Het kerstverhaal; Een onbekende vertelling van Vladimir Nabokov

Van de Russische schrijver Vladimir Nabokov (1899-1977) duikt af en toe nog onbekend werk op, zoals dit kerstverhaal. Hij publiceerde het op 25 december 1928 onder pseudoniem in het Russische emigrantentijdschrift Roel. Het verschijnt hier voor het eerst in een Nederlandse vertaling. Nanne Tepper bespreekt op pagina 2 van het CS Literair de zojuist in Amerika verschenen bundel The stories of Vladimir Nabokov, waarin dit verhaal is opgenomen.

Er viel een stilte. In het onbarmhartige lamplicht begon Anton Goly, een jongeman met een dik gezicht, in een kiel met daarover een zwart jasje, de blik krampachtig neergeslagen, de bladen van het manuscript te verzamelen die hij tijdens het voorlezen zomaar willekeurig had neergelegd. Zijn mentor, een criticus van de Rode werkelijkheid, keek naar de vloer terwijl hij op zijn zakken klopte op zoek naar lucifers. De schrijver Nowodwortsev zweeg ook, maar zijn zwijgen was anders, eerbiedwaardig. Met zijn grote pince-nez, zijn buitengewoon hoge voorhoofd, de twee streepjes spaarzame donkere haren dwars over zijn kale kruin gelegd en het grijs aan de slapen bleef hij met gesloten ogen zitten alsof hij nog steeds luisterde, zijn dikke benen over elkaar geslagen, één hand geklemd tussen de knie van zijn ene en de knieholte van zijn andere been. Het was niet voor het eerst dat ze met dergelijke sombere, noeste boerenschrijvers bij hem aankwamen. Het was ook niet voor het eerst dat hij in hun onervaren verhalen een afspiegeling ontwaarde - tot nu toe door de kritiek niet opgemerkt - van iets wat hijzelf de afgelopen vijfentwintig jaar had gecreëerd; want in Goly's verhaal werd op een onhandige manier een thema van hem gebruikt, het thema van het verhaal De grens, dat hij vol gespannen verwachting had geschreven en dat het vorig jaar was gepubliceerd, en dat niets had bijgedragen aan zijn gevestigde, maar glansloze roem.

De criticus stak een sigaret op, Goly stopte met neergeslagen ogen het manuscript in zijn tas, maar de gastheer bleef zwijgen, niet omdat hij niet wist wat hij van het verhaal vond, maar omdat hij onzeker en somber afwachtte of de criticus misschien die woorden zou zeggen die hij, Nowodwortsev, moeilijk zelf kon zeggen: dat het thema aan Nowodwortsev was ontleend, dat het een door Nowodwortsev geïnspireerd beeld was, dit beeld van de zwijgzame, onbaatzuchtig aan zijn werk toegewijde arbeider, die niet door opleiding maar door een innerlijke rustige kracht de psychologische overwinning behaalt op de kwaadaardige intellectueel. Maar de criticus, op het puntje van de leren divan in elkaar gedoken als een grote droevige vogel, bleef wanhopig zwijgen.

Toen Nowodwortsev begreep dat hij ook nu de begeerde woorden niet zou horen, probeerde hij zich te concentreren op het feit dat ze de beginnende schrijver voor een beoordeling toch maar naar hem, en niet naar Newerov hadden gestuurd, en nadat hij de positie van zijn benen had veranderd en zijn andere hand ertussen had gestoken, begon hij na een zakelijk 'zo-zo', zijn ogen gericht op de gezwollen ader op Goly's voorhoofd, zacht en vlot te spreken. Hij zei dat het verhaal goed in elkaar zat, dat in de passage waar de boeren op eigen kosten een school gaan opzetten, de kracht van het collectief te voelen was, dat in de beschrijving van de liefde van Pjotr voor Anjoeta een paar stijlfouten zaten, maar dat de roep van de lente, de roep van de gezonde lichamelijke lust goed te horen was; en terwijl hij sprak moest hij er onwillekeurig aan denken dat hij kort geleden aan diezelfde criticus een brief had geschreven waarin hij hem eraan herinnerde dat hij in januari vijfentwintig jaar schrijver zou zijn, maar dat hij dringend verzocht daarvoor geen feestelijkheden te organiseren aangezien er aan zijn jaren van intensieve arbeid voor de Unie nog geen einde gekomen was.

