Een half uur stilte in de hemel; De aanhoudende echo van de Apocalyps

In de Apocalyps worden visioenen van massale slachtingen afgewisseld met verheerlijkende lofzangen. De weerklank van al die visioenen is in onze cultuur nog steeds hoorbaar. In films, literatuur en ook in revolutionaire utopieën. “De nieuwste generatie apocalyptici komt eraan, want ook het milieu-evangelie zal haar eigen eco-revolutionairen voortbrengen.”

Als de bijbel het Boek der Boeken is, een soort boek in het kwadraat, dan moet het laatste bijbelboek, De Openbaring van Johannes (of de Apocalyps, voor katholieken), wel beschouwd worden als een tot de derde macht verheven boek. Het is het bijbelboek waarin 'een boekje opengedaan' wordt over Gods bedoelingen met deze wereld. En wel heel letterlijk, want wat Johannes beschijft is een reeks visioenen waarin het Ultieme Boek, een zevenvoudig verzegelde boekrol, wordt geopend.

Die machtsverheffing is dus wel een passende metafoor, temeer omdat een van de merkwaardigste kenmerken van dit boek de grote nadruk is die in alle beschreven visioenen gelegd wordt op getallen. Iedereen kent natuurlijk het getal van het Beest, 666, en het getal van de 144.000 geredden. Maar in dat laatste getal zit ook de twaalf: 12x12000. Met name de getallen zeven en twaalf, en in mindere mate drie en vier, spelen een belangrijke rol.

Het is met andere woorden ook een rekenkundig bouwwerk, en het lijkt of de getalsmatige nauwkeurigheid waarmee alles is opgetekend een tegenwicht van berekenbaarheid en betrouwbaarheid moet scheppen in de baaierd van Engelen, Bazuinen, Plagen en Veldslagen waarmee de lezer te kampen krijgt. Voor bevlogen rekenaars onder de gelovigen moet het een onweerstaanbare uitdaging zijn om dit pandemonium van het Einde der Tijden te herscheppen tot een onverbiddelijke rekensom die aan alle kanten klopt. Maar of dat ooit iemand gelukt is, valt te betwijfelen.

Het is blijkbaar wel gelukt uit te rekenen wanneer Johannes van Patmos zijn visioenen op schrift gesteld moet hebben: in Griekenland is onlangs het 1900-jarig jubileum van dit feit gevierd. Een feestelijke herdenking met een op het eerste gezicht ironisch tintje, want Johannes' openbaringen eindigen met de hoopvolle aankondiging van de Wederkomst: “Hij die deze dingen getuigt [Jezus] zegt: Ja, ik kom spoedig”.

Maar wie ter gelegenheid van dit jubileum luchtig zou opmerken dat het met die spoed dus wel meegevallen is, die verwart het Goddelijk Heilsplan met de dienstregeling van de NS. En merkwaardigerwijs doen ook diegenen dat, die Johannes' openbaringen met veel interpretatief vernuft lezen als de wonderbaarlijke codering van het wereldnieuws van hun eigen tijd. Dat krijg je van al die getallen: de behoefte om vast te stellen dat Johannes zich vergist heeft, is blijkbaar even sterk als de behoefte om uit zijn visioenen de datum van de naderende wereldondergang exact te berekenen.

Door de eeuwen heen zijn er steeds opnieuw bewegingen ontstaan die door Johannes' openbaringen gesterkt werden in de overtuiging dat de Eindafrekening aanstaande was. Van de eerste christenen via de Wederdopers tot en met de Jehova's Getuigen en de Branch Davidians, die een paar jaar terug in Waco, Texas hun Armageddon beleefden. Maar hun lot toont tevens aan dat dit soort geschriften makkelijk als een selffulfilling prophecy kan gaan werken, waarmee men het Oordeel over zich afroept.

