Een kathedraal om te behagen; De flonkerende filmpaleizen van Abraham Tuschinski

Abraham Tuschinski was in 1904 als Pools-joodse emigrant op doorreis naar Amerika, toen hij in Rotterdam een klein hotel begon. Een paar jaar later opende hij in die stad de eerste van een reeks bioscopen, maar zijn grootste schepping staat in Amsterdam: het Tuschinski-theater werd een monument van pronkzucht. Plannen voor een nog grotere bioscoop in Den Haag mislukten. Deze week werd daar alsnog een Tuschinski-theater geopend.

Op de plek waar Abraham Tuschinski zijn nieuwe theater wilde bouwen - het gróótste van Europa, had hij gezegd - staat nu het stadhuis van Den Haag. In een hoek op de begane grond is het gemeente-archief gevestigd. Daar lees ik, in de ingebonden handelingen van de gemeenteraad, hoe het Haagse bioscoopavontuur in 1936 eindigde: met een voorstel van b & w om het faillissement van Tuschinski en zijn twee compagnons aan te vragen, omdat ze in gebreke bleven bij het betalen van de erfpacht op de gronden aan Kalvermarkt, Turfmarkt en Brouwerstraat. Ik kijk op uit de papieren en zie door het raam de ambtenaren in de overdekte hal naar hun afdelingen lopen. Als hier die bioscoop had gestaan, was het uitzicht heel wat feestelijker geweest.

Feest, dat was het toverwoord van Abraham Tuschinski. Wie bij hem een film ging zien, moest al bij de ingang de grauwe werkelijkheid van zich af schudden om zich enkele uren te kunnen wentelen in de luxe van dikke tapijten op de grond, schitterende decoraties, een uitgekiend sfeervolle verlichting en een programma dat niet alleen de hoofdfilm bood, maar ook een voorprogramma vol fonkelend opgediend variété en een orkest in de bak dat daar een weelderige omlijsting aan gaf. 'Ieder mens heeft na een dag hard werken recht op ontspanning,' sprak Tuschinski. En: 'Het beste is voor mijn publiek nog niet goed genoeg.'

Hij rijst uit de talloze interviews die in de jaren twintig en dertig met hem werden gemaakt, op als een circusdirecteur van de oude stempel: een neus voor noviteiten, een hang naar sentimentaliteit en tegelijk een groot zakelijk instinct. Hij werd, schreef sterverslaggever M.J. Brusse in 1928 in de NRC, voortgedreven door 'die eindeloos nieuwe spanning van energie, van voortvarendheid, van groote plannen, van stoute fantasieën, van doorzettingskracht, om toch, tòch, koppig en steigerend tegen alle lauwheid in van de massa - van dat onberekenbaar grillige en veeleischende en trouwelooze monster publiek in - zijn wil door te drijven en het wederom te imponeeren, te overbluffen en te paaien met wat hij 't àl maar verleidelijker, bonter, flonkerender, weelderiger, ontroerender, schokkender en onweerstaanbaarder voor zijn oer-instincten vóór wil houden, tot hij ze tòch weer bij duizenden en duizenden binnenlokt in zijn zinnen-verdoezelende filmpaleizen en zich triomfantelijk opnieuw bedwinger van de smaken en lusten der menigte voelt.'

Het is niet eenvoudig, bij zoveel geromantiseerde mooischrijverij, de man zelf nog te zien. Wat vast staat, is dat hij in 1904 als Pools landverhuizer naar Rotterdam kwam, met de bedoeling per Holland-Amerika Lijn - in het ruim, opeengepakt met honderden andere joodse emigranten - naar Amerika te reizen. Ook staat vast, dat hij die overtocht nimmer heeft gemaakt. In de sjofele Nadorststraat opende hij een hotelletje voor landgenoten, die net als hij op de boot wachtten. Dat werd een succes. Daarna huurde hij van de gemeente een zeemanskerkje aan de Coolvest, dat op de nominatie stond te worden gesloopt voor de bouw van het nieuwe stadhuis en de aanleg van de Coolsingel, om er (in 1911) de bioscoop Thalia te vestigen.

Opsmuk

Al meteen wist Abraham Tuschinski dat hij een ander soort uitgaansgelegenheid wilde creëren dan de meestal nogal kale en armoedig ogende ruimtes waar destijds de eerste filmpjes werden vertoond. Hij wilde opsmuk. Op de vloer liet hij kokoslopers leggen en aan weerszijden van het projectiedoek werden gipsen borstbeelden van koningin Wilhelmina en prins Hendrik geplaatst. Toen het kerkje een jaar later werd gesloopt, had Tuschinski voldoende vertrouwen in zijn nieuwe bedrijfstak om een voormalig pakhuis aan de Hoogstraat te huren en daar zijn tweede Thalia te beginnen. In de jaren daarna breidde hij zijn Rotterdamse imperium uit met de bioscopen Scala, Cinema Royal, Olympia en het Grand Théâtre.