“Die intellectueel is niet erg geslaagd”, zei hij. “De echte doem is niet te voelen...”

Maar de criticus zweeg. Hij was een benige, slordig uitziende, rossige man van wie het gerucht ging dat hij aan de tering leed, maar die in werkelijkheid zo sterk als een paard was. Hij had, ook per brief, geantwoord dat hij een dergelijk besluit juist achtte en daarmee was de zaak afgedaan. Vermoedelijk had hij daarom, bij wijze van heimelijke compensatie, Goly meegenomen... En Nowodwortsev voelde zich plotseling zo treurig worden - niet gekwetst, maar gewoon treurig - dat hij stokte en met zijn zakdoek zijn brilleglazen begon schoon te poetsen waarbij bleek dat hij heel vriendelijke ogen had.

De criticus stond op. “Gaat u al weg? Het is nog vroeg...”, zei Nowodwortsev, maar hij stond ook op. Anton Goly kuchte en drukte de tas tegen zijn zij. “Dat wordt wel een schrijver, vast wel”, zei de criticus onverschillig, terwijl hij de kamer rondliep en met zijn uitgedoofde sigaret in de lucht wees. Zachtjes en wat schril tussen zijn tanden fluitend bleef hij even bij het bureau hangen, daarna stond hij een ogenblik stil bij de etagère waar het solide Das Kapital een plaats had tussen een beduimelde Leonid Andrejev en een naamloos boekje zonder rug, ten slotte liep hij, nog altijd gebogen, naar het raam en deed het blauwe rolgordijn open.

“Komt u gerust nog eens langs”, zei Nowodwortsev tegen Anton Goly die schutterig boog en daarna fier rechtop ging staan. “Als u nog eens wat schrijft, brengt u het maar.”

“Er is een flink pak sneeuw gevallen”, zei de criticus terwijl hij het gordijn naar beneden deed. “Het is trouwens kerstavond.”

Hij ging lusteloos op zoek naar zijn jas en zijn muts.

“In de goede oude tijd flansten uw vakbroeders op deze dag kerstfeuilletons in elkaar...”

“Dat is mij nooit gebeurd”, zei Nowodwortsev. De criticus grinnikte. “Ten onrechte. U zou een kerstverhaal moeten schrijven. In de nieuwe stijl.”

Anton Goly kuchte achter zijn hand. “Wij hadden”, begon hij met een schorre bas, en weer schraapte hij zijn keel.

“Ik meen het serieus”, vervolgde de criticus terwijl hij zijn jas aantrok. “Zoiets is heel gemakkelijk te maken. Dank u... het gaat al...”

“Wij hadden een keer iets”, zei Anton Goly. “De onderwijzer. Wilde met de feestdagen een boom voor de kinderen. Neerzetten. Met in de top. Een rode ster.”

“Nee, dat lijkt nergens op”, zei de criticus. “Dan krijg je een banaal verhaaltje. Je moet het meer toespitsen. De strijd van twee werelden. En dat alles tegen een achtergrond van sneeuw.”

“Je moet met symbolen hoe dan ook oppassen”, zei Nowodwortsev somber. “Ik heb een buurman, een heel fatsoenlijke vent, een actief partijlid... En toch heeft hij het over 'Het Golgotah van het proletariaat'...”

