Het duivels materialisme

Ebou Dibba: Fafa. Vert. Hanneke Richard-Nutbey. Uitg. In de Knipscheer, 256 blz. ƒ 37,50.

Een 'idylle aan de oevers van de Gambia', zo noemt Ebou Dibba zijn roman Fafa, en gelijk heeft hij. Dibba schrijft als een schilder die zich helemaal overgeeft aan de magie van het licht. 'De zon, als de dooier van een ei lukraak bespikkeld met rozerode vlekjes, lag bovenop de heuvel', lezen we ontroerd. In deze roman is de rivier de Gambia een dame die een respectvolle bejegening verdient. Met 'een waterig knikje' begroet zij de oude handelspost waar Fafa, de hoofdpersoon woont. Fafa is een poëtisch type, gevoelig voor de schoonheid van de rivier en de mensen. Wat dat betreft lijkt hij op zijn auteur, maar in tegenstelling tot Ebou Dibba is Fafa een ongeletterd man, een echt natuurmens.

Een huis heeft Fafa niet. Overdag rust hij uit bij de koele rivier en 's nachts bij een knapperend houtvuur. Dat vuur heeft nog een andere dan een verwarmende functie. Het moet de dieven afschrikken die het op de winkel van Sidi Masood hebben voorzien. Fafa werkt voor Masood als nachtwaker en de twee zijn tevens vrienden. 's Middags verandert de winkel, waar oosterse zijde verkocht wordt en kant en parfum, in een soort herensociëteit. Fafa luistert dan naar de wereldwijze verhalen van 'Guerre-quatorze', die beweert in de oorlog van '14-'18 te hebben gevochten, terwijl de winkelier verwarde discussies voert met 'De Professor'.

Die komt uit de grote stad, heeft voor de Tweede Wereldoorlog in Tübingen gestudeerd en is na de oorlog halfwaanzinnig uit Birma teruggekeerd. Twee boeken bezit De Professor, waaruit hij te pas en te onpas citeert. Het ene boek heet Veiliger Moederschap, het andere bevat Vergilius' Herdersgedichten. De plechtige versregels van Vergilius vullen de heel wat simpeler natuurlyriek van Ebou Dibba prachtig aan. Waar Vergilius uiterst erudiet met nymfen en Hyblaeïsche bijen dweept, houdt Dibba het op doodgewone apen en kanariepietjes.

In Ebou Dibba's zo ordinair-idyllische boek gaat het onverhoeds toch nog bijna mis. De titelheld wordt verliefd op een ontwikkeld meisje uit de stad en verbeeldt zich dat zij hem alleen maar wil als hij geld en een grote mond heeft. Een betere baan wil hij en meer aanzien - maar het meisje valt nu juist op Fafa omdat hij oprechter en origineler is dan de welgestelde mannen uit haar milieu. Is dat een didactische vermaning van de 52 jaar geleden in Gambia geboren auteur aan zijn landgenoten in de binnenlanden om hun ziel niet aan de duivel van het materialisme te verkopen, maar vooral zichzelf te blijven?

Hoe dan ook: dankzij de kleurrijke personages, de liefdevolle natuurbeschrijvingen, de humor en de even laconieke als zangerige taal lees je Fafa in één adem uit.