Maar zijn grootste schepping verrees in 1921 in Amsterdam, op de resten van een krottenwijkje achter de Reguliersbreestraat. Daar moest een theater komen 'dat zelfs in een op alle gebied verwende stad als Amsterdam een ongekende sensatie zal verwekken'. Tuschinski trad zelf als bouwheer op; de door hem ingeschakelde architect Hijman Louis de Jong, weggemoffeld in de officiële bedrijfshistorie, werd voortdurend door de opdrachtgever voor de voeten gelopen. 'Jij gaat tekenen,' had Tuschinski de architect toegevoegd, 'maar ik ben niet gauw tevreden, zodat het dikwijls zal voorkomen dat ik met een enkele blik een tekening (-) afkeur.'

Het befaamde Tuschinski-theater werd een monument van pronkzucht. Puristen beschouwden het als protserige overdaad. Achter een gevel als een kathedraal, met tegelpatronen van C.H. Bartels, ontvouwde zich een gebouw als een uitstalkast van stijlen, waarin Hollandse kunstnijverheid, moderne art deco en oriëntaalse vormen en kleuren waren samengebracht om te behagen, te epateren en te overdonderen. 'Het geheel is onrustig,' mopperde een reporter van het Algemeen Handelsblad ten tijde van de opening, maar dat was dan ook precies Tuschinski's bedoeling. Het was hem er, ook bij de wekelijkse reclame voor de nieuwe films, niet om te doen zijn publiek een moment rust te gunnen. Integendeel. 'We móeten wel eens schreeuwen,' zei hij tegen Brusse, 'want er zijn vaak tonnen mee gemoeid.'

Bij de journalisten van zijn tijd stond Abraham Tuschinski dan ook bekend als een onverbeterlijke koopman die elke film bij voorkeur 'het grootste van het allergrootste' noemde. Tegen verslaggever Philip Pinkhof van de Telegraaf zei hij eens: 'Je moet deze week komen kijken. De mooiste film die wij ooit gegeven hebben.' En toen Pinkhof zich omdraaide, voegde hij daar nog aan toe: 'Maar met een nòg mooiere film kom ik in de volgende week.'

Dat hij jarenlang nauwelijks zijn eigen naam kon schrijven en in een etuitje in zijn vest een stempeltje met zijn handtekening met zich meedroeg, hield hij liever verborgen. Pas in de loop van de jaren dertig leerde hij zichzelf lezen en schrijven, maar het schrijven van lange zakenbrieven liet hij liever aan anderen over. Alleen in de familiekring was bekend hoe hij de krant las: regel voor regel volgend met de wijsvinger, de woorden prevelend in een zwaar Pools accent.

Kosjer

Thuis, aan de Coolsingel in Rotterdam, behoorden de heer en mevrouw Tuschinski intussen tot de voorname ingezetenen, bij wie op vrijdagochtend arme Poolse joden op de stoep stonden voor de ruimschoots verstrekte koek, eieren en kip. Binnenshuis was de keuken kosjer. Buitenshuis kon Tuschinski niet te kieskeurig zijn; als hij moest dineren met zakenrelaties, at hij wat de pot schafte. Datzelfde gold voor zijn zwagers Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz, die zijn mede-directeuren waren. Van hen was Gerschtanowitz vooral de filminkoper, terwijl Ehrlich het variété in de bioscopen en in het nachtclub-achtige La Gaîté verzorgde. Tuschinski was de man die als gastheer en naamgever naar buiten trad, maar gedrieën vormden ze de leiding.

Gedrieën besloten ze begin jaren dertig ook, dat het concern moest worden uitgebreid met een theater in Den Haag. Het zou, net als in Amsterdam, de naam Tuschinski krijgen. Hun oog was gevallen op een stuk grond aan het Spui, centraal gelegen. Het moest er nòg mooier en grootser en indrukwekkender worden dan in Amsterdam. Een naar Duitsland gevluchte zwager van mevrouw Ehrlich bleek bereid te zijn er geld in te stoppen. Op papier werd daarover niets vastgelegd; wederzijds was duidelijk dat een Poolse jood, als hij zaken doet met zijn familie, geen contracten sluit - het onderling vertrouwen is genoeg. Zo traden de heren in onderhandeling met de gemeente Den Haag.

Het voorstel van b & w aan de raad zou een hamerstuk zijn geweest, als niet de NSB'er Scholte het woord had gevraagd om te waarschuwen tegen het 'volkschvreemde element, dat zijn oostjoodsche driften in de Diets-Germaansche gemeenschap wilde uitleven'. Maar na een geëmotioneerde reactie van Willem Drees (SDAP) kon het terrein in erfpacht aan de Maatschappij Tuschinski worden gegeven.

