Een stille huisgenoot; De levensechte Fayoum-portretten uit Egypte

Welgestelde Egyptenaren lieten in de Romeinse tijd hun doden mummificeren en de op de kist of op het lichaam het portret van de overledene schilderen. Een aantal van die overgebleven zogenoemde Fayoum-portretten, is nu gebundeld in een uitbundig geïllustreerd boek. “De verf van toen gaf de herinnering aan de overledene een vleselijker en waarachtiger karakter dan menige foto van nu.”

The mysterious Fayum Portraits; Euphrosyne Doxiadis. Uitg. Thames and Hudson, imp. Nilsson & Lamm. Prijs: ƒ 136,30.

Waar is dat kinderlijke gevoel van almacht gebleven? Die mooie illusie dat een geschilderd portret onherroepelijk tot leven kan worden gewekt. Het hoofd zal een teken geven als er maar lang en intens genoeg naar getuurd wordt. Er zal een ooglid gaan trillen, een voorhoofd zal welven, misschien zorgen de lippen zelfs voor een glimlach.

Alles hing af van de eigen wil en van de tijd die je ervoor over had om zo'n mooi geschilderd of gebeeldhouwd persoon in de ogen te kijken. En bleef hij of zij desondanks even roerloos als altijd, wat vaak gebeurde, dan was niemand iets te verwijten, alleen het kind zelf. Het had niet goed genoeg gekeken, of stiekem aan andere dingen gedacht. Volgende keer beter.

Het zijn de vele eeuwen oude Fayoum-portretten, genoemd naar de gelijknamige streek, die dat verlangen van weleer kunnen aanwakkeren. Ze werden zo naturalistisch geschilderd in het Romeinse Egypte, dat een ademtocht vandaag de dag nog in de lijn der verwachting ligt. Ze dateren uit de eerste eeuwen na Christus. Niet meer dan duizend zijn er teruggevonden en alle zijn over de wereld verspreid geraakt.

In oudheidkundige musea staan ze meestal wat verdwaald tentoongesteld tussen amuletten en legioenen van grafbeeldjes. Zomaar, een gezicht uit de oudheid, dat nu nog onopgemerkt in de stadsbus van Tunis, Marseille of Jeruzalem voor zich uit kan zitten peinzen. Het beseft niet hoe mooi het is. Je zou weer net als vroeger lang willen wachten tot zich in de verf rondom die veel te grote, kolenzwart omrande ogen heel even dunne lachrimpels samenknijpen.

De Fayoum-schilderkunst bestaat uit de portretten van vrouwen, mannen en kinderen die in de Romeinse tijd langs de oevers van de Nijl woonden. Ze werden zelden oud. Wie boven de veertig levensjaren uitkwam, was bejaard. Hun gezicht, geschilderd op wafeldunne houten plankjes of op fijnmazig linnen, was het laatste van hen dat hun meestal rijke nabestaanden op hun mummies te zien kregen. 'Demos, 24 jaar oud, voor altijd bij ons'; 'Aline, ook Tenos geheten, 35 jaar, dochter van Herodas, lief kind, vaarwel'. Een enkele keer staat op de mummie geschreven 'Wees gelukkig'; bijna nooit wordt een 'Tot ziens' beloofd.

Ook Aline had in haar albastkleurig gezicht van die donkerbruine ogen, haar haar was in krulletjes plat op het hoofd gelegd, zoals de laatste Romeinse kapperstrend voorschreef. Ze droeg oorbellen met knotsen van onregelmatige parels, een halssnoer van gouden schubjes en een wit gewaad. Ze kijkt alsof degene die recht voor haar staat net iets zeer belangrijks heeft gevraagd dat het aandachtig overdenken meer dan waard is. Niets aan haar uiterlijk verraadt dat ze ernstig ziek was, dat ze zo jong en zo mooi zou sterven.