Je kunt de Openbaring van Johannes ook anders lezen: Johannes beoefende een genre dat al enkele eeuwen oud was. Voor hem en ook na hem zijn er heel wat apocalypsen geschreven. Zoals die in het bijbelboek Daniël bijvoorbeeld, die een belangrijk voorbeeld voor hem is geweest. En in de vroegchristelijke tijd waren er ook apocalypsen die aan Petrus en Paulus werden toegeschreven.

Goddelijke geheimen

Het genre van de apocalyps kwam voort uit de onzekere situatie van het joodse volk dat zich na de Babylonische ballingschap voortdurend bedreigd zag door allerlei vijandige machten en behoefte had aan een hoopvol perspectief. Zo ontstond, voortbouwend op het werk van de profeten, een type geschrift waarin door middel van dromen en visioenen Goddelijke geheimen werden geopenbaard, die de belofte inhielden van een uiteindelijke triomf over het kwaad van afgoderij, onrecht en verdrukking.

Dat ging overigens niet noodzakelijk gepaard met het Einde der Tijden of een Laatste Oordeel. Als wij tegenwoordig bij het woord 'apocalyptisch'onmiddellijk aan die dingen denken, komt dat door de Apocalyps van Johannes, waarin de nadruk zo sterk ligt op eschatologie (de leer van de Laatste Dingen). Maar daarin onderscheidt Johannes' geschrift zich van eerdere apocalypsen.

Wat behelzen die openbaringen van Johannes nu precies? Voor lezers die hun heil alleen nog in de krant zoeken, geef ik een vluchtig overzicht. Na de inleidende waarschuwingen aan de zeven christengemeenten van Klein-Azië, wordt Johannes uitgenodigd de hemel in te klimmen. Daar ziet hij een troon waar omheen vierentwintig (2 x 12) oudsten en vier dieren (met elk zes vleugels: 24) zijn gegroepeerd. Degene die op de troon zit, houdt in zijn rechterhand een verzegelde boekrol, waarvan de zeven zegels nu een voor een worden geopend door het Lam (Christus).

Met het openen van de zegels begint het hemelse tableau vivant een onheilspellende dynamiek te vertonen, voorlopig culminerend in het zesde zegel: “En ik zag, toen Hij het zesde zegel opende, en daar geschiedde een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed. En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door een harde wind geschud wordt. En de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold, en alle berg en eiland werd van zijn plaats gerukt....”.

Dan wordt opeens een pauze ingelast, waarin eerst 144.000 kinderen Israëls en een ontelbare menigte uit “alle volken, stammen, natiën en talen” rondom de troon worden verzameld. Zij hebben weinig te vrezen.

Nu volgt een adembenemende stilte. Bij het openen van het Zevende zegel “kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang.” Het is de stilte voor de storm, want nu verschijnen er zeven engelen met bazuinen, en zodra er op de bazuinen wordt geblazen, breekt de hel op aarde pas goed los.

Na een serie van zes bazuinstoten, gepaard gaande met even zovele rampen en verschrikkingen, wordt opnieuw ingehouden: er verschijnt een engel met een boekje die 'zeven donderslagen' laat horen. Die donderslagen spreken, maar Johannes, die wil opschrijven wat ze zeggen, krijgt opdracht dat niet te doen, maar ze te verzegelen. (Merk op dat dit een tegenbeweging inhoud: we zijn immers bezig met het verbreken van zegels.) Dan moet hij het boekje uit de handen van de engel nemen, en merkwaardigerwijs geeft deze hem de instructie, het op te eten.

Johnnes doet dat, met als gevolg dat hij begint te profeteren over de 'twee getuigen'. Dan pas klinkt de zevende bazuin, die een lofzang is op de grootheid van God: zijn hemelse tempel gaat open, en een nieuwe serie visioenen volgt.

Draak

Er is sprake van een vrouw die zwanger is en een draak die haar vervolgt. Maar haar kind wordt in veiligheid gebracht. (Hierin herkent de doorgewinterde bijbellezer de geboorte en het leven en sterven van Jezus). Dan komt er een beest uit de zee, en een beest uit de aarde. Voor de rekenaars wordt het er niet eenvoudiger op, want zowel de draak als het eerste beest hebben zeven koppen en tien horens.