'Al de plannen waren geregeld en niet alleen de plannen, maar ook de terreinen waren verworven en de afbraak van de daarop staande huizen vorderde snel,' aldus het Nieuw Weekblad voor de Cinematografie in november 1945, 'doch de tijden waren tegen en van die schone droom zou niets komen.' De crisis had ook het bioscoopbedrijf getroffen; de theaters werden niet meer zo goed bezocht als in de roaring twenties. Na lang nadenken wendde de zwager van mevrouw Ehrlich zich tot zijn Hollandse familieleden met een moeilijke boodschap. 'Ich hab's mir überlegt...' begon hij - en ten slotte kwam het hoge woord eruit: hij trok zich terug.

Erfpacht

Daarop waren Tuschinski, Gerschtanowitz en Ehrlich - elk hoofdelijk aansprakelijk - niet langer in staat de erfpacht te betalen. Op 6 maart 1936 stelden b & w de gemeenteraad voor hun faillissement aan te vragen. De schulden waren inmiddels opgelopen tot de aanzienlijke somma van ƒ 106.470,-. 'Ondanks herhaalde aanmaningen blijven de erfpachters in gebreke het verschuldigde te voldoen,' aldus het stuk aan de raad.

Maar toen drie dagen later de gemeenteraad bijeenkwam, liet burgemeester De Monchy weten dat hij het voorstel voorlopig wilde intrekken: 'In de allerlaatste dagen zijn ons voorstellen gedaan tot minnelijke regeling van de zaak, hetgeen ons natuurlijk veel aangenamer is dan het scherpe besluit, waartoe wij hebben moeten komen.' Wat er precies was gebeurd, is in de handelingen niet vermeld. Achter de schermen had de Scheveningse textielfamilie Van Santen geld op tafel gelegd. In ruil daarvoor was het eigendom van de Maatschappij Tuschinski overgedragen. Tuschinski, Gerschtanowitz en Ehrlich bleven directeur, maar nu in loondienst. Naar buiten toe konden ze echter blijven wie ze waren; de Van Santens achtten het wijs beleid niet naar buiten te treden met de gewijzigde eigendomsverhoudingen. Maar in Den Haag kwam geen Tuschinski-theater.

Tijdens de bezetting werden de drie echtparen opgepakt. Tuschinski had zichzelf tot het laatst toe wijsgemaakt dat hij geen gevaar liep. 'Ik ben in dit land in goede tijden groot geworden, ik wil in slechte tijden geen deserteur zijn,' zei hij, toen hem vlak voor de oorlog werd aangeraden naar Amerika te vertrekken. Maar echt gerust was hij er niet op. Toen zijn enige zoon in 1939 aan kanker stierf, merkte hij tegen een bevriende journalist op: 'Ik troost me met de gedachte, dat de dood hem misschien voor een veel erger lot behoed heeft. Want het gaat mis met ons joden.'

De zoon van Gerschtanowitz en de zoon en dochter van Ehrlich doken onder. Hun ouders gingen naar Westerbork. Daar hoopte Tuschinski nog op betere tijden. 'Als dit alles voorbij is,' zei hij tegen de eveneens gevangen filmcritica Ellen Waller, 'dan komt u weer bij mij zitten, in de loge van mijn mooie theater.' Herman Ehrlich werd in Sobibor vermoord, de anderen in Auschwitz. Intussen schreef het SS-blad Fotonieuws in juni 1942 hoe schadelijk de joodse invloed in Nederland op ieder terrein was geweest - ook op dat van de film: 'Reeds aanstonds maakten de joden zich meester van de verhuur en de theaters. In de directie der groote ondernemingen speelden de joden de eerste viool. Men denke aan den Poolschen jood, den vroegeren kleermaker A. Tuschinsky...' Alleen de kinderen van Gerschtanowitz en Ehrlich overleefden de oorlog.

Max Gerschtanowitz, die al in 1935 als jongmaatje in de zaak van zijn vader en zijn ooms kwam, was de eerste naoorlogse directeur van Tuschinski. Sindsdien heeft het bedrijf diverse eigenaren gehad: halverwege de jaren zeventig de Israëlische avonturiers Golan en Globus, daarna de Amerikaanse filmonderneming MGM en nu het internationale consortium Pathé.

De laatste jaren werkt dit consortium aan een programma van megabioscopen. Vorige maand ging er één open in Groningen, volgend voorjaar volgt het Schouwburgplein in Rotterdam en eind volgend jaar moet de veelbesproken vestiging in Amsterdam-Zuidoost worden voltooid. Gisteren is ook de nieuwe vestiging in Den Haag geopend, in de vroegere Cineac aan het Buitenhof. De oude gevel staat nog overeind; daarachter zijn nu zes zalen ingericht met een totaal van 1395 stoelen. De nieuwe bioscoop heeft, bijna zestig jaar na dato, de naam Tuschinski gekregen.