Toen de bezoekers weg waren ging hij aan zijn bureau zitten, zijn oor gesteund op zijn dikke witte hand. Naast de inktpot stond een soort vierkant glas met drie pennehouders gevat in blauw bobbeltjesglas. Dat ding was zo'n tien, vijftien jaar oud, het had alle stormen doorstaan, de werelden rondom waren door elkaar geschud, maar er was zelfs geen scherfje af. Hij koos een pen uit, trok een vel papier naar zich toe en legde er nog een paar vellen onder zodat het wat prettiger schreef...

“Maar waarover?”, zei Nowodwortsev hardop, hij schoof met zijn dijbeen zijn stoel naar achteren en begon de kamer op en neer te lopen. Zijn linkeroor suisde onverdraaglijk.

Dat heeft dat zwijn natuurlijk met opzet gezegd, dacht hij, en alsof hij op zijn beurt de weg door de kamer wilde volgen die de criticus zoëven was gegaan, liep hij naar het raam.

Hij geeft raad... Die spottende toon... Hij denkt zeker dat ik niets origineels meer kan bedenken... Ik zal me inderdaad aan een kerstverhaal zetten... Later zal hij zich herinneren: “Ik ging een keer bij hem langs, en ik zeg zo terloops: 'U zou de strijd van de oude en de nieuwe wereld moeten schilderen, Dmitri Dmitriëwitsj, tegen de achtergrond van de - tussen aanhalingstekens - witte kerst. U zou de lijn moeten doortrekken die u in De grens zo opmerkelijk hebt getrokken, herinnert u zich die droom van Toemanov? Wel, die lijn.' En in die nacht ontstond het verhaal dat...”

Het raam zag uit op een binnenplaats. De maan was niet te zien, nee, maar toch was er daarginds een schijnsel vanachter een donkere schoorsteen. Op de binnenplaats lag brandhout opgeslagen, bedekt met een oplichtend sneeuwkleed. Achter een raam scheen een groene lampekap, iemand was bij zijn tafel aan het werk; de balletjes van het telraam glinsterden als parels. Plotseling vielen er volkomen geluidloos een paar sneeuwklompen van het dak. En weer, verstarring.

Hij voelde de tintelende leegte waarmee zijn behoefte om te schrijven altijd gepaard ging. In die leegte nam iets vorm aan, groeide er iets. Kerstmis, nieuw, bijzonder. Deze oude sneeuw en het nieuwe conflict...

Aan de andere kant van de muur hoorde hij voorzichtige voetstappen. Zijn buurman was thuisgekomen, een bescheiden, hoffelijk man, een communist in hart en nieren. Met een gevoel van onberedeneerde opwinding en zoete verwachting ging Nowodwortsev weer aan zijn bureau zitten. De stemming, de kleuren van het rijpende verhaal waren er al. Hij moest alleen nog een geraamte maken, het thema. De kerstboom, daarmee moest hij beginnen. Hij dacht eraan dat in een aantal huizen voormalig gegoede, geïntimideerde, verbitterde, gedoemde mensen (hij zag ze duidelijk voor zich) waarschijnlijk hun heimelijk in het bos omgehakte boom met papieren dingetjes aan het optuigen waren. Kerstversiering was nu nergens te koop, er lagen geen stapels kerstbomen meer in de schaduw van de Izaäk-kathedraal.

Een zacht, haast omfloerst klopje. De deur ging op een kiertje open. Discreet, zonder zijn hoofd om de hoek te steken, zei de buurman: “Hebt u een pennetje voor me? Liefst een dikke, als u die hebt.” Nowodwortsev gaf hem er een.

