijk in een keer snapt. Ik zie nu in dat mensen hun leven lang niets anders doen dan hetzij vooruit, hetzij achteruit kijken. Nooit om zich heen. Mensen letten slecht op. Kinderen willen vooral volwassen zijn. Wat wil je later worden? Nou, groter dan mijn vader. Het liefst zouden ze hoge sprongen maken en dan hopen ze dat ze blijven hangen, met hun hoofd in de wolken terwijl hun voeten naar de grond groeien.”

Kuypers keuze voor het schrijven voor kinderen is ook ingegeven door de mogelijkheden van de kinderboekenschrijver:“In literatuur voor volwassenen kan veel minder. In Nederland wordt bijvoorbeeld voor volwassenen fantasie niet zo gepruimd. Als het uit Zuid Amerika komt, waar Márquez gaat zweven van de brandnetelsoep, is het opeens schitterend exotisch. Maar een Nederlander met een nog veel rijkere fantasie, zoals Jacques Hamelink, dat wordt niet opgepikt. Dat soort schrijvers wordt hier helaas weggedrukt.”

Kinderboeken stellen wel specifieke eisen. “Een van de voorwaarden voor een kinderboekenschrijver is: je moet nog weten hoe je reageerde als kind. Je hoeft je je kindertijd niet heel goed te herinneren, sommigen fantaseren hele goed kinderboeken. Maar weet je niet meer hoe je dingen ervoer als kind, dan kun je niet van binnenuit navoelen wat een kind doormaakt. Kinderen reageren vaak totaal anders dan je verwacht. Voor een volwassene zijn hun reacties moeilijk te doorgronden.

“Er moet in een kinderboek in ieder geval hoop aan het einde zijn. Ik zou niet graag als laatste regel schrijven: hij staarde mistroostig over de velden en stak zijn hoofd in de strop. Desnoods zou het kunnen gaan over een vriend die zelfmoord pleegt... maar nooit de hoofdpersoon. En liever ook dat niet. Kinderen zijn nog zo wiebelig.”

Een zekere voorzichtigheid met ironie en cynisme is een vereiste voor Kuyper: “Ten eerste is het veel knapper een leuke grap te vertellen zonder ironisch te zijn. Maar ik vind het er vooral de tijd niet voor. Iets van vrijheid van denken, van flexibiliteit lijkt verdwenen. Voor je het weet loopt er een groepje mensen achter je aan serieus mee te brullen wat jij cynisch bedoelde. Om ironie te begrijpen moet je kinderen opvoeden, maar dat zie ik niet als mijn taak. Kinderen zijn op zich niet slechter of harder dan ze vroeger waren. Toen bestonden er vast ook al bendes op scholen, maar nu pas hoor je alles. En in de Middeleeuwen was alles nog altijd een stuk beroerder dan nu.”