Hei in de koplamp

Ik maak nooit iets mee. Maar tien jaar geleden wel. Want toen moest ik een boek maken van alle nagelaten gedichten van de schrijver S. Vestdijk (1898-1971). Nagelaten gedichten zijn gedichten die iemand wel geschreven, maar tijdens zijn leven nooit uitgegeven heeft. Het was mooi werk. Elke morgen meldde ik mij bij het Letterkundig Museum in Den Haag. Daar kreeg ik een paar dozen mee, met losse papieren en schriftjes en dagboeken en zo, en daar moest ik dan de hele dag in bladeren. Aan het eind van de dag bracht ik de dozen weer terug.

Als ik een gedicht tegenkwam dat Vestdijk zelf nooit had laten afdrukken, moest ik het overschrijven. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Die Vestdijk schreef volgens Adriaan Roland Holst sneller dan God kon lezen, en dat was aan zijn handschrift wel te merken. In een schrift uit 1932 vond ik het gedicht 'Echoput'. Dat leek een makkie. Alleen stond er in de eerste regel een woord dat ik niet goed lezen kon. Wat moet er op de plaats van de puntjes staan? EchoputTwee rijen fietsen staan met ... in rekken. Knalpot en stank. Tafels en Ranja-vlekken. Luidruchtig maakt men 't met de liefde bont. De echo wacht geduldig in den grond.Het ging vermoedelijk om een woord van drie letters. En als ik me niet vergiste eindigde het op -ei. Maar welke letter moest daarvoor? Stond er lei, bei, tei, dei, kei of hei? Alleen kei of hei leken iets zinnigs op te leveren. En als je niet beter wist zou je ook zeggen dat er hei stond. Maar wat was dat voor rare mededeling: “Twee rijen fietsen staan met hei in rekken.”? Bedoelde de dichter dat de echoput zich ergens op de hei bevond en dat de bijbehorende uitspanning zo verwaarloosd was dat de hei over de fietsenrekken heen was gegroeid?

Dat leek mij de beste oplossing, maar ik was er niet zeker van. Ik legde de zaak voor aan mijn mede-bezorgers Dick en Tom. Die hoefden niet lang te kijken. “Hei”, zei Tom meteen, “hei”. En hij leunde weer achterover. Dick zei het ook: “Ja, hei”. En hij begon in zijn koffie te roeren. Voor de zekerheid vroeg ik het toch nog even na: “Ja? Hei? Beetje vergane glorie dus, achterstallig onderhoud, een verwaarloosde uitspanning met hei in de rekken?”

“Nee, nee”, zei Tom, “hei in de koplamp”.

“Hei in de koplamp?”, mompelde ik hem na. “Rogge in de knalpijp. Brem aan de bel. Waar gaat het over?”

Tom keek mij zorgelijk aan en begreep dat hier een generatiekloof opdoemde. Uitleg was nodig. En hij begon te vertellen over vroeger, toen er nog geen gokhallen waren, en de jeugd in z'n vrije tijd de natuur introk. En aangezien er toen nog voldoende natuur was, stelde de jeugd er een genoegen in bij thuiskomst enige bewijzen van natuur mee te brengen. Bezocht men bijvoorbeeld de heide, dan plukte men enkele takjes hei en stak die “in de koplamp” dat wil zeggen in het gat van de koplamphouder tussen koplamp en stuur. En daarna ging men zingend naar huis.

“Of naar een echoput”, wierp ik pienter tegen.

“Of naar een echoput”, gaf Tom toe. “Bij een echoput dronk men Ranja. Iets anders bestond er niet. Ook rommelde men wat met elkaar, zoals gebruikelijk bij echoputten. Om de echo zelf bekommerde men zich niet. Men was nog met weinig tevreden in die dagen.”

Dick knikte instemmend, poetste zijn bril, keek op zijn horloge, en vroeg of ik nog meer 'problemen' had. Ik heb verder mijn mond maar gehouden. Bij die nagelaten gedichten had je nog heel wat kennis van het echte leven nodig, dat was mij wel weer duidelijk geworden.

En nu nog even een gedicht. Het is van Adriaan van Dis. Hij schreef het in 1978. Het gaat over een fiets en over de jeugd, en over een merkwaardig fietsattribuut: BaarnDe hockeyklem is van mijn fiets geroest Na dertien jaar corrosie, een Gooise jeugd verwoest.Corrosie is, zoals Van Dale zegt, een “samenvattende naam voor roesten en verweren”. Maar wat is een hockeyklem nu weer? Van Dale geeft het niet. Mijn fietsenmaker wist het ook niet. Maar die had dan ook, zoals hij zelf zei, geen Gooise opvoeding genoten. Een ex-hockeymeisje wist mij te vertellen dat het hier om een klem voor de hockeystick ging, te bevestigen aan het stuur, ongeveer op de plaats waar men vroeger de hei klemde. Een handige uitvinding, maar volgens haar alleen in gebruik bij heel nette hockeymeisjes en -jongens. Een hockeyer die een beetje ruig over wil komen draagt op de fiets de stick in de hand, ook als hij een hockeyklem bezit. En de echte hockeybink haalt hem eraf - of laat hem, ook heel stoer, rustig corroderen.