Na een aankondiging van het oordeel verschijnen er zeven engelen die zeven 'schalen der gramschap' uitgieten op de aarde. U begrijpt het: opnieuw rampspoed en ellende, die ditmaal culmineert in het oordeel dat over Babylon wordt uitgesproken en de val van Babylon (tot grote vreugde van Johannes' publiek ongetwijfeld, want hier zat het op te wachten: in 'de grote hoer van Babylon' werd de macht van het Romeinse rijk verbeeld).

Nu kan de bruiloft van het Lam gevierd worden, waarna bij wijze van intermezzo het Duizendjarig Rijk aanbreekt: als genoegdoening mogen de martelaren voor het geloof duizend jaar met Christus regeren. Waarna de satan overigens ook nog even mag huishouden. Maar dan is het afgelopen en breken eindelijk de nieuwe hemel en de nieuwe aarde aan en wordt het Nieuwe Jeruzalem beschreven.

Deze samenvatting is natuurlijk volstrekt ontoereikend om een beeld te geven van wat er allemaal aan Johannes' geestesoog voorbijtrekt: in schrille beelden kolkt het ene visioen over het andere heen, waarbij massale rampen en slachtingen afgewisseld worden met verheerlijkende lofzangen. Maar wat mij het meest frappeert is de opbouw van het geheel: dat stuwende ritme in die opeenvolgende reeksen van zeven - waarbij steeds vlak voor het hoogtepunt wordt ingehouden, om in de voltooiing van de reeks een nieuwe reeks te lanceren: zeven zegels, zeven bazuinen, zeven schalen der gramschap. Bovendien is een andere ritme van zeven herkenbaar in de 22 hoofdstukken: de hoofdstukken 7, 14 (vs 1-5) en 21 vormen duidelijk contrapunten van hemelse zaligheid temidden van de ondergangstaferelen.

Wederkomst

Wie tot zich door laat dringen hoe geraffineerd dit boek is opgebouwd, moet wel concluderen dat er een geniale dramaturg aan te pas is gekomen. Alle cataclysmen zijn georkestreerd met een onmiskenbaar gevoel voor theater. Hoe overspannen en vreemd het op een moderne, ongelovige lezer ook moet voorkomen, het is een imposant spektakel. En ongetwijfeld daarom heeft het ook zo'n sterk stempel gezet op de christelijke verbeelding. De dramatische enscenering van een Einde der Tijden en een Wederkomst, geboren uit het joodse geloof in een Messias, is na 1900 jaar nog steeds niet uitgewerkt. De echo's van die koortsachtig opgestuwde branding van visioenen waarmee de bijbel besluit, zijn nog altijd hoorbaar in onze cultuur.

Dat komt niet alleen doordat ze appelleren aan onze angst voor ondergang en vernietiging, maar ook omdat die beelden zo'n brisant mengsel van angst en hoop uitdrukken. Het geschetter van Johannes' bazuinen klinkt angstaanjagend, omdat het de Vernietiging aankondigt, maar ook triomfantelijk omdat het vooruitloopt op de uiteindelijke overwinning op het Kwaad. En de schildering van het Nieuwe Jeruzalem aan het slot maakt het ook tot een utopisch geschrift, bezield door een revolutionair elan waarin men ook in latere tijden de eigen verlangens naar revolutie en gerechtigheid herkende. Het Nieuwe Jeruzalem is de kiem van alle latere revolutionaire utopieën. En het idee dat al het onrecht in de wereld schreeuwde om een Grote Afrekening, waarna een nieuwe wereldorde zou aanbreken - is dat niet een overtuiging die alle revolutionairen delen, van de eerste christenen tot en met de negentiende-eeuwse socialisten of de twintigste-eeuwse communisten? Revolutionairen zijn per definitie apocalyptici. En de nieuwste generatie apocalyptici zit eraan te komen, want ook het milieu-evangelie zal ongetwijfeld haar eigen eco-revolutionairen voortbrengen.