Na haar dood was ze afgeleverd bij een necropool, even buiten de stad. Commerciële familiebedrijven en priesters bogen zich daar al generaties lang over het prepareren van de doden en over de offeranden voor het vertrek naar gene zijde. Een natronloog-bad van zeventig dagen was nodig om het leeggehaalde en met mirrepoeder geparfumeerde lichaam voor mummificatie klaar te maken. In een volgende fase werd het behoedzaam in tientallen meters fijn vlaslinnen gewikkeld, dat kruiselings over het lichaam werd gespannen. Die opeenstapeling van bandages gaf een ritmisch patroon van langzaam verspringende plooitjes te zien, als in een subliem verzorgde linnenkast.

Daarna was het de beurt aan de schilder om het portret af te leveren dat hij postuum of naar een bestaande afbeelding had gemaakt. Soms moest hardhandig de schedel op zijn plaats worden geduwd, zodat de op doek of hout geschilderde lippen niet op de sleutelbeenderen van de mummie terechtkwamen.

Waarschijnlijk stond een flink aantal van deze laat gemummificeerde doden daarna jarenlang thuis in een aparte kamer tegen de muur. Het aardse afscheid werd uitgesteld en met zo'n duur portret viel bovendien te pronken. Zwaar geschonden voetstukken doen vermoeden dat kinderen of slaven het na een generatie of twee niet meer zo nauw namen met hun stille huisgenoot. Die had tijdens het spel of de schoonmaak al vaak genoeg in de weg gestaan. En als de nazaten van de mummie zich na tien, twintig jaar ook niet meer zo goed herinnerden waarom dat ene familielid zo beminnelijk was dat het een portret verdiende, dan werd het hoogtijd om de kist op te ruimen, in een grafkamer, in een toevallige kuil of schacht. Aline was dan voor altijd vergeten, haar jong gestorven kinderen ook, want die kwamen al tuimelend in dezelfde kuil terecht die de Duitse archeoloog R. von Kaufmann in 1892 wist te ontdekken.

Dankzij de Griekse schilderes Euphrosyne Doxiadis zijn nu tweehonderd van die duizend Fayoum-portretten samengebracht in een boek dat je maar al te graag na lezing weer eens zal willen inkijken. Doxiadis vertelt puntig en deskundig over de ontdekkers, de vindplaatsen, de schildertechniek. Vaak zijn de portretten op ware grootte - en ruim honderd, gelukkig, in kleur - afgebeeld. Zelden is meer over een dode bekend dan zijn vermoedelijke woonplaats, zijn naam en beroep. Veel vaker moest het portret een naam worden toebedacht, zoals 'De Europese', 'De joodse vrouw' of 'Het juwelenmeisje'.

'Fayoum' verwijst naar het gelijknamige gebied waar de meeste en de mooiste portretten aan het eind van de 19de eeuw vanonder het zand vandaan zijn gehaald. Een vruchtbare streek zo'n zestig kilometer ten zuiden van Kairo. Op een hoger gelegen deel, waar de Nijl-overstromingen geen vat op hadden, borg men de mummies op. Vooral in de necropool Harawa van de stad Arsinoe, het voormalige Crocodilopolis, genoemd naar de heilige krokodil die daar de bevolking in grote getale gezelschap hield, werden eind vorige eeuw complete families blootgelegd. Eigenlijk was de Britse archeoloog Flinders Petrie toen in datzelfde Arsinoe op zoek naar de piramide en het 3.000 kamers tellende labyrinth van de farao Amenemhet III (1842-1797 v. Chr.). Van het labyrinth vond hij geen enkele steen op de andere terug, in de piramide lag vooral veel modder.

Verloren liefde

Het was een 17de-eeuwse Italiaanse notabel die als eerste een paar mooie Fayoum-portretten op de kop had weten te tikken. Er bestond in zijn tijd nog geen oudheidkundige dienst in Kairo, die twee eeuwen later bij exportneigingen van westerse archeologen kieskeurig aan het sorteren sloeg. De Romein Pietro della Valle was in 1615 begonnen aan een wereldreis om een verloren liefde te vergeten. Hij had zijn tent nog niet opgezet, of een koopman bood hem in Sakkara een mummie aan. De paar stuivers die hij ervoor betaalde, gaven hem een schuldgevoel, schreef hij later, want hij had nog nooit in zijn leven zoiets moois voor zo weinig geld te pakken gekregen.