“Mag ik u hartelijk danken”, zei de buurman en hij sloot geruisloos de deur. Deze onbetekenende stoornis had het al gerijpte beeld enigszins vervaagd. Hij herinnerde zich dat Toemanov in De grens treurt om de pracht en praal van vroegere feesten. Het zou niet best zijn als het alleen maar een herhaling zou worden. Er kwam ook een volkomen onbruikbare herinnering bij hem op. Nog niet zo lang geleden had een dame op een avondje tegen haar man gezegd: “Je hebt veel weg van Toemanov.” Een paar dagen was hij erg gelukkig geweest. Daarna had hij met die dame kennisgemaakt en toen bleek dat Toemanov de verloofde van haar zuster was. En dat was niet de eerste ontgoocheling. Een criticus had eens tegen hem gezegd dat hij een artikel over het 'toemanovisme' ging schrijven. Er zat iets buitengewoon vleiends in die benaming. Maar de criticus was naar de Kaukasus vertrokken om Georgische dichters te bestuderen. En toch was er ook wel eens iets prettig. Zo'n opsomming bij voorbeeld: Gorki, Nowodwortsev, Tsjirikov...

In de autobiografie bij zijn verzameld werk (zes delen, met portret) had hij beschreven hoeveel moeite het hem, de zoon van eenvoudige mensen, had gekost om het zo ver te schoppen in de wereld. In werkelijkheid had hij een gelukkige jeugd gehad. Optimisme, geloof, succes. Vijfentwintig jaar geleden was zijn eerste verhaal in een maandblad verschenen. Korolenko vond hem goed. Hij werd een paar maal gearresteerd. Om hem werd een krant verboden. Nu waren zijn maatschappelijke verwachtingen bewaarheid. Tussen de jongeren, de nieuwe mensen, voelde hij zich vrij en op zijn gemak. Het nieuwe leven had hem veel goeds gebracht. Zes delen. Zijn naam was bekend. Maar zijn roem was glansloos...

Hij gleed weer terug naar het beeld van de kerstboom, en ineens, zomaar, zonder enige reden, schoot hem een salon in een koopmanshuis te binnen en een groot boek met artikelen en gedichten, goud op snee (ten bate van de hongerenden), dat op de een of andere manier met dit huis verbonden was, en een kerstboom in die salon, en de vrouw die hij toen beminde, en de manier waarop alle lichtjes van die boom zich met een kristallen flonkering weerspiegelden in haar wijdopen ogen toen zij een mandarijntje van een hoge tak afhaalde. Dat was zo'n twintig jaar of nog langer geleden, maar wat blijven dat soort kleine dingen een mens toch bij...

Wrevelig zette hij die herinnering van zich af, en weer stelde hij zich zoals tevoren de armetierige kerstboom voor die ze nu waarschijnlijk aan het optuigen waren... Daar kun je geen verhaal van maken, maar je kunt het wel toespitsen... Emigranten die huilen rond een kerstboom, zich in hun naar kamfer ruikende uniformen wurmen, naar de kerstboom kijken en huilen. Ergens in Parijs. Een oude generaal herinnert zich hoe hij er op los placht te slaan en knipt een engel uit goudkarton... Hij dacht aan een generaal die hij echt kende, die nu echt in het buitenland zat, en hij kon zich hem met geen mogelijkheid huilend of knielend voor een kerstboom voorstellen.

“Maar ik ben op de goede weg”, zei Nowodwortsev hardop, ongeduldig een wegglippende gedachte volgend. En er kwam hem iets heel anders voor de geest. Een Europese stad, weldoorvoede mensen in bontjassen. Een verlichte etalage. Achter de ruit een enorme kerstboom met hammen aan de voet en dure vruchten aan de takken. Het symbool van de overvloed. En voor die etalage op het bevroren trottoir...

En met plechtige opwinding zette hij zich aan het schrijven, voelend dat hij het ware, het enige had gevonden, dat hij iets verrassends zou schrijven, dat hij de botsing van de twee klassen, van de twee werelden zou schilderen, zoals niemand nog ooit had gedaan. Hij schreef over de kapitale kerstboom in de schaamteloos verlichte etalage en over een hongerige arbeider, een slachtoffer van de uitsluiting, die met een norse, zware blik naar de boom keek. “De brutale boom”, schreef Nowodwortsev, “flonkerde in alle kleuren van de regenboog.”