Een slim jongetje

Propria Cures: Kerstnummer, 16 blz. Prijs ƒ 4,50.

Nieuw Wereldtijdschrift, Nov/dec. 80 blz. Prijs ƒ 13,50.

Is een tijdschrift waarvan Hendrickje Spoor meewerkt aan het kerstnummer, net als Ronald Giphart, en Thomas Verbogt en debutant Tommy Wieringa, waarin een volle pagina wordt uitgetrokken voor de bespreking van de laatste Millennium, en dat de zogenaamde Keefmanbokaal uitreikt, een literair tijdschrift? Niet volgens het Literair produktie- en vertalersfonds, dat de subsidie aan het nu 106 jaar oude 'studentenweekblad' Propria Cures bijna twee jaar geleden introk. Dat lijkt verdacht veel op een despoot die zijn lastige nar wil onthoofden - terwijl je van een literaire instelling als het fonds toch zou mogen verwachten dat die enige kritiek en relativering niet al te benepen zou ontvangen.

Sindsdien moet Propria Cures het stellen zonder externe financiële bijstand, en dat heeft het blad er niet dikker op gemaakt. Volgens de meeste oud-redacteuren ook niet beter - al hoort het tot de rijke traditie van het blad dat voormalige redacteuren onmiddellijk na hun vertrek beginnen te roepen dat PC 'vroeger' zoveel beter was. Dat laatste komt waarschijnlijk vooral door de consequente jonge honden-toon van het blad, die bezadigde oud-redacteuren er tot in lengte van dagen aan herinnert op welke wijze ze zelf ooit hun journalistieke of artistieke carrière zijn begonnen.

Neem bijvoorbeeld de zin waarmee de bespreking van de laatste MillenniuM in het kerstnummer van Propria Cures opent: “U dacht natuurlijk dat de redactie van Propria Cures bij het verschijnen van de allerlaatste MillenniuM een matje brie, een Magnum-champagne en een paar blikken party-olijven bij de Makro zou gaan halen om een orgie te vieren op het vers gedolven graf. Maar zo zijn we niet.” En zo gaat het door, bijvoorbeeld als Thomas Verbogt het steeds nijpender wordende probleem beschrijft dat hij zo op Youp van 't Hek lijkt. “Ik moet mijn handtekeningen zetten in schoolagenda's. Mijn eigen handtekening is al een probleem, laat staan die van Youp van 't Hek.” Propria Cures mag dan vaak melig zijn, in ieder nummer staat wel een stuk waarom ik meer moet lachen dan om de laatste bundel van Ronald Giphart.

De Propria Cures-redactie heeft de reputatie veel over seks schrijven, maar dit Kerstnummer is opvallend kuis; het veel respectabeler Nieuw Wereldtijdschrift besloot daarentegen haar november/decembernummer te wijden aan The Joyce of sex. Aanleiding daarvoor is een kort essay van Geert Lernout over James Joyce, D.H. Lawrence en de seksualiteit in hun romans Lady Chatterley's Lover en Ulysses. Dat levert aardige anekdotes op en een prachtige strofe uit het gedicht 'Annus Mirabilis' van Philip Larkin, waarin de verhouding van het Engelse volk ten aanzien van seksualiteit aardig wordt samengevat: “Sexual intercourse began / In nineteen sixty-three / (Which was rather late for me) / Between the end of the Chatterly ban / And the Beatles' first LP.” Verder levert het artikel weinig opzienbarends op - Lernout constateert dat het werk van 'kunst-om-de-kunst' schrijver Joyce de tijd beter heeft doorstaan dan dat van seksueel provocateur Lawrence. Ook het grotere proza-fragment van Marianne Wolfert waarin lustig met Sensilube wordt geknoeid en een vrouw intellectueel peinst over haar eigen seksualiteit wil niet echt tot leven komen.

Veel interessanter zijn de twee lange 'serieuze stukken' in het NWT. In het essay Het oerfascisme gaat Umberto Eco op zoek naar de oerkenmerken van het fascisme en probeert hij vast te stellen waarom juist de term 'fascisme' tot zo'n overkoepelend scheldwoord is uitgegroeid, en niet een ideologischer nauwer omschreven term als nazisme. Alleen het begin is van het stuk is al mooi - hoe ironisch-koket Eco ook schrijft: “In 1942 won ik op tienjarige leeftijd de Eerste Prijs van de Provincie bij Ludi Juveniles (een vrijwillig-verplichte wedstrijd voor jonge Italiaanse fascisten - voor alle jonge Italianen dus). Vakkundig retorisch weidde ik uit over het onderwerp 'Behoren wij te sterven voor de eer van Mussolini en de eeuwige toekomst van Italië?' Mijn antwoord was bevestigend. Ik was een slim jongetje.”

Het tweede is een lang en mooi biografisch essay van Mark Schaevers over de Groningse schrijver en journalist Nico Rost, die kort na zijn aankomst in het kamp van Dachau in 1944 besluit een dagboek bij te houden. “Geen gejank over vrouw of kind, zo heeft hij zich voorgenomen, geen gejammer over de vlooien of luizen, geen gefantaseer over heerlijke maaltijden, maar aantekeningen over wat hij leest en denkt.” In zijn voornemen is Rost uitstekend geslaagd; Schaevers weet aannemelijk te maken dat Goethe in Dachau, Rosts weerslag van die periode, zo snel mogelijk herdrukt moet worden. Die titel is overigens ontleend aan een spelletje dat Rost en mede-gevangenen in Dachau speelden: om de tijd te verdrijven begonnen ze zich af te vragen hoe historische figuren zich in hun (kamp)omstandigheden zouden hebben gedragen. “Goethe behoort er tot de prominenten onder de gevangenen: op zijn minst heeft hij het tot Kapo in de ziekenzaal of de Totenkammer gebracht. Hij onderhoudt de beste contacten met de Polen, maar ook met de communisten. In de omgang met de SS gedraagt hij zich voorkomend, maar ook weer niet te voorkomend; zijn medegevangen hebben niks op hem aan te merken. En hij heeft een speciale toelating om zijn haar te laten staan.” Je gaat je afvragen hoe Goethe het in de PC-redactie zou hebben gedaan.