Ook de tweede mummie die hij voor bijna niets kocht, staat in het net verschenen boek afgebeeld. Beide jonge mensen waren uitbundig gehuld in bladgoud, de kleur van de eeuwigheid. Taferelen laten op het volledig beschilderde linnen de bekende rituelen zien die Egyptische priesters en goden als Horus, Thoth en Anubis-met-de-jakhalskop een paar millennia lang opvoerden. De jonge man draagt op zijn kinderlijk geschilderd hoofd een diadeem en in zijn hand houdt hij een kransje van rozen. Duizenden bloeiende rozen en narcissen zullen hem ooit op zijn huwelijksdag geschonken zijn. De Egyptenaar keek niet op een bloem meer of minder.

Een soortgelijke mummie maar dan verstopt in een overdadig versierde kist is die van 'Het gouden meisje'. Ze ziet eruit als een bijna volwassen vrouw, maar ze was nog een schoolkind toen ze stierf. Dat onthult niet alleen de mummie-lengte, maar ook de dikke armpjes die in reliëf op het vergulde kistdeksel haar omslagdoek vasthouden. Er moet veel van haar gehouden zijn. Elk sieraad dat haar ouders in huis hadden, werd op haar lichaam vereeuwigd. Ze straalt als nooit tevoren. 'Betoon het stervend leven mededogen', schreef Jacob Israël de Haan, 'Verwoest schatten van Jeugd en Schoonheid niet'. De dood is niet gevoelig voor poëzie.

Deze twee gave mummies - vaak bleef alleen het geschilderde portret bewaard - illustreren meteen de stelling dat de Fayoum-schilderingen als bruggehoofd hebben gefungeerd tussen de zogenaamde School van Alexandrië, de Griekse meesters, en de Byzantijnse schilderkunst, die later bijbelfiguren als Jezus, Maria en de apostelen net zo frontaal en expressief maar toch stijver te zien zou geven. Van de belangrijkste Griekse meester Apelles is geen enkele schildering bewaard gebleven, maar in zijn oeuvre moet het onderzoek van voorgangers naar schaduwwerking en verhoudingen, afgaande op latere mozaïeken, een hoogtepunt hebben bereikt.

Apelles was 'een schilder van het leven' en niets stond toen hoger aangeschreven dan de gelijkenis èn de suggestie dat de geportretteerde elk moment weer aan het gedoe van alledag zou kunnen deelnemen. 'Gezegend is hij die jou in was heeft getekend', meldt een oud Grieks liefdesgedicht, 'zodat ik als made of worm door het hout kan kruipen om je te verslinden.'

In de tijd van de Fayoum-portretten was Egypte als mengelmoes van volkeren weliswaar een provincie van het Romeinse imperium, maar eeuwenoude gebruiken als mummificatie en godenverering lieten zich niet zo snel door een voorgeschreven keizerlijke adoratie uit het veld slaan. Bovendien voelden de Grieken zich al eeuwenlang thuis in de Nijldelta, waar hun filosofen werden gelezen en waar ook hun goden van de Olympus met respect werden bejegend. Alexander de Grote had voor die sterke Hellenistische invloeden met zijn verovering van Egypte in de vierde eeuw voor Christus zorggedragen. In het Fayoum-portret komen die historische verwikkelingen als het ware samen: Het is een Grieks-Egyptisch kunstwerk in een Romeinse periode.

Brits

Peuters, atleten, soldaten en huisvrouwen kijken ons allemaal even ernstig, onschuldig en recht-toe-recht-aan in het gezicht. Zelfs de soldaten doen ons geloven dat ze vrij van zonden waren. Een ieder was piekfijn gekapt en gekleed, behalve de rijke atleten, die, betaald als topvoetballers, meestal met een naakt torso op hun allerlaatste portret pontificaal werden neergezet. Men moest de goden in optima forma tegemoet treden en in het hiernamaals blijkbaar goed herkenbaar zijn.

