Een voorkeur voor Van Gogh; Geschiedenis van de Rembrandt-receptie

Kees Bruin: De echte Rembrandt, verering van een genie in de twintigste eeuw. Uitg. Balans, 196 blz. Prijs ƒ 39,90

In de zomer van 1906 - bij het derde eeuwfeest van Rembrandts geboorte - werden op grote schaal feestelijkheden op touw gezet rond de schilder, die in de eeuw daarvóór de status had bereikt van een nationale figuur. Er werden optochten georganiseerd en eredoctoraten aan Rembrandtspecialisten uitgereikt. Ook verscheen een interessant boek met oude documenten over de schilder, een aanvulling op een eerdere uitgave van C. Hofstede de Groot. Er kwamen verrassende gegevens uit tevoorschijn - onder andere, tot veler consternatie, dat de schilder in 1605 was geboren, een jaar eerder dan altijd was aangenomen!

De verwarring duurde niet lang: het boek met oorkonden bleek een vervalsing, een practical joke van niemand minder dan Hofstede de Groot zelf, groot Rembrandt-kenner en ontvanger van een der eredoctoraten.

Dit gekke verhaal, dat de socioloog Kees Bruin vertelt in zijn boek De echte Rembrandt, kan worden opgevat als bewijs dat het massale herdenken en ophemelen van een kunstenaar als Rembrandt ook toen al gemengde gevoelens opriep. Ook in de pers werd al gepolemiseerd over de 'waardigheid' van de feesten. Vergelijkingen met het afgrijzen van intellectueel Nederland over de Van Gogh-village op het Amsterdamse Museumplein, een paar jaar geleden, liggen voor de hand.

Bruin beschrijft hoe tijdens de Duitse bezetting pogingen werden ondernomen om een nationale Rembrandtcultus aan te wakkeren als alternatief voor de verering van het koningshuis. Al eerder was de schilder hier en daar uitgeroepen tot een bij uitstek Germaans genie. De Duitsgezinde culturele autoriteiten pakten het herdenken groots aan. Componist Henk Badings kreeg opdracht een Rembrandt-opera te schrijven (titel: De Nachtwacht) en op 15 juli 1944 werd op veel plaatsen in het land de eerste Rembrandt-dag gevierd met lezingen, volksdansen en carillonbespelingen.

Na de oorlog begon wat Bruin noemt 'de strijd om een gezuiverd oeuvre'. Een nieuwe generatie Rembrandtspecialisten stond op, en de kiem werd gelegd voor wat later het Rembrandt Research Project zou heten, het prestigieuze onderzoek naar wat nu echt eigenhandige werken zijn en wat niet.

Het sentimentaliseren nam af, hoewel de grote Rembrandt-tentoonstelling van '56, in Amsterdam en Rotterdam, wel veel in verband werd gebracht met Neêrlands herrijzenis. (Curieus genoeg mocht Badings voor deze gelegenheid opnieuw een opera schrijven.)

Tijdens de tentoonstelling van 1991 in Amsterdam, Berlijn en Londen deed Bruin eigen onderzoek. Zo observeerde hij hoe lang de bezoekers precies naar welke schilderijen bleven kijken, en interviewde ze ook - waarbij menigeen bekende eigenlijk meer te houden van Van Gogh en Monet, dan van Rembrandt. Daarnaast onderzocht hij hoe verschillend dezelfde tentoonstelling in de drie Europese steden was ingericht, wat heel onderhoudend is om te lezen.

De titel van de epiloog van het boek, 'Redt Rembrandt', suggereert meer drama dan Bruin eigenlijk te bieden heeft. Hij voorspelt dat bij de onvermijdelijke Rembrandt-vieringen in 2006 ook weer de geijkte mythen over Rembrandts leven zullen worden herhaald, dat er zelfvoldaanheid zal zijn en geredetwist, en dat er een nieuwe mythe zal zijn: van de schilder die enkel topstukken maakte, omdat alle zwakkere Rembrandts dan zullen zijn verworpen als 'niet eigenhandig'. Maar natuurlijk, zegt hij, staat al dat gedruis los van Rembrandts artistieke betekenis.

Wel heeft Bruin dan al gesuggereerd dat ook bij de geleerden van het Rembrandt Research Project persoonlijke belangen en ambities in het spel zijn. Of zelfs nationale? 'Het niveau van Rembrandt', zo resumeert de schrijver, 'is behalve zijn eigen prestatie een produkt van belanghebbenden. (-) De zorg om het niveau bij Rembrandt wordt vooral bepaald door politieke en niet zo zeer door artistieke belangen.' Helaas is zoiets, als het over de officiële vieringen gaat, eigenlijk een platitude; en als je de moderne Rembrandt-researchers in de schoenen schuift dat hun bevindingen gekleurd worden door politieke belangen, moet je dat aantonen met méér dan de verontwaardige reacties van andere Rembrandtspecialisten.

Maar natuurlijk vormen de twisten tussen kenners en kunsthistorici, conservatoren en - tegenwoordig - sponsors en VVV-bestuurders, zoals Bruin ze beschrijft, een aardig verhaal. Net als de debatten die worden ontketend door Van de Wetering en zijn RRP-genoten. Allicht dat niet elke eigenaar zich blijmoedig in zijn lot schikt, als zijn Rembrandt ineens geen 'eigenhandig' werk meer wordt genoemd. Maar wie beweert dat het RRP de absolute waarheid aan het achterhalen is?

Met enige distantie - en met Kees Bruin - ziet de lezer in de bevindingen van het RPR niets anders dan een nieuwe schommeling, niet in Rembrandts reputatie, maar in de omvang van zijn als echt beschouwde oeuvre, dat in de loop van de tijd al heeft gefluctueerd tussen 988 en 343 schilderijen.

Ieder verstandig mens zal beamen dat het geen zier uitmaakt of een prachtig doek volgens de laatste stand van de wetenschap nu wel of niet door Rembrandt zelf is geschilderd. En iedereen weet dat het in de praktijk wèl uitmaakt: voor de marktwaarde, voor de gevoelens van de bezitter, en ook voor het grote publiek, dat zich in deze eeuw zo hevig voor de kwestie is gaan interesseren, dat zelfs sociologen zich in het verschijnsel zijn gaan verdiepen.

    • Ileen Montijn