Johannes van Patmos heeft dus school gemaakt: zijn Laatste Oordeel gaat voortdurend in reprise en krijgt steeds nieuwe ensceneringen. Het is een vast onderdeel geworden van onze collectieve verbeelding. Zozeer dat zelfs in ons knusse Sinterklaasfeest de sporen van Johannes nog zijn terug te vinden (zoals ook Nicolaas Matsier heeft opgemerkt): deze Oude van Dagen met zijn sneeuwwitte baard, wiens Wederkomst we elk jaar op 5 december vieren, opent immers het Grote Boek en spreekt zijn Oordeel uit, dat bepaalt 'wie de koek krijgt, wie de gard'.

Maar ook afgezien van deze onschuldige kinderapocalyps blijven de beelden van Johannes door onze cultuur spoken: in tijden van oproer, van rampen en oorlogen ligt de omineuze verwijzing naar het doomsday-scenario van Johannes altijd voor de hand en het kost weinig moeite om de sporen daarvan in kunst en literatuur terug te vinden (het onlangs verschenen eerste nummer van het tijdschrift Armada bewijst het).

Visionair

Opmerkelijk is wel dat het apocalyptische bijna altijd uitsluitend een negatieve lading heeft, terwijl bij Johannes ondergang en vernietiging nauw verbonden zijn met hoop en wederopstanding. Een van de weinigen voor wie dat niet geldt is de Engelse dichter William Blake. Maar deze home-made visionair bedacht dan ook zijn eigen evangelie: Jezus was voor hem niet meer of minder dan de Imagination zelf. Dat opende heel andere perspectieven: de kunst zelf werd openbaring van de spirituele dimensies van het bestaan.

De meeste anderen zijn er minder gerust op: zo laat Dostojevski in zijn apocalyptische roman Boze geesten, waarin de spasmen van de Russische revolutie al voelbaar zijn, Stavrogin worstelen met de boodschap aan de Engel van Laodicea: “Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch heet, noch koud, zal ik u uit mijn mond spuwen.”

En in de ontkerstende twintigste eeuw klinken Johannes' bazuinen zo mogelijk nog luider: denk aan Die Schlafwandler van Hermann Broch, aan de film Het zevende zegel van Ingmar Bergman of aan Apocalypse Now. Of aan Vestdijk, die er niet alleen in Het vijfde zegel aan refereert.

En wat te denken van Harry Mulisch? Van Archibald Strohalm tot en met De ontdekking van de hemel speelt de erfenis van Johannes van Patmos een intrigerende rol in zijn werk. In Het zwarte licht beschreef hij al eens een Einde der Tijden, waarin onder andere Johannes' bloedrode maan figureert. En een pamflet uit de jaren zestig is getiteld Wenken voor de Jongste Dag: daarin stak hij de draak met de lachwekkende voorschriften van de BB (Bescherming Burgerbevolking) in geval van een atoomoorlog door Johannes' visioenen te voorzien van deskundig BB-commentaar - een hilarischer en dodelijker pamflet is sindsdien niet geschreven.

In de verhalen van De versierde mens, in Tanchelijn, in De knop, in De Verteller - ik noem maar wat me zo te binnen schiet - overal waart het spook van het Einde der Tijden en de Wederkomst in een of andere gedaante wel rond. Om maar te zwijgen over De ontdekking van de hemel. De vraag is natuurlijk: waarom houdt dat een verklaarde heiden als Mulisch zo bezig?

Die vraag ga ik hier niet beantwoorden. Ik volsta met de constatering dat dit verhitte bijbelboek, met zijn angstaanjagende dynamiek van rampspoed, vernietiging en hemelse glorie ons blijkbaar nog altijd achtervolgt: het wil maar geen geschiedenis worden. Daaraan herken je de vitaliteit van een mythologie die ook na tweeduizend jaar nog niet is uitgeput.