Stuk voor stuk lijken al die jonge mannen en vrouwen van het ene op het andere moment voor altijd te zijn opgestapt. De verf van toen gaf hun herinnering een vleselijker en waarachtiger karakter dan menige foto van nu. Hoeveel verdriet hun dood teweeg bracht, en hoeveel woede ook om het verlaten zijn, vermelden de vele hieroglyphen, waarvan het Museum van Oudheden in Leiden ontroerende vertalingen in huis heeft. En had men het geluk oud te sterven, zoals de 89-jarige Demetris, dan smokkelde de Fayoum-schilder graag wat jeugd in de verf: rimpels vervaagden, de man kreeg blosjes onder zijn net iets te grote ogen, en zo leek hij eerder op zijn gezonde zoon of kleinzoon dan op de krakkemikkige figuur die in het dodenrijk weer verder moest ploeteren.

Het is wonderbaarlijk hoe behendig al die anonieme Fayoum-schilders met hun vingers, sponsjes, penselen, spatels en messen in de vaak hete bijenwas zo'n levensgetrouw hoofd wisten neer te zetten. Een snelle haal met een vinger suggereert een klein, ruig gebergte van zorgelijke voorhoofdsrimpels of een vitale lichtval op de neus.

Andere meesters werkten in tempera, in dekkende verf met eigeel. De plasticiteit voerden ze op door in streepjes-patronen een wang of hals zo gaaf volume te geven dat de anatomie inderdaad de denkbeeldige drie-dimensionale proporties kreeg toebedeeld. Enkelen van hen konden trouwens gemakkelijk wedijveren met portrettist Paul Cézanne, die met diezelfde opbouw in korte penseelstreken ook zo'n rustige aandachtigheid en expressie wist te bereiken.

Sterker nog, op een klein huisaltaar uit de derde eeuw na Christus is een jongetje geschilderd dat niemand anders op die manier had kunnen weergeven dan Picasso zelf. De strikt eigenzinnige interpretatie van dat brutale hoofdje, de vlot neergezette, hoekige fysionomie, de vrijheid die de schilder nam om dat wat aan fruit en drank in de dood onontbeerlijk was zomaar vlinderachtig in het portret te verweven - Picasso moet het werk van die naamloze collega's gekend hebben; dat kan haast niet anders.

Vier kleuren op het palet - wit, oker, rood en zwart - stonden de Fayoum-meesters destijds ter beschikking voor de weergave van het gezicht. Bladgoud was alleen de rijken gegund, met oker wist men razendknap in de buurt te komen. De Franse schilder J.A. Dominique Ingres (1780-1867) zou het later nog eens onderstrepen: 'God heeft het oker uit de hemel gezonden' en het kwam zijn voorgangers vaak van pas om gouden oorbellen, stralende lippen of een koninklijke diadeem te suggereren. Kleding was bijzaak. Met grovere penseelhalen plooide men het blauwe of cyclaam-kleurige gewaad en daaronder vandaan kruipt soms de witte rand van het onderkleed omhoog, alsof men tweeduizend jaar geleden in Egypte al aan het T-shirt was verslingerd.

Hoe verleidelijk het ook is om een voorkeur uit te spreken voor enkele portretten, het zou onbegonnen werk zijn. Dat kinderlijk gekwaste, volkskunst-achtige gezicht van die ene moeder, op wie je zonder twijfel blind kon rekenen, doet in ontroering niet onder voor de oogstrelende vakkundigheid waarmee een Adonis-achtige atleet ijdel en zelfverzekerd als een wereldkampioen ons aankijkt. De verdrietige kleuter met zijn laaghangende oogleden mag dan na achttienhonderd jaar zwaarder gehavend onder het zand vandaan zijn gehaald dan de 25-jarige Hermione Grammatike, de allereerste lerares klassieke talen die ooit is geportretteerd - bij al die portretten wacht men nog steeds stil op het kleinste teken van leven.

    • Marianne Vermeijden